De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 27
De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen 't geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer. Van pedanterie vond men by hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht de schaapjes van z'n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur, niet uit pronkerigen weldadigheidszin--hyzelf was doodarm--maar omdat-i in de lagere standen zich meer op z'n gemak voelde. Ook hield hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak nu-en-dan 'n preek jen over de zonden van den dag--de lezer heeft er een te-goed!--katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z'n ... ambt uit, als 'n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon te leggen in de mededeelingen: dat hy "by de kerk" was gegaan, en: dat z'n broers in Noordbrabant de zaak van z'n vader voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.
--En wat wil _jy_ worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want ... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in boekbinden? Dat 's 'n goed vak.
--Ik ben ... in den handel geweest, m'nheer, en ... ik ga er weer in.
--Wel, jongen, dat 's goed! Dan kan je-n-'n ryk man worden. Vooral hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is 'n handelsstad.
Wouter sprak 't niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er bytevoegen: "'t Is de grootste koopstad van Europa, m'nheer!" Maar ... hy was verbluft door 't ... onhemelsche van pater Jansen's taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... 't bevreemdde hem.
't Zou nog erger worden!
--'n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet 'r bleekjes uit. M'n broer by Vucht knypt 'n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel eens een noordbrabantsche mik gegeten? 't Is 't beste brood! Maar ham is ook niet kwaad. 'n Mensch die niet goed eet, wordt ... kreuzelig. Ik eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus kom, maar ik ben lang zoo sterk niet als m'n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis 'ns zien! Dat's me-n-'n pret!
Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t'huisgekregen! En uit den hemel kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval--'n ongemaaktheid te-meer!--die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de rookwolken van z'n pyp in.
O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken gewoonheid. Ook _zyn_ Fancy was goedig, en _bourgeois_, en onopgesmukt... als 't haar zoo 'ns in den zin kwam! Ook _zy_ zou den neus niet hebben opgetrokken voor "mik" en kermispret!
Maar... Wouter meende juist dat dit 'n fout van haar was! Hy beschuldigde z'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van verregaande onaanzienlykheid.
En zie, daar zat 'n man met 'n vreemde jas aan--en dus tot verkondiger geykt!--zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade, geen geloovery--en geen hel vooral!--in de wereld was! Die man kende God--hy werd er voor betaald!--en was kinderlyk verheugd over de kracht van z'n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!
Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom, en dacht, en dacht, en ... zei:
--M'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist verstaan had. Eindelyk:
--Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...
--Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je wèl, jongen, of heb ik 't mis?
--Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...
--Nu ja, aangenomen, maar ...
--Op de Noordermarkt, juffrouw!
--Juist, maar zie je, in _die_ kerk ...
De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen dat die aannemery niet de rechte was.
--Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?
--Gevormd?
--Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...
Wat Wouter 'n zonderling gezicht zette! _Hy_ niet gevormd!
... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje ... dan....
In-godsnaam! Wouter moest tot z'n schaamte erkennen dat-i 'n ongevormd wezen was, 'n _moles_, 'n "massa" misschien, een van de ergste dingen die hem konden overkomen.
--Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
--Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem 'ns hooren opzeggen. Dàt 's 'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m'n eigen kind, maar ... dàt 's me-n-meid!
--Ja, Femke is 'n heel braaf meisje, zei de pater, en ...
Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
... ik heb nooit moeite met haar.
Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan ook pater Jansen. Z'n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van 't meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als 'n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i "zoo goed schuurt."
En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z'n onderbroeken zoo netjes versteld!
O Fancy!
Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter's schoonheidsgevoel niet, of althans z'n schoonheidsgevoel niet het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy versmaadde 't rangverschil tusschen pater's onderbroeken en den melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door 't burgerlyke, noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien, paters en Mensheid!
Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in 'n deel van Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ... _vooral_ 't menschelyke niet!
Wouter was _zestien_ jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en ... iets anders nog: 'n mannetje!
Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z'n onderbroek!
--Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als 'n weerliggie! Is er niet wat van je stuk, pater? Stuur 't maar gerust hier!
Wouter gloeide. Waren 't dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen, of ... vesten, of ... ziedaar--als 't dan volstrekt iets wezen moest van verdrietigen aard--al was 't dan maar 'n bovenbroek!
... stuur 't maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...
Wáár zou ze wezen?
... _ik_ zal je boeltje wel heel maken! Dat kan _ik_ ook nog wel!
Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het, en laat Femke waar ze-n-is!
Maar... wáár zou ze zyn?
Zoo _dacht_ Wouter. Ziehier wat-i _zei_, de leugenaar, de gauwdief, de huichelende booswicht ... het menschje:
--Hé, 't is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?
--Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft, want ... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen van onze nicht.
Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De deugniet zette 'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z'n stoel--Wouter wist nog niet hoe men 'n bezoek afbreekt: velen leeren het nooit!--verliet hy met pater Jansen 't huisje.
