De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 25
De man begreep noch 't uitgesproken woord--_negrohead_--noch de bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z'n aanvallers geschaard had.
Wie kon ook raden dat zoo'n kleine jongen 'n geheel àndere beweegkracht in z'n ziel had, dan die waardoor zich de "massa" liet voortdryven?
--Komaan, jy snotjongen, hou jy 'r je nu maar liever buiten! Wacht tot je droog achter je ooren bent!
--Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door 't gejoel heen.
--Hè?
--Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.
--Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!
"_S...s-gauw late_" beduidt: iets _volstrekt_ niet doen, iets zóó byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan 't wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... 'n slag in 't gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.
Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend had van 't prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:
--_Ik_ zal dien man tabak geven!
Ach, hoe heerlyk hy dat "ik" intoneerde! De "nieuwe hoed" uit z'n leeslesje was er niets by.
--_Ik_ zal dien man tabak geven, _ik_!
"Of sterven!" zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon 't hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als 't gevorderd werd.
Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!
Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen van z'n zaakkennis. Al ware hyzelf in 't bezit geweest van twee "gevestigde" zaken, hy had niet met meer _aplomb_ z'n bestelling kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog, en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te doen doorgaan voor 'n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die 't wist, met 'n specialiteit!
Nu, 't liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk het te veel betaalde terug.
Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma's verliet! Dit had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in 't heerlyk bezit gebleven van 't geldstuk, dat z'n moeder hem had meegegeven "voor de meid" omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op 't fatsoen gesteld was.
Maar 't aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat, had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...
De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter 't meest.
--Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met 'n stemmetje zoo zacht, op 'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk en bescheiden...
Wat er 'n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen, waarvan geen enkele hem bedreigd had!
Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z'n heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven 't hoofd--waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels opgestoken, dan dat peperhuis met 'n stuiver tabak!--en bereikte den man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...
Wèg was z'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer uittarting dan 't aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden, zette hy den kerel z'n schouder in de lenden, en boorde zich dóór tot de voorste ry:
--Dáár, man! Ziedaar tabak--negerhit, weetje?--'n snotjongen ben ik _niet_!
De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z'n overtuiging: dat-i 't wel s...s-gauw "late sou." Hy scheen te vragen welke aanmerking de profeet te maken had op dit protest tegen z'n voorspelling?
De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte, sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet de verheugde tabakspruimer door 'n nogal bekende soldaten-aardigheid, de voorsten van den troep aan 't lachen had gemaakt:
"beter 'n halve pruim in je mond, as 'n heel stuk in je... kraag!"
Al wat de voorvechter van 't non-interventiestelsel tegen Wouter inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...
O, _Thermopylae_! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O, Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z'n harnas ontgespen? Hoe is de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder, linkerheup, rozet...
De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat "die kleine jongen 'n s...s-brutale bliksem" was.
Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren dat de man zich bedroog. De door hem--tot z'n eigen verrassing waarlyk!--aan den dag gelegde moed was 'n uitvloeisel van geheel àndere gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen, beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en deze ervaring deed z'n ziel groeien.
In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond van dezen dag.
Och, als Femke 't gezien had!
Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z'n leertyd op den _Zeedyk_. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even naby als op die markt, zonder daaraan 't verheffend denkbeeld van stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had hem 'n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd dat deze eigenschap "in den handel 't _voornaamste_ was."
Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z'n eigen onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en--als met de leugens--kwam soms de wensch in hem op: "wanneer toch zal ik groot genoeg zyn, om me zoo mannelyk uittedrukken?"
Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische bywoorden, wanneer z'n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?
Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor deze soort van gemeenheid, door z'n onbederfbare lust in 't exakte, een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.
Eens was-i genoodzaakt geweest, 'n kwajongen die steenen in den winkel wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was 'n scheldwoord gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt: _dief_! En wel met 'n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient, en dat ik dus mag overslaan.
--Hoe kan die jongen beweren dat ik 'n dief ben, en ... zoo onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat ik hem 'n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt hy my nu _dief_? Dat 's iemand die steelt, niet waar?
De heer Motto was er de man niet naar, om 't verschil tusschen schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had zich meer geërgerd over 't gebrek aan logischen samenhang dan over de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. 't Was 'n schending der wereld-orde, iemand _a_ te noemen omdat-i _b_ was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van 't 2 × 2 = 4! 'n Hinkend rym. 'n Onmogelykheid!
En... 't straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig gemaakt, was nog 'n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van begeerlyke volwassenheid!
Maar ... maar ... al de wèl "groote" menschen? Vanwaar by hèn dan dat gedurig afwyken van 't ware, juiste, stipte? Waren _zy_ zoo achterlyk, of was die straatjongen z'n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i vooruit, om aantelanden op 't punt waar zich 't grootste gedeelte van z'n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als de Weledele Heer Motto aan 't hoofd te staan van twee "zaken" ... nu ja "gevestigd" waren ze na 't overhaast vertrek van den patroon niet meer. Maar 't waren "zaken" toch, en ... gevestigd geweest!
