De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 9
"Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?" vraag ik altyd myzelf als ik 'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige vraag: "_zouden_ ze elkaar wat te zeggen hebben?"
Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik 'n lid van myn geslacht, 'n wederdeel dus van myzelf, een _mensch_, moet verdacht houden van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der schoonste--neen, van de eenige--kracht der Natuur, van opstand tegen de aantrekkingswet. Liefde--ik heb 't al meer gezegd, en men heeft myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet--liefde is neiging tot éénzyn.
Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in _regel_, veelvoudig in _toepassing_. De liefde van 'n dief zal wel beduiden: kom, laat ons saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z'n geliefde in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: "elck ghedierte naer synen aerdt."
Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen, by sommigen tevens de begeerte wezen tot het _goede_?
By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan 't vogeltje dat zoo angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen, en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep _zy_ niet dat er verband was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en 't kloppen van z'n hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer, maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven 't buisje.
Hoe dit zy, hèm ware 't onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan 't schryven van 'n _Spectator_, voelde Wouter groote begeerte om te weten hoe de jongeheer die met Betsy in 't prieel zat, zich kweet van 't "verkeeren." Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z'n kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte in z'n liefdestudie.
--Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...
--Wel zeker, om de bovenhuizen...
--'t Is 'n gemaal! En wat zegt je moeder?
--Zóó ... zy vindt we moesten 't nog 'n jaartjen aanzien. 't Is zoo onfatsoenlyk gauw te trouwen. 't Is net, weetje, of...
--Vier jaar...
--Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...
Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen 'n bovenhuis huren, liefst in Mei.
--En kryg je nou die linnenkast?
--Neen ... die wil m'n moeder zelf houden. Maar als we nog 'n jaar wachten, zal ze ons 'n andere geven, zegt ze, 'n kleine.
--'k Had liever de groote.
--Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast noodig. Maar toen m'n zuster trouwde, heeft ze toch 'n groote kast "meegekregen."
--Zeg dan dat je 'r ook een moet hebben.
--'t Zal niet helpen.
--Probeer 't maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.
--'k Wil 't wel vragen, maar ...
Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in 't prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in 'n donker hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik riep hy:
--Zou _zy_ 't wezen ... m'n zusje?
't Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens'huis worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou _verteld_ worden door een van de _grooten_.
Welke "_groote_" verdwaald was op _Stad-rust_, om dáár Moore's _Peri en Paradys_ te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet paste by Betsy's "engagement" en die liefdesmorende linnenkast. Maar evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat "aan wie 't vatten wil" de gelegenheid geeft zich te verheffen boven 't alledaagsche. Eénmaal wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!
De "groote" volgde in z'n vertelling den engelschen dichter niet.
Hy volgde een van de vele wyzen waarop de _peri_-legende in alle talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan was. [14]
"_De_ Peri _die voor de poorten van 't paradys vruchteloos smeekte te worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo na veel vergeefsche pogingen eindlyk als 't schoonste wat de aarde opleverde, den laatsten zucht van 'n berouwhebbend zondaar, en vond genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der gave die zy offerde..._
--Nu pandverbeuren! riep Gus.
--Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.
Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest "gezoend" worden, dat spreekt vanzelf. "Een raadseltjen opgeven." 't Werd niet geraden... natuurlyk. Wie 't _wist_, mocht het niet zeggen! Dat is by raadsels zoo de gewone konditie.
--Wat zal de eigenaar van dit pand doen?
--Op één been staan!
--Over 'n strootje springen!
--Een vers opzeggen!
--_Neen_, 'n fabel... _la cigale_, of zoo-iets!
--Ja, ja, ja!
't Pand was van Wouter.
--Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.
--Ik zal je helpen, riep Emma... _le pere_, _du père_.
--Och, dat 's geen fabel... toe, Wouter!
't Was 'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen fabel kende en geen fransch verstond. Als 'n bekwaam mensch wist hoeveel genoegen hy velen doet met 'n blyk van wat _on_bekwaamheid, zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.
Maar Wouter dacht ditmaal niet aan 't pleizier van de anderen, dat-i ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.
--Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.
--'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar 'n fabel.
--Maar ik weet niet wat 'n fabel is.
