De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 26
Wouter was te zacht om z'n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich alsof ze...
Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy 't gewaagd had zich in dit geval te beroepen op 't oordeel van z'n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z'n opmerking bedolven hebben onder 'n stortvloed van verwytingen over z'n "brutaligheid." En na 't vertrek van 't schepsel, had men hem gezegd:
--Je bent toch 'n dom kind! Begryp je dan niet dat ik 't mensch toch niet in 'r gezicht zeggen kan dat ik 'n hekel heb aan haar geoefen?
Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens optehalen van z'n vergryp, ontsnapte hem 'n eenvoudig woord waaruit z'n belaagster 'n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.
--De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven, en toen ...
Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu waar _Toulon_ lag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden ... als ze neembaar was!
--Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je 'm niet dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by 't weggaan. Ferseeren helpt niet. Men moet ieder z'n eigen sinnigheid laten. Ik geloof werachtig dat jelui 't kind te veel besikkeneert. Lieve god, wie zal nu zoo'n bereddering maken om 'n stuiver!
--Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. 't Zou waarachtig wel lyken of 't me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op aan! We kunnen altyd nog wel 'n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?
--Ja, moeder, maar 't wordt toch tyd dat Wouter...
--Komaan, wat 'n geseur om 'n pruimpie tabak! De Heer zal 't zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! "Zoo wat ge den minsten myner broederen gedaan hebt...
Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps 't verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.
Ja, ja, 't is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en ... sommige anderen!
De moeite die zich de Pietersens getroostten om 't raadseltjen optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over de oplossing, dan schynbaar van z'n lust in stiptheid en z'n begeerte om te _weten_, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met 'n bepaald vraagstuk bezig te houden. Z'n gemoed zag er uit als 't naaikistje van 'n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.
De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar 't grootste gedeelte paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in 't Mensch-worden was 'n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.
Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z'n gaven en streven--_Trieb!_--lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige verwarring even schadelyk.
De regeling der indrukken die Wouter's weinigje ondervinding had te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die indrukken niet waren vergezeld geweest van z'n voorbeschiktheid tot zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout aan: hy was 't omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.
Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouter _berustte_ niet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.
Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z'n onbegrepen leed te klagen aan Femke.
Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.
By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan- en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en wanneer ik daarvan den _juisten_ tekst geven kon, zou ik 'n heerlyk hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.
Toch wil ik het by benadering beproeven.
Nogeens op volkomen juistheid maakt m'n schildering geen aanspraak.
--Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M'n moeder houdt niet van je ... doe 't niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren waar ik begraven ben. Wil je dan 's avends op m'n graf komen? Eens maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die 't gek zullen vinden als je komt kyken naar 't graf van 'n kleine jongen.
Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien, en heb 'n deenschen matroos gezien, die 'n zwaren baard had, en kleiner was dan ik ... wezenlyk!
Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze 't behangsel veranderden. Die bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd is, en ze lykt ... nu eens op 'n gebroken toren, dan weer op twee vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar 't gáát niet! En dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog driftiger ... over m'n eigen domheid, begrypje?
Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!
Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor 't eerst!
Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den bybel staat! Waarom zou hy 't áánzien zoo moeielyk maken! 't Is onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem--om allerlei vragen te doen, weetje?--en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!
En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik in den hemel! 't Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk goed en wel hier ben--in den hemel, weetje, Femke--nu kryg ik niets te weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m'n wil, en in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m'n oogen moeten sluiten voor 'n licht dat alles even donker maakt als in m'n bedstee...
Ik doe het niet, Femke. Ik doe het _niet_! Ik sla m'n oogen _niet_ neer!
En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven mocht in den hemel, ik doe het _niet_!
Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist om alles te _weten_.
En als dàt niet kan...
Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!
Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst nogeens in den handel.
Ik heb je nooit zien voorbykomen op den _Zeedyk_, en ik was er bly om. Als ik je gezien had...
Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m'n kerfbuis had aangehad...
Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk zyn. Voor my was 't niets, weetje--gut, ik kan zelf al vloeken, en gemeene woorden weet ik ook!--neen, voor _my_ was 't niets! Ik heb eens "godverdomme" gezegd tegen 'n Rus die me slaan wou. 't Is heusch waar dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland durven gaan, vooral by 't paardenvolk, omdat men dan gauwer by de Turken is. Op den _Zeedyk_ heb ik met één hand den winkeltrap over de toonbank gezet, en m'nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was dan-i gedacht had.
En vind jy 't ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden soldaat...
Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! 't Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...
De "massa" is niet dom, Femke, maar ze is...
Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn ze dom? Ook niet! 't Zyn maar gegooide steenen. Begryp je 't onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of niet-verstandig... niemendal?
O, en hoe 't afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z'n been had gebroken, even voor 't uitzeilen. 't Had God maar één woord hoeven te kosten! Neen ... niet eens 'n woord. Hy heeft maar te willen! Och, men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.
En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeien wat verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets te zeggen wat niet precies waar is.
Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag 't eens aan pater Jansen. Maar myn ... dominee--onze paters heeten dominee, weetje!--myn dominee gaf me nooit 'n antwoord dat ik begrypen kon.
Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z'n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou hem wèl begrypen! En jy zeker ook?
Vind jy 't mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...
Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar _zy_ begrip, en er _is_ begrip!
Want ... begrip en licht is 'tzelfde, weetje!
En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te laten had! Zou je dat niet mooi vinden?
't Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...
Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch, als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig oorlogen noemen--met de jaartallen er by, Femke!--van christenen tegen christenen. Hoe vind je dàt?
En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.
Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten, die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus' wil. Ik zal 't hem vragen.
Als ik er ben--in den hemel, meen ik--en ze bidden dan weer zoo tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd eerst op met vechten! Dan zal _ik_ zien wie gelyk heeft, en ieder 't zyne geven naar behooren.
Want dat eeuwige vechten is te ruw. 't Is Turkenwerk. Menschen van goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.
Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen ... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.
Hy wéét niet hoe raar 't hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik zal 't hem zeggen.
En ook ... dat er 'n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker, weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft niemendal! Zou jy 'r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!
Maar wèl zou 't goed zyn als je wat beter zeep had--ze ruikt zoo!--en als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...
Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden, als we maar weten _hoe_? Dit moeten we trachten te leeren, en als we ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom Sybrand heeft gezegd dat er 'n tyd komen zal dat men 'n zwavelstok kan aansteken aan den muur!
Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe leven wy. Zóó is 't eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen, Femke, waarom ik dat geloof. Er was 'n tyd dat men geen boek kon drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook--verbeeldje, hoe lastig in de kerk!--zoodat het heel wat in-had, 'n boek te krygen. De menschen hadden kramp in de vingers van al 't geschryf. En nu? Gut, by m'n gewezen patroon--hy is weggeloopen naar Amerika--stond 'n heele winkel vol boeken, en de menschen betaalden 'n gulden per deel ... als pand, weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken--'t gebeurde te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen, want er zyn verssies op gemaakt--nu, toen was 'n boek zoo duur, zóó duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor 'n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by, en ook 't weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles koop je nu voor één dubbeltje! Is 't waar of niet!
Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie 't voorspeld had, zou niet geloofd geworden zyn. Toch is 't gebeurd!
Zóó zal 't ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke, als ik 'n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods wil niet zyn!
Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als we dien kenden, zou er in 't vinden geen kunst liggen. En hy helpt ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z'n Almacht?
O, Femke, als _ik_ almachtig was, ik zou je...
Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.
Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:
_Waarom valt 'n appel?_
_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_
_Waarom ben ik zoo verdrietig?_
_Waarom gaapt men elkaar na?_
_Hoe weet iemand of de pyn die hy in 't hoofd voelt, hoofdpyn is?_
_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_
_Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_
_Hoe verstond-i Gods taal?_
_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_
_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_
_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?_
Alles? Hm?
De lezer ziet dat Wouter's bescheidenheid zich niet uitstrekte tot de _res divinae_, en dat wèl beschouwd de "Heer" meer reden dan juffrouw Pieterse zou gehad hebben, hem z'n "brutaligheid" te verwyten.
