De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz

Chapter 7

Chapter 73,917 wordsPublic domain

't Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van 'n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z'n vreeselyk

"ROOVERSLIED.

Met myn zwaard. Op m'n paard. En myn helm op het hoofd. Er op in! En den vyand den schedel gekloofd, En vooruit!

--Christenzielen, riep 't heele gezelschap, is-i dol?

"En vooruit! Op den weg, Langs de heg, Met een houw en een stoot De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...

--Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.

Om den buit!

--Zieje, 't is om den buit, zei juffrouw Laps, _ik_ zeg maar altyd, men begint met 'n bybel, en...

"En die buit Is myn bruid...

--Hebje van z'n leven... z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

"En die buit Is myn bruid... My gekocht met m'n staal...

--Met z'n st...a...a...a...l!

"En die buit Is myn bruid, My gekocht met m'n staal, En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal, Naar de grot...

--Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

"Als de wind Zoo gezwind, Jaag ik voort met myn vracht, En ik sla op haar schreien en kermen...

--Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van!

"En ik sla op haar schreien en kermen geen acht, Wat genot!

--Dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van!

"En dan weer Op-en-neer, Rechts en links door het land...

--Lieve Jesis, daar gaat-i weer!

"En dan weer Op-en-neer, Rechts en links door het land, Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand, Tot vermaak!

--De hel zit in dien jongen... tot vermaak!

"En dan voort Weer gespoord Naar een nieuw aventuur...

--Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? 't Is om te bezwyken...

En dan voort Weer gespoord Naar een nieuw aventuur, En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur, Om de wraak...

--Goeie god, wat hebben ze 'm toch gedaan?

"Want de wraak Is de taak Van den koning van 't woud...

--Is-i razend... 'k zal 'm koningen!

"Want de wraak Is de taak Van den koning van 't woud... Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...

--Wat 's dàt voor 'n ding?

"Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt, En banier! Op, hoezee... Wie gaat mee?

't Gezelschap rilde op die uitnoodiging.

"Op, hoezee... Wie gaat mee? Nu geen schepsel verschoond, Nu de mannen gehangen...

--Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...

"Nu de mannen gehangen, de vrouwen...

--Lodderyn... lodderyn!

"de vrouwen gehoond...

--Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!

"de vrouwen gehoond, Voor pleizier!"

--Voor pleizier... herhaalde meester op 'n graftoon, voor pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!

't Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel's pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z'n wezen, en toen z'n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet ontevreden neer in 'n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.

Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe.

Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht, zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan 't bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan 't bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.

Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.

Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig: "ga zoo voort, myn zoon!" Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. 't Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou 't voor 'n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft voort in z'n volgelingen, en dit vind ik 'n schoone onsterfelykheid.

Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar ben ik zeker van.

Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was, en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. "In dit geval: de laatste" zeid-i er binnen-'smonds by.

Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het er voor over, want ze was 'n "schikkelyk mensch." Alleen kon ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar vader "in de granen" en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy, was niet _in_ de granen geweest, maar er _onder_. Hy had ze namelyk gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. "'t Was niet om 't mensch te skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat men er van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen van 'r deugd." Juffrouw Zipperman wou echter "de zegs_man_ niet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!"

Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor 't venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichten in 'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden "terechtgebracht."

De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou "want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wààr schandaal." En: "er had juist wat onder gestaan!"

Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n "mensch". Van-tyd tot-tyd "deed" ze haar godsdienst op de kinderen die, als ze 't voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.

Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik nooit m'n onderwerp uitput.

Stoffel was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht dat gemaakt scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had van z'n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en schenen maar niet te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter's wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op 't leven van dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in 'n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden ondermeester met 'n verlengd buis.

En Wouter?

Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z'n moeder had hem te kennen gegeven dat de "terechtstelling" van den vorigen avend maar 'n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst, heeft de dominee--huis- of niet--'n stem. Hy wordt er voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.

Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. "God weet wat je weer uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies" zei de moeder, die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters, maar eigenlyk alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.

Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd tot zedelyke verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan z'n molens.

En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen "hem niet konden zien." Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en Wouter's verdorvenheid uit.

Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).

Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by zulke beschryving. [10]

Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje.

Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van 'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z'n geheel bestaan.

De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met _twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, "oogjes toe" voor en na 'n boteram, slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!

Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen opwekt tot de klacht: arme _wouters!_

En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor 'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest.

Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind, en bovendien 'n _goed kind_. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan, zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam uit de zucht om op-eenmaal 't _hoogste_ te grypen, het _verste_ te bereiken, de _eerste_ te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke fantazie hem had ingeleid.

Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles, 'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier!

Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om 't rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was.

Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n _Karel Grandisson_--vervelender gedachtenisse!--had te lezen gekregen, zou z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven, met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of genen graaf.

Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te wachten zyn, wanneer niet het toeval--d. i. deze of gene natuurlyke oorzaak die we niet kennen, en die we _toeval_ noemen uit schaamte over dat gebrek aan kennis--wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden begrepen... en dus mishandeld. [11]

Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd rusten. Hy scheen verdiept in 't _over'shandsche_ naadje dat Leentje bezighield, maar we zullen terstond zien dat z'n gedachten elders waren, en wel zeer ver van _Burgerstand III_, 7, _b_1(Pp).

Men had haar verboden te spreken met "dien kwajongen" en slechts van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon 't haar in 't oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die zaak aftedoen.

--Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?