--Wel, dat 's 'n vertelling met beesten.
--Ja... of met boomen: _le chêne, un jour, dit au roseau_, zieje, er hoeft juist geen beest in te komen.
--Ja, ja... 'n fabel is 'n vertelling, anders niet... er mag inkomen wat 'r wil.
--Maar 't moet rymen!
Wouter was op 't punt z'n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht zich, en gelukkig! Want dat ware 'n groot schandaal geweest in den huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.
--Wel neen, 't hoeft niet te rymen ook, riep 'n ander die al weer wyzer was dan de rest, "de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes hangen, prins Willem de eerste was 'n groot wysgeer." Zieje Wouter, 't gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.
Wouter begon:
"Er was eens 'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht..."
--Ho, ho, dat 's de geschiedenis van de _Peri_! Wat anders!
--Ik zal 't anders maken, beloofde Wouter verlegen.
"Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i meestal z'n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...
Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over 't onzalige "moedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te grieven door 'n schynbare toespeling op den pepermenthandel.
"... omdat-i eens gelachen had onder 't bidden. Want, dit is zeker, jongetjes die lachen onder 't bidden, komen niet in den hemel.
--Z... o... o... o? vroegen 'n paar schuldbewusten.
"Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen 'n zusje gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z'n zusje. "Wie is uw zusje?" vroeg men hem...
--Wie vroeg dat?
--Stil, val 'm niet in de rede, laat Wouter voortgaan.
"Ik weet niet wie dat vroeg. Maar 't jongetje zei dat z'n zusjen... 'n blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...
--Net als Emma.
--Ja, net als Emma.
"Men zei hem dat er in den hemel 'n klein meisje was, dat er juist zoo uitzag. Ze was daar 'n jaar geleden gekomen, en had verzocht haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar 't jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom."
--Had _zy_ altyd 'r "vragen" gekend?
--Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.
"Hy was heel verdrietig omdat-i z'n zusje niet zou weerzien, en vond nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. "Och, laat me toch binnen!" vroeg-i heel vriendelyk aan 'n heer die aan de deur stond...
--Aan de _poort_, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden door de dagelyksheid eener _deur_, maar niet getroffen waren door de verhevenheid van Wouter's begrippen over 't sterven.
Zoo gaat het meer.
"Goed, aan de _poort_, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei: neen. Daarop keerde 't jongetje terug naar de aarde."
--Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.
--Laat 'm toch voortgaan... 't is immers maar 'n vertelling.
"Hy keerde terug naar de aarde, en leerde fransch. Toen-i daarna weer voor de... poort stond, zeid-i _owi, m'sieu!_ Maar 't hielp niets, hy mocht toch niet binnengaan.
--Dat geloof ik graag... hy had moeten zeggen: _j'aime_, _tu aimes_.
--Dat weet ik niet, zei Wouter nuchter.
"Nogeens ging-i naar beneden, en leerde z'n "vragen" zóó dat-i ze kon opzeggen van-achter-af, van: _Heer, kom haastelyk_ tot: _met privilegie_. En dat deed-i aan de poort. Maar 't hielp weer niet... hy mocht nog niet binnen."
--Dat wil ik wel gelooven, riep 'n wyze. Om in den hemel te komen, moet men "aangenomen" zyn. Was-i aangenomen?
"Ach neen, zei Wouter, daarom juist was 't zoo moeilyk! Hy beproefde telkens wat anders, maar 't lukte niet. Hy zei dat-i met z'n zusje geëngageerd was...
--Net als Betsy, riep Emma.
"Ja, net als Betsy. Dat hy haar zoo lief-had, dat-i zoo graag met 'r trouwen wilde... maar 't hielp alles niet, hy mocht niet in den hemel. Op 't laatst durfde hy niet terugkomen uit vrees dat die heer aan de poort knorrig worden zou...
--Nu, en hoe is 't verder?
--Ik... weet... niet... verder, stamelde Wouter, ik weet niet wat het jongetje doen moest om in den hemel te komen.
Wouter wist wèl verder, al kon hy niet onder woorden brengen wat-i wist. Dit bleek 'n uur later.