Toch klaagde _zy_ altyd, en de "Heer" zweeg. Hy was goedertierener dan zy.
Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de "paden" in den omtrek van Femke's huisje tot getuigen, dat ik z'n mymeringen hoogst-onvolkomen heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou 't er nog slechter afgebracht hebben dan ik.
De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed was van tegenstrydige aandoeningen die zich z'n ziel schenen te betwisten. Wel brak hier-en-daar 't gezond verstand door, maar onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. 't _Gevoel_ was er. De _Verbeelding_ was er. De _Moed_ was er ...
Nu ja, en toch ... toch ...
Ik beroep me weer op 't overhoop-gehaalde "moeder's naaikistje." Wouter grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in z'n gemoed had neergelegd.
Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien te beschouwen hebben als _corollair_.
Het _sentimenteele_ is voorzeker 'n uitvloeisel--'n leelyk uitwas vaak!--van _sentiment_. En 't sentimenteele wàs er!
_Moed?_ Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoed dus... 'n leelyk ding! Maar toch... 't is niet ieder gegeven, God te roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan 'n zondebok van de "massa."
En de _Verbeelding_?
"Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!" hoor ik den lezer roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter's idealen niet precies gekopieerd waren uit z'n romans. Iets dat anders wel eens 't geval is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.
En ook 't hysterisch element--wie 't weglaat by menschschilderen of geschiedschryven, is 'n knoeier of 'n huichelaar, d. i. beide tegelyk--ontbrak niet!
Er staan of liggen my 'n paar beelden voor den geest, die de stemming van Wouter's gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken onklassisch. In-godsnaam--d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor 't litterarisch gehalte--Wouter's ziel geleek op 'n schotel melkpap waaruit de bliksem schoot, op 'n donderend bloembed.
Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen wezen als 't weer mislukte. Maar na 'n paar alineaas gepeins vergat hy... Femke niet, maar z'n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z'n mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande, onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar teruggeroepen in... 'n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde, haar had toegevoegd:
--Ach, had je me niet nog 'n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!
'n Zonderling vryertje!
Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weersgesteldheid... zeker, maar: _waarom toch_, o God? zou Wouter gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.
Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, en hy verveelde zich. Z'n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...
--Ik wil haar zien, riep hy, ik _wil_! En als vrouw Claus weer naar wurmen vraagt... 't kan me niet schelen: ik wil Femke zien!
Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd "binnen" geroepen. Dit was wel 'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo'n klink optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.
De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe--de zeep stonk... turksch!--en pater Jansen rookte even huiselyk 'n goudsche pyp.
--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat 's goed! Dat 's nou 't jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?
De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, zonder 't minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
--Ja, juffrouw, ik kwam 'ns kyken of....
--Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-'n boteram? En hoe maakt 't je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is 'n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... 'n beroerte, of ... wat was 't ook?
--Gut né, juffrouw....
--Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in z'n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. 't Zal 'n ander geweest zyn, 'n mensch heeft zoo veel aan z'n hoofd. Houd je van kaas? 't Is leidsche.
De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui 't gezien had, was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van "_Burgerstand_" II of III. (Pp) heerscht 'n fatsoenlyke schrielheid die niet bestaat by wat men--gek genoeg, als by uitsluiting--den _werkenden_ stand noemt. Arbeiders--mits de zoodanigen die hun geld niet besteden aan jenever--zyn minder bekrompen in de toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche namen geven en de "_Kersnacht_" laten reciteeren, of in andere fatsoenlykhedens doen.
Wouter had nooit zoo'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...
O, realistische Fancy?
... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter verwacht had.
By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg was van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor, 'n geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze soort van godverkondigers--hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!--hadden zich steeds aan hem geopenbaard op 'n manier die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed, dat 's waar, maar ze hadden 'n driekantigen hoed op 't hoofd, en heel andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig sprinkhanen. Wouter wist alzoo 't kostuum der leeraren in _zyn_ kerk, vry wel pas te maken by z'n indrukken. En dit kostte hem op 't eerste gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk 'n ander jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.
Maar ... de houding! Maar ... 't spreken! Maar ... de toon!