De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 12
Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding.
--Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
--O, moeder, moeder ... Femke!
--De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens.
En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
--Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte ... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ... een weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!
--Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft ... of beide.
En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:
--Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.
Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter's gemoed. Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van 't kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging, _genot_ noodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Dat _straffen_--met of zonder _Heer_ dan--niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding ... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...
--Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier heeft een bruine beer om z'n hals ...
Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in 't geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.
--Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is, meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet toch zout wezen ... en maak 'n praatje ... 't is niet om te praten, weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... 't is maar, weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want 't is m'n 'n man ... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak ... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny.
Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. _Alas, poor mankind!_
_Weêr een avendje._
--Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m'n oom? Jelui bent allemaal gevraagd, en ik heb 'm gezegd dat er een vers wezen zou.
--Dat 's moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we 't hèm eens vroegen?
--Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik geskandeliseerd.
Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er veel tegen.
--Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort doen aan 't respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd, dan is respekt nummer een, en zoo'n vers...
--Maar de jongens op je school hoeven 't niet te weten...
--'t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte ... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt er van. Ieder moet op z'n zaken passen. Zoo'n vers ... dat is goed en wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...
--En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.
--Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...
--Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!
--Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat komt... hoe zal ik 't je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je begrypt, by zoo'n vak als 't onderwys, heb je allerlei soort van dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?
--Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...
--Amsterdam aan 't Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen, want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z'n suiker met wat anders, en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy 't pond moet verkoopen, om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.
Stoffel ging dien middag vroeger naar z'n school dan gewoonlyk, en liet jufvrouw Laps heel ongesticht achter. 't Mensch wou maar niet begrypen, hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen voor Stoffel's rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar meester Pennewip zelf.
De man zag vreemd op, by 't bezoek van het vertoornde zoogdier, maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.
--Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?
--Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van oesterschelpen en eieren?
--Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy deze uitdrukking begrypt--het is eene beeldspraak, juffrouw--op welken trap dan van den ladder der maatschappy?
--In de granen, meester. Meent u dat?
--Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn ... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,--die door sommigen onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten--zeker is het, dat Jozef granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps, wy lezen in _Genesis XLI_...
--Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao's wagen, en droeg een witte zyden rok. Myn oom is fakter. Dat was m'n vader ook.
--Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan zegt _Genesis_ niets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse van personen ...
--Myn oom is wéwenaar ...
--Ziet ge, daar hebt gy 't verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On, en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote--of volgens sommigen, echt_genoot_--reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als 't u ernst is uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.
En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden in een hofkoets. Maar 't bezingen van een "fakter" liet hy over aan 't genie van den _vliegenden theeketel_ in de Peperstraat. Dit was niet mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was gegooid door z'n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?
Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door 't bezoek.
Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers kant en klaar zou maken. Hy zou 't den volgenden ochtend by jufvrouw Laps komen opzeggen, en als 't waardig werd gekeurd de tolk te zyn van hare gevoelens jegens 'r oom, zou Klaas meêgenood worden op 't avendje. En, had z'n vader gezegd, dan zou hy 'n witten das om hebben, met 'n opstaand boordje.
--ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift toch alles vooruit wist.
En 't mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte overeenkomst te vinden tusschen Jozef's verheffing en de apotheose die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze een mantel in de hand hield.
De _poëta laureatus_ meldde zich den volgenden morgen by haar aan, en dreunde z'n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt voorgelezen op 't avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens plaats vond.
Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van 't behangsel, en dwong zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen ... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was 't vermoeiend, maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was 't nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest deelnemen aan 't bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar 't baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen, die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging om haar vasttehouden ....
Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...
Schreiend riep hy zachtkens Femke's naam, zacht genoeg om niet te worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven aan zyn beklemd gemoed ...
--Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook verbeelding?
Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en 't was Femke's stem!
--Ik _wil_ weten of ik droom, zeî 't kind, en hy richtte zich overeind in z'n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik heet Wouter ... Laurens is op 't letterzetten ... dit is alles juist ... ik droom niet ...
En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe komen aan zyn gehoor ...
--O God ... Femke's stem! Ja, ja, zy is het!
Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van 't bed af, de deur uit, rolde de trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van 't bleekmeisje, dat in 't portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin der Pietersens.
Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst meende zy dat het om 't prentje was, waarop Aztalpa de beide broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter's schoolmeesterlyke broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke verlangde Wouter weêrtezien. Om z'n persoon kon 't niet wezen--zoo'n kind!--maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in 't hart van dat meisje Wouter's persoon in-een met de verhalen die hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie. _Qui bene distinguit, bene docet_, ja, en zelfs: _qui bene distinguit, bene discit_... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes in elkander zaten, waarmeê Femke--die lieve karper!--zou rondzwemmen in den vyver van haar zestien jaren.