By 't naar-huis gaan, toen het heele gezelschap verschrikt uiteenvloog om 't rytuig te ontwyken dat in dolle vaart de poort uitholde, gleed Emma onder de leuning van de brug door, en viel in de stadsgracht. Men loosde een gil... nòg een...
Wouter was 't kind nagesprongen.
Als-i op dàt oogenblik gestorven ware, zou zeker de "heer aan de poort" hem niet hebben afgewezen omdat-i geen fransch verstond of niet "aangenomen" was.
Maar toen-i nat en bemodderd werd thuisgebracht, zei juffrouw Laps dat men den Heere niet mocht verzoeken. En dàt was 't toch, als men te-water sprong zonder te kunnen zwemmen.
Ik vind dat die "Heer" 't best te-pas komen zou by iemand die niet zwemmen kan. Wie 't wèl kan, heeft meer kans zichzelf te helpen.
En juffrouw Pieterse klaagde "dat er met dien jongen altyd wàt was."
Nu, dàt vind ik ook.
Groote verandering in de familie. Wouter's benoeming tot lyfpoëet van jufvrouw Laps. De bergen in Azië, gebruikt als behoedmiddel tegen europesche verwaandheid.
Ik denk dat juffrouw Pieterse een erfenis had gekregen. Want de Pietersens verhuisden op eenmaal naar 'n "fatsoenlyker" buurt, en de jonge-jufvrouwen kenden geen enkele meer van de meisjes waarmeê ze waren "op naaien geweest." Zulke dingen hooren by erfenissen, of by verhuizen "met verbetering." En er waren nog andere blyken. Leentje werd plechtig uitgenoodigd haar verleden-deelwoord "gezeid" te veranderen in: "gezegd" want jufvrouw Pieterse had opgemerkt, de "de mevrouw van hier-naast" zoo conjugeerde. Dus zou 't wel goed wezen. En Stoffel zei, dat hy 't al lang geweten had:
--Maar moeder, dan moet uwe ook niet zeggen: remplizant. 't Is _pla_, moeder. Denkt uwe maar om _plaats_...
--Remplaats...
--Né moeder, _pla ... plas_...
Jufvrouw Pieterse zei dat het lastig was, zoo op alles te moeten letten. Ze zou het heele woord dan maar liever myden, dacht ze. Maar 't zou moeielyk wezen, want er was juist "zoo'n gedoe over de militie" en ze vertelde gaarne: "hoe ze heel goed in-staat was haar zoon te rempl...
--Né, moeder, _uwe_ remplaceert Laurens niet...
--Och wat 'n gemaal! Ik meen maar dat de mevrouw van hiernaast gezeid heeft...
--_Gezegd_, moeder.
--Ja, juist... hoorje, Leentje... je mot zeggen: _gezegd_. Onthou 't nou, en laat ik 't nou niet weêr hoeven te zeggen... en snuit je neus.
Wouter had 'n jasje gekregen, met 'n kraagje zoo-als nu palfreniers dragen. De _garricks_ hadden afgedaan, en _cloaks_ waren er nog niet. 't Gaat hiermee in de mode, als in de zoölogie. Meest-al vindt men van die overgangs-soorten, omdat Natuur en kleêrmakers geen groote sprongen doen. En 't spreekt vanzelf, dat nu 't buisje boven den broek was geraakt. "'t Stond àl te kinderachtig, hadden de jonge-jufvrouwen gezegd, voor 'n jongen die al rymen kon."
Want, dat Wouter _rymen_ kon, vertelde men aan ieder die 't hooren wou. Eigenlyk was 't nog-al valsch, roem te oogsten van 'n feit dat zoo kwalyk werd genomen aan de persoon-zelf die 't verrichtte. Dit bewyst alweer hoe ydelheid een groote rol speelt. Ook zorgde men wel dat Wouter niet te weten kwam hoe men zich op zyne talenten verhief. Men sprak daarover slechts als hy er niet by was.