Het verregaand liberalismus van juffrouw _Pieterse_ is oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom pater _Jansen_ zoo doof was aan z'n linkeroor.
--Wil je me-n-'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m'n rechterzy, want ik ben doof hier.
En hy wees op z'n linkeroor.
--Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik 'n kleine jongen was... kan je goed klimmen?
--N...é, m'nheer!
--Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens 'n bloempotjen uit 'n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was niet gemakkelyk, in 't geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik 't potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was 't potje van 'n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de twintig _confiteors_ zat ik vast, hoorje, vast als 'n bliek aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... 't is 'n gemeene visch. Nu, er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...
Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor.
Op 't simmenarie was 'n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want ... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z'n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was 'n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem 'ns hooren als-i 'n brok uit de _Vulgata_ opzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in 'n tekst.
Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon ... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in gedrag ...
Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo'n goeden voet met de professers. Ik mag je z'n naam wel noemen, omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette Kruger. O, 'n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.
Ja, Kruger was 'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.
Eens nu, toen de tyd van 't examen naderde, was Kruger's vader ziek geworden--en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, want hy was Vink 'n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon meedingen in 't _Specimen_, klasse: _rhetoriek-eerste_, en: _theologie-derde_. Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de kleine les best missen.
We hadden in _rhetoriek-eerste_ dat jaar: _de eloquentiâ_, en in _theologie-derde: de substantiâ archangelorum..._ heele moeielyke stukken, dit voel je wel!
Kruger zond z'n: _de eloquentiâ_ van-huis--en 't was heel goed ... mooi, hoor!--maar hy schreef aan onzen pater _theologie-derde_: dat-i 'n: _de substantiâ archangelorum_ reeds vroeger had behandeld ... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was> en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z'n pleizier doet ...
--Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met 'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik 'n last van dàt kind!
Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking met pater Jansen af.
De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby Wouter's woning, en z'n moeder die juist in onderhandeling was met 'n groentejood over 'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich 'n beroerte te krygen van ergernis.
--Met 'n pastoor! Stoffel, kom 'ns gauw beneden ... de jongen loopt met 'n pastoor!
Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen 'n lieve goede man die zoo'n bejegening niet verdiende. En dit was de zuivere waarheid.
De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove slechts bereikte aan den linkerkant?
Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z'n woning was, en dat-i geroepen werd door z'n moeder, antwoordde de man heel goedig:
--Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-'n volgenden keer vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?
Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z'n tranen af.
Het kwam hem voor dat z'n moeder 'n zware zonde begaan had, en dat 'n vyftigtal _confiteors_ ...
Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op 't "simmenarie" 't krabbedieven van 'n bloempot gestraft wordt?
--Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw Dungelaar ... 't was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, zieje, maar alleen omdat ik zoo'n lust in klimmen had. Anders ... men moet nooit iets wegnemen wat 'n ander behoort, al staat het nog zoo hoog. Dag, jongeheer!
En na 'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging de man zyns weegs.
Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...
--'t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.
--Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo'n manier komt er nooit iets van hem te-recht.
Onze wysgeer had wel 'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.
--Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, 't kind moet werk hebben. Als-i maar letterzetten wou! Of in 'n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet dat-i zelf 'n schoen maakt!
--Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loop _ik_ met 'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar m'n school ga.
--Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.
--Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, dat was ook 'n soort van pastoor. En wat deed-i?
--Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.
--Luthersch, moeder! Nu, dat 's byna 'tzelfde. We moeten niet zoo bekrompen wezen, moeder!
--Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.
Enz. Enz. Enz.
Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw Claus den rang aanmatigde van iemand die "in den handel" geweest was, en weer "in den handel" gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer "in."
Door bemiddeling van zekeren leerkooper die--kommercieel gesproken--zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by 'n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
De zaak erlangde haar beslag op 'n woensdag, en de nieuwe betrekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.
Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was--god-bewaarme!--tot 'n romanheld.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie de noot van 1872 bij Idee 512.
N.B. Alle noten zijn van de hand van ondergeteekende, behalve die noten, welke (M.) geteekend zijn: deze voegde Multatuli zelf aan zijn werk toe.
[2] Noot van I. 360-361.
[3] In I. 364 trekt M. een parallel tusschen de ontwikkeling van individu en menschheid: "Ieder knaap heeft z'n heldeneeuw en 't menschdom heeft 'n kieltje met 'n jukdraagje gedragen".
[4] De overgang van zoo'n "insteekpakjen" op 't "buisje boven den broek" was 'n enorme sprong, vooral omdat daarby 'n _vest_ te-pas kwam, waarvoor by zoo'n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in 't kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter's tyd speelde ze 'n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het "open buis" met daarby behoorend "vest" my onmenschelyk lang onthouden werd. (M.)
[5] In I. 366 schryft M. 't ontstaan van veel wetten en zeden toe aan gebrek aan ruimte.
[6] In de _Ideen_ 368, 370, 372-374 wordt gehandeld over het geweten en den bybel, over deugd en zindelykheid en over het verschil tusschen zeggen en doen.
