De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld
Part 11
Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof te slaan aan Femke's begrip. Ik verdenk haar van "schipperen" met het geloof aan Wouter's vertelling. Zy drong zich het begrypen op, omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der drie helden van 't heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot neêrtezien op 't verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op 'n wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd--van individu en Mensheid alweêr--is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een sterken bondgenoot in Femke's vurige begeerte om 't vervolg te weten dier aandoenlyke geschiedenis. _Zy_ had hem--met minder moeite, want Wouter was jonger, en bovendien onevenredig kinderlyker--haar "ivoren toren en geestelyke vaten" ingegeven, nu zou 't hem weldra gelukt zyn haar 't zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit niet. Om te ontleden hoe zucht tot _weten_ wordt afgeleid door behoefte aan _liefde_, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter's indrukken, en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen tot onderwerp diende van z'n galvanische proef. Wie te traag is om de analyse te volgen van 'n menschenhart, abonneere zich op de romans van Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan octrooi te verdienen op 't uitvinden van iets belangrykers. En wie, eindelyk, myn werk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie, want dat kost het my ook... en nog iets.
Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma's hart begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke's snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie, en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer, Femke's goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne personen sprekende in. Er was een _quousque tandem_ van teederheid in 't naspreken van Telasco's woorden:
"Dochter der zonne, beslis! _Hy_ heeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Is er een ree vlugger op 't gebergte, een jager zekerder van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder, heldhaftiger dan hy?
"Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!"
"Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den verhevensten telg van de Inca's. Hy schreef uwen naam, o dochter der zon, met kunstigen knoop in z'n gordel en luid heeft hy dien naam geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o gy verhevene dochter van 't licht!"
"Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen. _Hy_ heeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van 't land. Hy worstelde, streed en overwon in uwen naam...
"Telasco _liet_ my de overwinning! Hy doodde z'n eerzucht in uwen naam...
"Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...
"Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...
"Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint, hem alleen...
"Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?
Eindelyk sprak het meisje:
"Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen, zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik weet dat gy beiden vooraan staat in de reien der kinderen van de zon, en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.
"Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al 't wee en al de zaligheid van 'n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in myn hart plaats voor 'n alles verterenden gloed, by 't inzuigen der goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco begeleidt. Myn ziel leeft door 't genieten van uw beider bestaan. Uw beider namen hoor ik roepen door den tortel in 't geboomte, door den wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke kronkeling geschreven op de vlakte van 't meer, in rangschikking van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht: uw naam! En, Kusco, by 't danken voor de zegeningen die de oorsprong van het licht schonk aan 't blinkend land van Peru, dankte ik, de dochter der Inca's, met dit ééne woord: Kusco!
"Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik kàn niet!"
Aldus sprak de dochter der zon.
Maar Telasco antwoordde:
"De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...
--Hé? Emma heette zy...
--Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf, ze heette Aztalpa. Telasco zeide:
"De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy 't gebod der zon niet opvolgen?"
"Laat my sterven, Telasco!"
"Neen, _ik, ik_!... riepen beide broeders tegelyk ...
"Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen."
"Kies Telasco! riep Kusco.
"Kies Kusco! riep Telasco.
Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk, en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.
Telasco bedacht zich.
"Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor 't verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar 't jachtveld. Wy zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby den boom die Aztalpa's naam draagt, door ons beiden gesneden in de schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs 't wild vlucht, als het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op de eerste hinde die er opdaagt uit het woud. Als de vederen van den pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als 't uw pyl is Kusco, die 't wild treft ... als de getroffen hinde _uw_ kleur draagt...
De beide broeders bedekten zich 't gelaat, als vreesden zy iets te zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco voorsloeg.
"Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den uitslag van Telasco's voorstel!"
"Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.
En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.
Den volgenden morgen vroeg, by 't eerste licht der zon, hoorde Telasco van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar gewoonlyk 't wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood voor 't gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo'n jacht hem voor als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie, z'n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen, ondersteunde het hoofd.
Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z'n trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als de eerste hinde zich vertoonen zou. "Misschien heeft de opmerkzame Kusco myn pylen geteld, by 't samen uitgaan, dezen nacht." Zoo dacht hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan 't getal...