Het huis Pieterse handelde hierin als veel _natiën_ gewoon zyn. Meermalen trachten ze tegen-over den vreemdeling zich te verheffen op deugd of genie--och, ook dàt is één--van mannen die men wreed en dom pennewipte toen ze "er by waren" dat is: zoolang die mannen leefden. Wouter zou inderdaad grootsch geworden zyn, wanneer hy alles had kunnen hooren wat men van hem zei, als-i niet tegenwoordig was. Jazelfs, ik ben niet vreemd van 't denkbeeld dat hy zou uitgeroepen zyn als wonderkind, wanneer-i voor die zotterny niet ware bewaard gebleven door z'n "kinderachtigheid." Stoffel namelyk trok den neus op voor 't jongetje dat nog altyd zakjes naaide voor z'n griften, met 'n yver en een inspanning als-of-i nooit verzen had gemaakt. En ook de jonge-jufvrouwen hadden Wouter onnoozel gevonden, by gelegenheid eener kraamhistorie in de buurt. Wouter had zonder fluisteren gevraagd: "wat het was?" Nu... "zoo'n groote jongen moest toch weten dat men fluistert by zulke gelegenheden."
Het beeld van lange Ceciel was uitgesleten in Wouter's hart, en ook de kleine Emma was vergeten. Zelfs Omikron moest van-tyd tot-tyd haar gelaat toonen in de sterren, om 't kind aan z'n liefde te herinneren. En zelfs, àls hy den avendhemel zag, als hy werd aangedaan door dat onuitsprekelyk verlangen _naar het goede_... dan nog bestond Wouters's aandoening niet zoozeer in het denken aan Omikron, dan wel in 't onbewust ondergaan van liefelyke herinneringen. Er bestond reeds in z'n twaalfjarig leven een mythische voorwereld, zoo moeielyk te scheiden van geschiedenis, en niet ongelyk aan de groote geologische of voorgeologische waarvan Fancy scheen gesproken te hebben. In den grooten droom dien 't kind droomde, was verwarring tusschen zyn en niet-zyn. Hyzelf wist niet meer met juistheid te bepalen welke beelden hem waren voorgeteekend door nuchtere werkelykheid, wèlke door zyne fantazie die trouwens evenzeer _werkelykheid_ was. De kleuren der teekening vloeiden in-een, en na lang staren, na vermoeiend zoeken, na vergeefsch pogen om helder te zien in z'n eigen hart, voelde hy iets als afmatting en moedeloosheid. Als-i ouder geweest was, zou hy waarschynlyk slechte verzen hebben gemaakt, met tranen er in, en onmachtig verdriet. Maar daar 't hem ontbrak aan de handigheid om weemoed te verkoopen by de maat en op maat, zweeg de arme jongen, en droeg-i heel alleen de ergernis over de wanorde van z'n gevoel.
Zelfs wist-i niet dat hy verzen maken kon. Hy geloofde heel goedig dat z'n rooverslied beneden kritiek was, en groette Klaasje van der Gracht, met 'n soort van eerbied.
Och, hy wist zoo weinig van Wouter! Zóó weinig dat niemand minder dan hyzelf in-staat zou geweest zyn de geschiedenis te schryven van z'n eigen hart.
Maar dat-i verzen maken kon, hoorde hy van jufvrouw Laps. 't Was hem een pure revelatie.
't Mensch "had aanstaande week 'n oom jarig." En ze legde een staatsie-bezoek af by de Pietersen's om te vragen of Wouter een "aardigheidje" wou maken voor die gelegenheid. Ze had er 'n ons ulevellen voor over.
--Maar, jufvrouw Pieterse, uwe moet hem zeggen dat het godsdienstig moet wezen, en dat m'n oom 'n _weduwman_ is. Ziet u ... dat moet u er in brengen. En ik wou 't graag hebben op de wys van psalm 103, dan kan 't gezongen worden, want m'n oom heeft die psalm op 'n liertje.
De begaafde lezer begrypt dat jufvrouw Laps niet sprak van Apollo's lier. Ze meende zoo'n draaiding dat 'n jingelend geluid geeft.
Jufvrouw Pieterse zou 't Wouter zeggen als-i van school kwam, maar overlegde met Stoffel hoe ze haar verzoek of bevel zou inrichten, dat Wouter daarin geen grond vond tot zelfverheffing. "Want, dat haatte ze als de dood ... in 'n kind."
Ik ook, als 't ongepast is, en dus onëerlyk. En dan vind ik 't zeer aftekeuren maar niet alleen in kinderen.