--Leg 't goed in de zon, riep haar de moeder toe...
En dit vertaalde Femke aldus: _zon_... _Peru..._ Aztalpa... Kusco... Wouter!
--Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke vertaalde: _moedig in den stryd tegen de vyanden van_ Peru... _hy de edelste telg der_ Inca's... Telasca... Wouter!
Och... alles riep: Wouter!
En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden, ongeduldig. Den derden, ongerust...
--Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat 'n vers moest maken...
--Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je 'm te vinden?
Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed in haar voornemen om 't kind optesporen, welks woning zy niet wist, en die moed wilde zy verbergen. Waarom?
Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy 't: _hoe mal!_ dat zoo vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is 'n eigenaardige _pudeur_ in liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy 't goede dat in ons is, en pronken liever met fouten. Dit is huichelary _à rebours_.
Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in de Hartestraat. De loop der straten die in 't eerste hoofdstuk der geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort, voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter--Femke was ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na--vraagde zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: "om 't boek over die gravin met den sleep?"
--Hé? Hoe is de titel?"
--Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar 't is over een roover ... de Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och 't is my te doen om een jongetje dat gelezen heeft in zoo'n boek. Ik wilde u vragen waar dat jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...
--Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om jongetjes optezoeken.
--Maar m'nheer, ik wil er voor betalen, zei 't meisje, en zy legde haar schat op de toonbank.
--Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!
Nu werd Femke boos:
--Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me niet doen. Als je 't niet zeggen wilt, dan kun je 't laten ... maar ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.
En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:
--Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?
--Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?
--Ik vraag 't boek van den roover en Amalia, zei Femke.
O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen om-niet ... zy voelde zich _klant_ nu.
--Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?
--Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe, _asjeblieft_, help my...
Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.
Vry spoedig noemde hy Glorioso...
--Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.
--Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom, om 't dierbaar boek te krygen.
--Neen, neen ... ik heb 't boek niet noodig, ik wil maar weten waar het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag voor betalen!
En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet, zei de man. "Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men 't hem vrindelyk vraagde." Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.
De man zag na in 't register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg nemen kon....
Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegd geld meêtenemen. De man liep haar achterna om 't terug te geven, maar-i had moeite om 'r intehalen. Zoo liep ze!
Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse, verhuisd was "naar een fatsoenlyker buurt." 't Was nog al ver, maar 't meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd ze ontvangen met een barsch "wat moet je?" van de jonge-jufvrouwen.
--Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter 't maakt?
--Wie ben je?
--Ik heet Femke, jufvrouw, en m'n moeder is een waschvrouw ... maar ik wou weten hoe 't met Wouter is?
--Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse, die kwam aanloopen op 't gerucht.
--Och jufvrouw ... wees 'r niet boos om ... ik wou 't zoo graag weten ... en m'n moeder weet er van, dat ik hier ben om 't te vragen. Wouter heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...
--Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...
--Om-godswil, jufvrouw! riep 't meisje, en wrong de handen.
--De meid is mal! Duw 'r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...
Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich gereed haar bytestaan, maar 't moedig kind hield vol. Ze greep de leuning van de trap, en klemde zich vast.
--Gooi 'r de deur uit, die brutale meid ...
--O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan ... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw ... en ... of ... hy ... sterven ... zal?
Hier berstte 't kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by 't aanzien van Femke's smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden burgerlyke zielen.
Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. 't Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De "heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys" komen daar niet.
--Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ga _niet_! Ik _wil_ weten, of 't kind ziek is ...
Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich, rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor Femke's voeten in zwym.
--Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men wees haar Wouter's bed, en daar legde zy 't kind neer. Niemand had den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzette voor de legerstede, en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht, rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: "Och, neem 't me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo dacht ik aan dat kind!"
De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en 't huis Pieterse is present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.
--'t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?
--Gut m'nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen Mina! gooi 'r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...
--Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en toonde een blauwe plek aan de pols, waaruit _ik_ zou besluiten dat Femke háár had beet gehad.
--Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar verleeren!
--En _ik_, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam _nu_ niet zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
--Een gemeene meid, m'nheer!
--Een _heele_ gemeene meid!
--O, zoo'n gemeene meid!
--En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
--Ja, dat was moeielyk... ik zei...
--Né moeder... _ik_ zei...
--Né, _ik_!
--Né, _ik_!
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't middelpunt der gebeurtenissen die 'r werden verhaald.
--Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing...
't Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.
--Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
--Moeder ... ik zei ... dat het schande was.
--Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water ... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde, of 't naar jongen was, m'nheer! Nu, 't kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we by waren!
Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
--En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met Wouter ...
--Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing hebben.
--En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.
--Net 'n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze waarheid zeiden.
--En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat zal mis wezen ...
Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster van haar discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat 'n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
--Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!
--Ja oom, er is een verrassing.
--Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.
--Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
--Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen, 't Is wat je noemt ... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen ... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.