Het gerucht kwam nader. Weldra zou...
Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen ... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco's en Kusco's edelmoedigheid.
Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z'n pyl met de oogen, maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het hart doorboorde.
En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z'n pyl in den grond, en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf begroef.
Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd verder vluchtte.
"Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco, die wild te-voorschyn sprong.
"Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebt _my_ misleid. Gy hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z'n broeder te-gemoet snelde.
"Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.
En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.
Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco's ziel. Hy zeide:
"Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde treft, Aztalpa's keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy schieten zult, ditmaal!
"Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.
"Ik zàl treffen!
"Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?"
"Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?"
"Kusco, ik beloof het u."
Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van de rechter weerhielden den pyl tegen 't halfgespannen koord. Het oog staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...
Doodelyk getroffen stortte 't arme dier neer...
"Ik groet u, Inca van Peru!"
Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend uit het kreupelhout.
"Gy hebt verwonnen, Kusco... 't was _uw_ pyl!
"_De uwe, Telasco!_ 't Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand sidderde toen ik schoot.
"Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.
"Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!
"Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.
"_Gy_, broeder!
"_Gy!_"
"Ik verzeker u dat _myn_ pyl...
"'t Kàn de myne niet geweest zyn...
"Den heuvel op!
Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy naar de plek waar de hinde gevallen was...
"Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.
"Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En 't _moet_ blauw zyn, want...
"Het _moet_ rood zyn, want...
Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.
Want 's nachts was Kusco, voorzichtig als 'n misdadiger, geslopen in de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco's legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens, waarmeê hy niet wilde overwinnen...
Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa's uitverkorene, tot Inca van Peru. Begryp je 't, Femke?
--Ja ... maar...
--Je moet altyd denken, 't was vèr van hier, en 't is lang geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd, en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde: dat Aztalpa kiezen moest...
--Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?
--Altyd. 't Staat zoo in 't boekje... 't was vèr, weetje. Nu, Aztalpa moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.
Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:
"Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...
--O God, riep Femke...
--Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:
"Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in 't land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest, omdat men weet hoe 't den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand reikt, wyl men beseft hoe 't my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag 't gevolg zyn der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen, en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar ... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwer bescherming. Gy zult Kusco antwoorden in 't ruischen der palmen, zonder dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap nêervallen by de gedachte aan Kusco's verlatenheid, noch hy bedroefd zyn door 't besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor 'n liefde als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het, gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die 't wist dat gy noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest, omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.
Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...
Aldus sprak Telasco.
Kusco zweeg.
En Aztalpa zeide:
"Broeders, ik ben bereid."
En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.
Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen, weetje?
--Ja, antwoordde 't meisje, met 'n overtuiging als-of ze Velleda zelf was. Och, ze had 'r boekje vergeten, en was ontrouw aan al haar Heiligen.
--O God, Wouter, 't doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? 't Was wreed van Telasco...
--Wat zou jy gedaan hebben, Femke?
--Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.
--Zieje, 't was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide broeders. Ze was in 't wit gekleed, en een witte sluier hing haar over 't gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:
"Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!"
Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den brandstapel. Kusco's houding was gebogen, en zyn tred was wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa niet sterven zou...
Een diepe ademhaling verluchtte Femke's gemoed. Met open mond staarde zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met al de kracht van haar ziel.
--Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de handen voor 't gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy boog het hoofd...
Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:
"Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen van Kusco's hand!"
Telasco slingerde den dolk weg, en riep:
"Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw Inca! Aztalpa, vaarwel!"
Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.
Maar, toen deze z'n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft hem nooit wedergezien. Vindje 't niet mooi, Femke?
--Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek zou uitleggen, had ze 't niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?
--Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, 't staat zoo in 't boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke, ik wou zoo graag dat m'n vers al af was...
--'t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks te doen.
--Neen, ik zal denken aan 't meisje. Goeden avend, Femke...
Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z'n vertelling. En droomend van Aztalpa, die op 'n bleek paste, stapte hy door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en 't speet hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde zich dat hy nu by 't maanlicht, beter nog dan anders zou verteld hebben. Maar 't kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.
Wouter's _droom_.
--Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat "die jongen" zelfs in den slaap z'n rust niet houden kon.