--Heb je je les gekend, Wouter?
--Neen, moeder. Ik moest dertien bergen in Azië opnoemen, en ik wist er maar negen.
--Dat gaat niet met je. Ik betaal schoolgeld voor niemendal. Denk je dat het geld me op den rug groeit? Wat moet er van je worden?
Ja, dat zeg ik ook. Wat moet er worden van iemand die niet weet hoe allerlei bergen heeten, welke hy nooit zal hoeven te beklimmen? [15]
Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar dochter. Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof. Beminnen, weten, stryden, de hoofdneigingen van individu en menschheid.
De opdracht om 'n vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw Pieterse en Stoffel hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem "voor iets aanzag." Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit _iets_ worden zou ... dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z'n moeder en broêr in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de namen van bergen. "Ja," zei Stoffel:
--Ja, ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest ... maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en staande regels...
--Hè? vroeg Wouter.
--Wel zeker ... weet je dat nog niet eens? Heeft meester Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet? Kyk ... zoo!
En Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't lukte niet.
--Trui, geef me je gezangboek. Kyk, Wouter: _hoog, omhoog, het hart naar boven_... dat 's liggend, zieje, En: _hier beneden is het niet_... dat staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...
--Ja, en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.
--Haar oom... verbeterde Stoffel. En alle regels moeten even lang wezen.
--En je krygt ulevellen... en als je 'r niet meê terecht kunt, zei de moeder, vraag het dan maar aan Stoffel.
--Wel zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt, 't is heel makkelyk...
Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook kon-i maar niet verder komen dan: _Een weduwnaar van God... O God, een weduwnaar..._
Zou dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op z'n grift, en 't grift tot gruis... maar ach, 't ging niet. Hy was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide: "dat er van dien jongen nooit iets komen zou."
Hy vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende en staande regels waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy "morgen eens weêr te probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan." Dit vond Leentje ook.
--My wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert voor jufvrouw Laps ... want ik heb gezeid dat je 't kon ... en de man is jarig woensdag over acht dagen ... dus veel tyd heb je niet.
Wouter ging naar de aschpoort, zocht het brugje, en begon daar bitter te schreien.
--Ga eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen tot een meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker iets verloren.
--Heb je wat verloren, jonge-heer?
Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem of-i dat gelaat herkende. 't Deed hem denken aan Fancy.
--O, nu is alles goed ... nu _gy_ daar zyt! Ik heb zoo naar u verlangd...
--Naar my, jonge-heer?
--Ja, ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde ... maar nu weet ik het. O, zeg het my toch spoedig ... wat staande regels zyn, en hoe ik m'n vers moet maken.
Het meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras, keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets aan haperde was zeker.
--Hy ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.
En daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze Wouter toereikte in een theekopje. Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot haar voelde aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan Fancy, dat al veel was.
Femke wees Wouter 'n omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de oorzaak was van zyn verdriet. Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder en dochter zich bezighielden met haar "bleek."
--Misschien kan _ik_ je wel helpen, jonge-heer ... zei de moeder, want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wewenaar is...
--Ja, jufvrouw ... maar de liggende regels. En er moet van God inkomen.
--Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was m'n mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof goed ... leg 'n steentjen op die asseldoekjes Femke, anders waaien ze weg ... ja, jonge-heer, 't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb 'r geen begrip van, zoo 'n ding als 't is ... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze goed aan, want--dat zal je ook wel weten, jonge-heer--als 'n mensch z'n godsdienst niet doet, is er niet veel aan, maar hy ... trek dat hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de sloot ... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid was ... maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd ... 't was pater Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem wel kennen ... hy loopt altyd met zoo'n stokkie, en raakt er nooit meê aan den grond...
De vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen zat op 't omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te begrypen hoe die vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.
--Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En toen m'n mans neef dat zag ... giet niet bezyen, Femke, dan spat er de modder zoo op ... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet sterft als 'n stom beest, toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i z'n paschen gehouden net als 'n ander ... en toen-i verleden jaar z'n been brak, want hy is schilder, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien stuiver van de armen gehad ... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n wéwenaar in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje, jongeheer, want ik heb 't noodig.