De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz

Chapter 3

Chapter 33,784 wordsPublic domain

Toen Wouter z'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z'n blik aangetrokken door amandeltaartjes by 'n banketbakker op den hoek. Hy handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig zoo'n held optevolgen, en binnen weinig tyds was 't overschot van 't Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer veranderde.

Wat het aandeel der "gezangen" betreft in het saldo dat Wouter restte na z'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste stof tot 'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde, en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor de schoolrust.

Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.

Pennewip was 'n man van den ouden stempel. [8] Zoo althans zoud-i ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryze schooljas, dyvest, korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.

Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men 'tzelfde van ons zal zeggen. Hoe dit zy, de man heette _meester_, z'n school was 'n _school_ en geen _instituut_, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het 'n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen dan ze werkelyk heeten. Op z'n school, waar volgens de naïve gewoonte van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men--of kón men leeren--lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.

Hy maakte de jongens "klaar" tot het "aannemen" toe, en met behulp van z'n vrouw voerde hy de meisjes op tot 'n merklap met 'n rood vader-ons op zwarten grond, of 'n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden van onzen tegenwoordigen burgerstand.

Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het is 'n kind nutter te weten hoe 't koren groeit, dan het te kunnen toespreken in vreemde taal. Maar 't zou kunnen samengaan.

Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van 'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot familiën, _genera_, klassen, _species_ en onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot 'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.

Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m'n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken--dat _après-tout_ niet verboden is--wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.

Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield--waarby de goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf--volgde 'n stelsel dat er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen--mits tweepaardig--advokaten en ongedokterde dominees, kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren--maar ze moesten 'n _stelsel_ hebben--dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.

BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.

_Burgermenschen "op kamers" wonende._

_a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren den_ Kerstnacht. _De meisjes heeten_ Lena, Maria, _soms--maar zelden_--Louise. _Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n "mensch voor 't grove werk." De was nat thuis. Lezen preeken van_ v.d. Palm. _Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen._

_b1_) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die "tweemaal schellen." (Zie b2) Leentje, Mietje, Jansje. Louise _komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, "halve naaister" en 'n "mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven._

_b2_) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met 'n "mensch." Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.

_c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten_ Louw, Piet _of_ Gerrit, _en gaan "op" horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan "heel fatsoenlyke menschen." Lezen den Haarlemmer samen met III 7, b2_ (Pp.) _Geen meid of "mensch" maar 'n naaister van zeven stuivers en 'n boteram..._

Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.

De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving, en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor 't eerst zagen in de hartenstraat.

Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet, eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n luchtreis.

't Was woensdag. Er zou 'n "avendje" wezen by de Pietersens. Juffrouw Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man "aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had "maar altyd heel in 't fatsoenlyke." Dan de weduwe Zipperman, "die 'n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster, of zoo-iets." Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet anders, want het was "zoo opvallend als men allerhande en janhagel liet halen zonder haar meetevragen." Dan de juffrouw van onder-achter die wel niet komen zou, dacht men "maar men wou graag de minste wezen na dat gekibbel over 't gebroken glas." En kwam ze nù niet, dan was 't ook _uit_, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet gekomen is, en dat het dus met die juffrouw _uit_ was.

De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n kop koude saliemelk aan 't ontbyt "als men ze den heelen avend niet hoorde." 't Is ook lastig de kinderen te "hooren" als men 'n avendje heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was, en gewoonlyk 's avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf--ze hadden de belydenis en den merklap achter den rug--en Stoffel zat voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder sterk was.

Leentje zou blyven tot de "menschen" er waren, wyl 't anders voor de jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder dat onafscheidelyk is van 'n avendje. "Maar ze moest wat vlugger wezen, of anders deed men 't waarlyk liever zelf."

Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de bestellen, "maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst zoo droog waren."

't Zou allerprettigst wezen "als nu juffrouw Laps maar niet altyd het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook was het te hopen dat de weduwe Zipperman "wat minder opsneed van haar schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst." En de juffrouw boven den melkkelder "mocht ook wel wat bescheidener wezen, want ze had niet altyd in 'n _toehuis_ gewoond, en 'n _winkel_ was geen schande, en _op-kamers-wonen_ ook niet... heere, neen!" Ook kon niemand weten waar-i toe komen zou.

Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den burgerstand, "en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort."--En "dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje, ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen, dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit je neus."

Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was zoo onbeleefd, vond ze.

Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z'n brug, die ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot, en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy gedachteloos of vol gedachten--wat byna 't zelfde is--daarin wierp, werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd moesten worden door de beide molens: "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.

Na _Glorioso_ namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hy ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.

Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts, zooals in 't boek stond.

Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, en z'n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italie ging, om daar 'n behoorlyke roovery optezetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.

't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers...

Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de roovery.

Hyzelf was, als alle schryvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.