Ziehier de oorzaak waarom Wouter z'n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.
DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN 'T GRAS... OF 'T FEMKE WAS?
Wat stond zich de maan te vervelen, Dien avend in 't luchtruim alleen! De sterretjes waren verdwenen. Omdat zy te flikkerend schéén.
Het is voor zoo'n maan niet pleizierig Alleen aan den hemel te staan. Die eenzaamheid brengt aan het kniezen, En helpt het humeur... naar de maan.
Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing, En troostte wat smachtend gevoel, En hielp een paar dichters aan verzen, Maar bleef als die verzen zoo koel.
Zy straalde wat hoop in de harten, En droogde in 't voorbygaan een traan, Maar 't mooist wordt ten-laatste vervelend... Ze had dit zoo vaak al gedaan.
Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde... Vervelend was al wat ze zag. "Och, riep zy, als dàt niet verandert, "Dan neem ik als maan m'n ontslag.
"Ik sta als een gek te schynen, "En schitter me kreupel en lam. "Geen mensch die me 'r ooit voor bedankte, "Of die er notitie van nam.
"Dat menschvolk is bitter ondankbaar! "Voor 't zonnetje maakt men zich mooi, "Háár opent men deuren en vensters... Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
"Men moest daar beneden bedenken "Dat 'k nooit van m'n overvloed scheen. Ikzelf sta in 't kryt by m'n zuster... "Die leent me... sints Genesis één.
"'t Is drukkend--vooral aan famielje-- "Zoo'n schuld van 'n eeuw of wat licht! "Ik schrik als de zon me komt manen, "En bleek wordt m'n mane-gezicht."
Zoo pruilde op een avend het maantje, En dit had de nachtwind verstaan. Hy vond dat ze recht had tot treuren, En was met haar droefheid begaan.
En suizend begon hy te jagen Langs wegen en vaarten en wei: "Hop ... hop ...al wat mee kan, aan 't dansen, "Wy geven de maan een party!
"Hop, hop... in de rondte... naar boven... "Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!" Daar dansten de bladen in de ronde, Of schuifelden voort in galop.
Daar knakten de takken der boomen, En zeiden de stammen vaarwel, En zwierden als dansende spoken, En speelden een wonderlyk spel.
Daar vlogen de pannen der daken, En namen hun deel aan het feest. De schoorsteenen bogen deemoedig, Als waren zy hoflui geweest.
De molens vergaten het malen, En noodden de boomen ten dans, En walsten met hunne beminden Op hun muren en wallen en schans.
"Hop, hop... in de rondte... vooruit maar... "Dien weg uit... omlaag by de poort... "Wat 'n vischlucht!... om 't even... vooruit maar! "Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!"
_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
Daar naderde joelend de bruiloft, En huppelde om 't slapende kind. Haar bleekgoed rees op van de zoden, En danste op muziek van den wind.
Daar neigden de hemden potsierlyk, En boden elkaêr hun manchet. Daar danste een pudiek chemisetje Met 'n onderbroek een menuet.
Daar lonkte de slaapmuts van passie, En maakte haar pluimpje zoo mooi. En drukte aan het fladderend jabootje Heel sentimenteelig de plooi.
De zakdoeken werden zoo dartel, En waagden zich boven hun stand, En reikten aan nuffige kraagjes Hun opengewerkten rand.
De slobkous, verliefd van complexie, Maakte aan een fichutje de cour, En sloot het verrukt in z'n knoopen, En zuchtte zoo innig: bonjour!
Daar walste een bretel met een vestje, Een kindersok met een servet, En 't windje gaf lustig de maat aan, En maakte geen eind aan de pret.
En warrelde vroolyk daartusschen, En joeg alles rond op de baan ... En suisde: "hop, hop ... à vos dames ... "Wy geven een bal aan de maan!"
_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
En dichter en dichter gedrongen, Sprong alles om 't slapende kind ... Daar fladderden wild haar de lokken Omhoog, op muziek van den wind ...
Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze! En ylings ... de stoet nam haar meê, En droeg haar ... o hemel ...
--Femke ... Femke!
--Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan ...
Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.
Het "huis" Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier woû doen, sprak de _a_ uit als een _e._ Dat gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.