[7] Op die markt namelyk werd gegeeseld, gebrandmerkt en gehangen, in die dagen. (M.)
[8] I. 378 bevat een beschouwing over groote mannen en schoolmeesters.
[9] In I. 387 en 390 werpt M. de vraag op in hoeverre schoonheid realistische uitbeelding toelaat: "s'il faut de la boue, pas trop n'en faut."
[10] Verder weidt M. uit over zyn plicht als schryver. Zelf betitelt hy I. 399-404 als "een malle uitval van den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van publiek te winnen, en dat monster over te halen tot hernieuwing van zyn abonnement." (n.l. op de _Ideen_).
[11] Aan het slot van I. 405 weidt M. uit over kindermishandeling door kortzichtigheid van opvoeders.
[12] I. 414-437 zyn in hoofdzaak gewyd aan de vraag: is godsdienst noodig voor de zedelykheid? In I. 438 vindt men de geestige gelykenis van Ornis over opvoeding.
[13] In I. 440 stelt M. de vraag, of die klacht werd verstaan, dat roepen gehoord, met verwyzing naar zyne _Geloofsbelydenis_, opgenomen in _Verspreide stukken_.
[14] In I. 443 wyst M. er op hoe alle volkeren de herinnering aan een gouden eeuw bewaard hebben, doch dat deze fancy-verschyning vervloog, toen priesters dit verlangen uit geldzucht gingen exploiteeren.
[15] In I. 511 betoogt M. het verderfelyke van schoolonderwys.
[16] In I. 513-517 wordt een uitvoerig betoog geleverd om de "duidelyke oprechtheid der legende tegenover de leugens der historie" te stellen. Hiertoe worden proclamaties en Staatsstukken uit den tyd van de Bataafsche Republiek en van Koning Lodewyk en een necrologie van Van der Palm als professioneele en professorale leugens op de kaak gesteld. Daartegenover stelt M. de psychische waarheid in de legenden van Amor en Psyche, van Genesis en Faust.
[17] In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en ook in de sentimenteele romans van Feith.
[18] In I. 1049c zet M. uiteen, dat de belangstelling van de meeste menschen gericht is op het abstracte en niet op het praktische en zakelyke. "Het schynt den mensch meer te hebben aangetrokken zich te verdiepen in de eigenschappen van z'n goden, dan onderzoek te doen naar den aard der dingen die hy onder de oogen had."
[19] In I. 1049d geeft M. eene aardige beschouwing van dit straatliedje.
[20] I. 1050a, 1051b: verhandeling over de stelling: "Het waardeeren van kunst door de regeering is _Volkszaak_."
[21] Hier volgt (in I. 1051c) eene uitweiding over het Hooglied als drama in het bizonder en het hysterisch element in den Godsdienst in 't algemeen.
[22] Verder weidt M. in I. 1052 uit over de genadeleer als premie op het zondigen, in verband met het bedenkelyke karakter van Laps.
[23] Idee _1052b_ en _1052c_: Humor en psychologische beoordeeling by den Duitschen romanschryver August Lafontaine.
[24] In I. 1053-1058c geeft M. een vernietigende kritiek op de _Floris de Vyfde_ van Bilderdyk.
[25] Het gemis aan besef van voortdurende verandering blykt o.a. uit naïve anachronismen in de werken van dichters en beeldende kunstenaars, zoowel middeleeuwsche als moderne (I. 1060a-1061); maar het blykt ook uit bekrompenheid van blik en conservatisme op politiek, zedelyk en godsdienstig gebied. (I. 1061-1061b.).
[26] Hier volgt (in I. 1062) een uitvoerige beschouwing over de rol van klanknabootsing in de woordvorming.
[27] De werktuigkundige verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig van de schepen verdrongen. Het was--of is--'n zware cylinder die met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling van 't vertikaal staand _gangspil_, in horizontale richting niet ver van den boeg dwars over 't schip geplaatst was. De zeer sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt, heeten _betings_. Het winden wordt aan-boord _hieuwen_ genoemd, waarschynlyk 'n klanknabootsing van den krachtregelenden maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of 't woord "braadspil" iets te maken heeft met het engelsche: _broad_, weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders dan _onzydig_ wordt gebruikt. Wie daar, op 't gezag onzer taalkundige woordenboeken, van _de_ braadspil sprak, zou worden aangezien voor 'n vreemdeling of _nederlandsche-taal_professor. (M.)
[28] In I. 1067-1074 beproeft M. eene zielkundige ontleding van Femke, met lange beschouwingen over onschuld, zinnelykheid en hysterie.
[29] I. 1075 bevat verder een beschouwing over beroepskeuze, ook in verband met de toekomst der maatschappy.
[30] Hier volgt een ontboezeming over de sentimenteele romans van August Lafontaine. (I. 1096).
[31] M. weidt vervolgens uit over de waarde(?) van klassieke Studiën. (I. 1104-1106).