Zoo droomde hy, en wierp z'n strootjes in 't water. Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf: hy naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hy duidelyk Amalia's verwytend geklaag:

Warre, warre, warre, wou. Waar is warre, warre, wou... Wouter die me redden zou?

Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden 'n steen te werpen naar den eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's twyfel aan z'n riddereer.

De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper voort.

Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in z'n eigen gemoed.

--Wie 't snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens.. nu! Och, weer verkeerd!

Wie nu 't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af. _Morgenstond_, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog op houden... wat 'n gedraai!

Zoo, ben je moê? 'k Wil 't wel gelooven!

Als ik eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de molenaar gek kyken!

Waarom heetje _Morgenstond_? Hebje wat in den mond? En... _Arend_... kunje vliegen? Wilje my meenemen? _Ik_ zou wel willen... wat 'n ruimte daarboven... en geen school!

Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n school of 'n meester?

Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school moet toch 'n meester gehad hebben...

Of zou de eerste meester vanzelf...

Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, _Arend_... toe! Kryg de _Morgenstond_... gauw, gauw... pak 'm beet... mooi!

Nu weer samen... _karre, karre, kra, kra_... steek-uit je armen... neem me mee... wilje niet? Goed _Arend_! Zet je hoed op... wat fladderen die linten... hoe heetje? _Warre, warre, warre, wou_... ik kon 't niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? _Fanne, Fanne, fan, fan_... heetje _Fan_? En jy, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine, sine, sine, si_... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelyk, komaan... samen... zingt 'n liedje samen:

Fanne, fanne, fan, fan... Sine, sine, si, si... Fanne, sine, fanne, sine, Fanne sine... Fan... cy...

_Fancy_... wat meenje daarmee? Heetje _Fancy_! En... wat is dàt... hebje vleugels?

Ja, "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden vleugels en heetten _Fancy_.

Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.

Toen ze hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet te _collet monté_ is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg.

In 't voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by meester Pennewip.

_Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop._

De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.

Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra blyken.

Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip de dichterlyke voortbrenselen van 't genie zyner leerlingen keuren zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.

Pruik: recht en in rust.

"TRYNTJE FOP, _op haar muts_.

Ik heet Tryntje Fop. En heb een muts op myn kop."

--Niet kwaad... maar... laat zien--ja, zóó is 't beter--die beide laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver overtolligheid.

Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje Fop heel eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.

Pruik: iets of wat links.

"LUKAS DE BRYER, _op het Vaderland_.

Vaderland, koek en amandelen. Ik ga in de maneschyn wandelen. Koek, vaderland en brandewyn, Ik ga wandelen in de maneschyn. Vyf vingers heb ik aan myn hand Ter eer van 't lieve vaderland."

--Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet brandewyn, en 't vaderland daartusschen.

Pruik: rechts.

"LYSJE WEBBELAAR, _op het beroep van haar vader_.

De kat viel van de trappe, Myn vader verkoopt aardappe- Len en uyen."

--Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur ik af.

Pruik: links.

"JANNETJE RAST, _op een windwyzer_.

Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet. En wyst aan den wind hoe hy waaien moet."

--Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als dichterlyke vryheid kan het er door.

Pruik: vooruit.

"GRIETJE WANZER, _op een rups_.

Het rupsje zonder schromen, Springt rond op alle boomen."

--Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van die onbeschroomd rondspringende rups.

Pruik: in rust.

"LEENDERT SNELLEMAN, _op de lente_.

In de lente is het heel aardig. In Mei is myn broertje jarig. Maar nu heeft hy wintervoeten. Zoodat wy de lente pryzen moeten. Dan gaan wy samen kuieren. En op paasch, vacantie met eieren."

--'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is zeer eigenaardig.

Pruik: in den nek.

SLACHTERSKEESJE, _lofdicht op den meester_.

Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven, Maar meester Pennewip is nog in leven. Soms waren zy mager en somtyds vet. En hy heeft zyn pruik op zy gezet."

De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.

--Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?

De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.

--Wat heb ik met die ossen te maken?

De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen alle verwantschap met die ossen.

--Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers _humor_ noemen?

De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.

Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...

De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid uittedrukken over meester's voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg onder-handen te nemen.

"LUKAS DE WILDE, _op de godsdienst_.

De godsdienst is een goede zaak. En geeft het menschdom veel vermaak."

--Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve had iets meer uitgewerkt behooren te worden.

De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.

TRUITJE GIER, _op juffrouw Pennewip_.

Het pad der deugd wyst zy ons aan. Wie zou niet gaarne medegaan? En in verloren oogenblikken Leert zy ons naaien, stoppen en stikken."

De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.

By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.

"KLAASJE VAN DER GRACHT, _op God_.

Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal! Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven, Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal? Tot weêrklank van Genaè, met Eng'len op de transen, Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot... Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen, Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God. Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen. Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht, Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.