--Och... ik meende... sjt!

--En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?

--'t Was 'n markgraaf... sjt!

--Wat is dat voor 'n graaf? Zeker weer uit 'n ander huis?

--Ja... 't was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!

--Amalia? Wie is Amalia?

--Dat was m'n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!

--Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?

--Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef daarheen... toen kwam er 'n eend... maar, Leentje, dat is de zaak niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!

--Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?

--Amalia. Ze zat in 't kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!

--Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom toch wou je die vrouwen...

Arme Leentje... _zy_ was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor over gehad!

--Die vrouwen stonden in 't boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!

--En dat klooster?

--Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal 't je zeggen, Leentje ... sjt!

--M'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!

Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik naar de balken, legde de rechterhand op 't hart, stak de linker uit als om 'n spaanschen mantel te drapeeren...

Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en zeide:

--Leentjen, ik ben 'n prins!

Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met 'n paar oorvegen uit Leentje's tegenwoordigheid.

Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.

Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.

Lang voor het begin dezer geschiedenis--ja, zéér lang geleden was er 'n koningin der geesten, juist als in _Hans Heiling_. Ze heette A-OO.

Ze bewoonde geen hol, zooals in _Hans_, maar hield haar hof ver boven de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor 'n koningin.

Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met 'n waaierslag verjaagde zy de firmamenten.

Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die zoo moeilyk waren weer te vinden na 't wegrollen tusschen 't huisraad.

Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover, en verlangde gedurig ander speelgoed.

De koningin liet hem 'n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds waren ook deze weer verloren. Doch 't was Upsilon's eigen schuld. Hy had maar beter moeten achtgeven op z'n speelgoed.

Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf, gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was 'n fout in 't karakter van den kleinen prins.

De moeder, die als koningin der geesten 'n zeer verstandige vrouw was, begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich 'n beetje te gewennen aan ontbering.

Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed laten zou.

Dit geschiedde.

Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan 't kaatsen was met prinses Omikron, z'n zusje.

Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z'n uitdrukkingen zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.

Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld--want niets is verderfelyker dan slechte voorbeelden--wierp met driftig gebaar haar palet tegen 't heelal. En dat staat niet voor 'n meisje.

Nu bestond er in 't ryk der geesten 'n wet dat wie 't ontzag voor de koningin uit het oog verloor, of iets tegen 't heelal aangooide, daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.

Prins Upsilon werd 'n zandkorl.

Na zich 'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.

In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat 'n goed mosplantje behoort te doen.

Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.

Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen te bereiden met vuur.

Hy bouwde 'n paar werelddeelen, en werd 'n eeuw of duizend daarna tot belooning van z'n yver veranderd in 'n garnaal.

Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z'n gedrag, en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.

Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op 't land.

Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand, en hield zich bezig met geologische opmerkingen.

Een paar millioen eeuwen later...

Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in 't oog dat al die tyd te-zamen genomen in het ryk der geesten maar 'n klein kwartiertje was... of juister: dat die tyd volstrekt _niets_ was. Want _tyd_ is uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan kinderen. Voor geesten is _toen_, _nu_ en _dan_ volkomen hetzelfde. Zy grypen _gisteren_, _heden_ en _morgen_ te-zamen met één blik, even als men zonder spellen 'n woord leest. Wat _was_ en _wezen zal_, is.

Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen hebben 't vergeten.

Fancy begreep dat Wouter niet _lezen_ kon, en daarom _spelde_ ze hem Upsilon's geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.

Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en 'n geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren--menschelyke jaren ditmaal--vóór den aanvang van m'n verhaal, werd-i overgeplaatst in de klasse der menschen.

Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.

Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen weinig tyds hersteld te worden in z'n rang als prins van den geeste, moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou 't wel gaan.

Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw Pieterse. "Dit wàs nu eenmaal zoo!" zei Fancy.

Die Fancy scheen 'n soort hofdame van Wouter's moeder te wezen, die hem 'n bezoek bracht in z'n ballingschap om hem wat optebeuren en moed in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel, niet zou opvatten alsof men boos op hem was.

Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...

--Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m'n zusje?

--Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is 'n lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal; en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén dat het 'n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te gebruiken. Weldra werd ze 'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie niet geschikt voor 'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in 'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.

Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...

--Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár ... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar schoot houdt en liefkoost...

Wouter zag het duidelyk, en riep:

--Omikron ... Omikron!

--Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. 't Is reeds 'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden, zyn ze heel ver van elkaar gezet.

Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag 'n kus gegeven aan al die sterren met 'n pop op den schoot, die z'n zusje waren...

--Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!

Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen eener hoogstmoeilyke zaak.

Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z'n bede:

--Ach, laat me samenwezen met m'n zusjen ... al moest ik weer gras eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met yver als ik mag samenzyn met Omikron!

't Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te kunnen geven:

--Ik zal 't vragen, fluisterde zy, en nu...

Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was 't brugje ... dáár de sloot...

Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...

Hy zag z'n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!

Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?

Die molens heetten _d'Morgenstond_ en _den Arend,_ en zy riepen zooals houtzaagmolens gewoon zyn:

Karre karre, kra kra...

Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem daar wachtte.

Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon, prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!

Daar de lezer veel ondervinding heeft--ik zoek sedert jaren te-vergeefs naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar--zal-i weten dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in de verte.

Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.

De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot 'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar voor de eksteroogen van III, 7, _b_1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.

Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party te wezen: "om de stichting" zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was, en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.