--Als ik den man hier had zou ik 'm verscheuren, zei de moeder. Ik dacht het wel dat-i met m'n geldje-n-op den loop zou gaan! 'k Heb 't altyd gezegd, niet waar, Stoffel?
--Ja, moeder. Zoo'n cautie is 'n gevaarlyk ding...
--Dat heb je-n altyd van die menschen met 'r geloof! Ik vraag je, wat doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo'n man 'n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met 'n mensch z'n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik wou ... ik wou ... dat-i 'n roomsch jongetje genomen had, met 'n ... koussie van duizend!
--Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.
--'n Roomsche is net zoo goed als 'n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou 'n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en op den winkel passen, en ... koussies geven, als 'n griffermeerde? De menschen lyken wel mal met 'r verschil van geloof. De een is net zoo goed als de ander, vindje niet, Stoffel?
--Ja moeder.
--'t Is om 'r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo'n kerel nu in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Kon _ik_ 't weten, ik arme weduw die hier in m'n huiswerk zit?
--Moeder, ik wist het ook niet.
--Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of je moeder aan 't bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met 'm beginnen? Naar zee gaat-i _niet_, dat zeg _ik_! Ik kan 't voor God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo'n schip onder allerlei soort van volk komt, niet waar, Stoffel?
--Ja, moeder.
--En dat-i daar vloeken leert...
--Zeker, moeder.
--En z'n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z'n geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?
--Ja, moeder, 'n mensch moet altyd by z'n geloof blyven.
--Honderd gulden! 't Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo'n gemeene kerel 'n protestantsch jongetje te vragen?
"Wel," veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z'n "geloof."
Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens'huis. De _blunders_ in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen, maar de _bitjara kossoeng_ van z'n familie maakte niet veel meer indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm.
Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit werd, al stonden ze dan niet hooger dan z'n huisgenooten. Juffrouw Laps, byv. was hem 'n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid prikkelend, studie-exemplaar. En z'n belangstelling in 't oplossen van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer acht-sloeg op 't gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar manieren.
Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en telkens onderging Wouter by die gelegenheden 'n reeks van tegenstrydige indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och, er was niet uit het schepsel wys te worden.
Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel gespaarden schelling waren overgebleven...
Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weg-grissen van 'n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.
Hoe dit zy, 't uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest getroost worden over 't gemis van de verteerbare Landen en Steden die anders z'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren van 't gebeurde. Hy sloeg in z'n relaas van de zaak, 't gevaar dat-i geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne wat gestoft op z'n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z'n verkwisting, grooter was dan die op lof over z'n ... ja, hoe moet ik 't noemen?
De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk genomen, en 't was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden niet had aangeroerd, waardoor z'n onpartydige mildheid was bestempeld geworden tot uittarting.
--Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z'n moeder. Jy verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?
By zulke toespraakjes viel 't Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van z'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf geen steun, want ... z'n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!
Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in, toch voelde hy z'n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de beschuldigingen die z'n moeder tegen hem inbracht.
Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de bewering dat-i gehandeld had als 'n gek. Dit werd te erger toen men de aanklacht overbracht op 't laagste terrein dat men kiezen kon, op kinderachtigheid.
De moeder had het woord: "verkwisting" uitgesproken, maar Stoffel zette haar te-recht:
--Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!
--Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen van zyn jaren ... als ze-n-'n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?
Misschien was Stoffel's opmerking niet kwaad gemeend, maar ze wondde Wouter diep. Een "verkwister" is dan toch altyd 'n persoon, 'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!
"_Prodigue, prodigue_... asjeblieft _prodigue_!" mompelde hy treurig. Want--tot verbazing van den lezer misschien--hy kende dit woord.
In een der omnibus-slaapkamers hing 'n stelletje grof gekleurde platen die de parabel van den verloren zoon voorstelden. 't Was 'n fransche uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking: _prodigue_ niet anders kon beteekenen dan "verloren." Dit had dan ook Stoffel tegen een van z'n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze fransche drukfout ...
--Want: "verloren" stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.
...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de beteekenis van 't woord _prodigue_: "verkwister" wezen kon. En in die benaming had Wouter veel zin.
_Eerste tafereel._ De zoon die bezig was met... verkwisten en verloren-gaan, neemt afscheid van z'n vader. De oudeheer had 'n purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er fladderde hem 'n mantel om de schouders--'t scheen erg te waaien in dien zuilengang!--'n mantel ... prinselyk! En z'n turksche broek was van puur goud! De jongen had 'n krommen sabel op-zy, en op z'n hoofd 'n tulband met aigrette ... zeker 'n onix, of sardonix, of paarl, of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke zaken kosten niets op 'n prent.
De oudeheer keek verdrietig--en daarin had de man geen ongelyk--maar ... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor 'n verre, verre reis! 'n Pikzwarte knecht hield 'n paard by den toom. 'n Ander den stygbeugel, en scheen te manen: "komaan, verloren-gaande zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!"
Welk jongetje zou niet graag zoo'n verloren zoon willen zyn? Die kromme sabel alleen was de zonde waard.
_Tweede tafereel._ Hm ... _scabreus!_ Nu ja, maar niet voor Wouter, die in z'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten en gedronken werd, en 't gezelschap scheen eensgezind, want dat eene meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder van den verlorene. "Liever zóó verloren, dan anders gevonden" moest de indruk zyn dien 't feest maakte op de verbeelding van 'n kind. De ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter's opmerking. Of liever, hy _wist_ wel wat het beduidde, maar ... _voelde_ anders. En alweer was z'n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem 't meest aantrok was noch de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van 't gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van 't begrip: _verkwisting_, had de teekenaar 'n wynvaas doen omwerpen door 'n paar jachthonden...
Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, 't is te veel!
...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf 'n wegloopende zoon was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich met zoo'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. 't Had eens moeten gebeuren in den huize Pieterse, al was 't maar met 'n dubbeltjes-kruik scharrebier geweest!
_De teekenaar spreekt:_ "meent ge dat ik den verleidelyken indruk van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat er volgt?"
Volstrekt niet! Zie maar:
_Derde tafereel. Heerlyk!_ Hoe romantisch is die wildernis! O, wie daar zoo mocht zitten op 'n rots, starende in de onpeilbare diepte van 't verschiet, en ... alléén!
Denken, denken, denken!
Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor wat men te doen hebbe met z'n hart, z'n tyd, z'n elbogen, en z'n broek! De jonge man op 't plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen en beenen zich op z'n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten voortdryven voorby z'n wydgeopende oogen! Men kon wis 'n dubbel stel longen gebruiken in zoo'n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf denken zou, als-i 't eens mocht gebracht hebben tot zoo'n verheven keizerschap over 't onmetelyk Ryk: eenzaamheid!
Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z'n Femke zitten! O, goddelyk verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem 'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.
En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men dan handig 'n hut ... voor Femke, natuurlyk.
De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te hebben. 't Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met 'r verkwisting. Och, dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook 't eenige verdriet dat 'n rechtgeaarde verkwister uit de profane wereld meeneemt in de prettige woestyn.
Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was, er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld met waarschuwende trekken. En ook de trog had 'n onsmakelyk voorkomen.
--Als 't my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal ze kammen!
De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten en verloren-gaan.
Maar ... 't _vierde_? Evenmin! Minder nog!
Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang, waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel ... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.
Maar... _hy?_ De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen in z'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets van dit alles!
Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare zwynen zelfs!
En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit iets, en nam by Keesje's vader osselappen op 't weekboekje. Slechts nu-en-dan by hooge uitzondering 'n ribstuk.
Op 'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan met geld!
En zie, ditmaal had-i aan z'n vriendelyke vyandin Laps iets te danken, dat hem weer 'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad de Schrift by de zaak, toen deze haar--op z'n pietersens!--werd medegedeeld. _Zy_ sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had graag geantwoord:
--Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen 't deze keer geen schapen zyn?
Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor 't beoogde kammen, en dus ook niet voor 't blauwzyden halsdasje dat Femke's lievelingslam zoo snoepig staan zou.
Maar ... 'n verkwister wàs-i, verzekerde 't mensch.
Goddank!
_Toulon est là_! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met 'n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (_De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen 't voorbeeld._) Gesprekken op den _Olymp_, waarby _Jupiter_ 't wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan 'n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en 'n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.
--Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, wat doet-i? Hy verkwist z'n moeders goed. Als die man pruimen wil, laat 'm zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m'n boeltje, niet waar, Stoffel?
--Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het 'n kinderachtigheid van Wouter is.
--Net wat ik zeg, 'n kinderachtigheid!
--Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat de Heer z'n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur 'm 'ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend 'm 'ns by me.
--Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!
--Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...
Ze sprak de waarheid!
... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, of ... Nebukadnezar, of ...
Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat oogenblik 'n briefje te schryven had gehad--aan Femke liefst!--zoud-i zeker geroemd hebben: "begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met hun allen!"
En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!
--Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het midden, en z'n voeten zyn van klei. De Heer zal 'm wis en zeker omgooien! Stuur 'm 'ns by me.
De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter's wegblyven voor hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.
--Maar, m'n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i ... o! Wat moet ik doen met zoo'n kind?