De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz

Chapter 24

Chapter 243,746 wordsPublic domain

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke bruikbaarheid van slecht voedsel.

Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan 'n ander proces, dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze faktoren 't meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens, wyl ze had kunnen dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig man in de negentiende eeuw zich aanmatigt 'n denkbeeld te vormen van _Recht_, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in hooge achting, te-meer omdat ze--na Cicero's waarschuwing--finaal afgeleerd hebben elkaar in 't gezicht uittelachen wanneer ze 't genoegen hebben 'n kollega-_auspex_ of 'n konfrère-_haruspex_ te ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen'skamers doen, staat aan hun bescheidenheid.

Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en zaadkorrel, 'n _question brûlante_, waarmee onze overgrootouders zich den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan 'n Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten moet, noch op de hoedanigheden van 't gestrooide zaad, noch op die van den bodem. Het komt me voor, dat ook--en misschien vooral--de _verhouding_ tusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in aanmerking genomen worden.

Zéker is 't dat de in Wouter's gemoed uitgestrooide romanlektuur niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd had. Ook de aanraking met dien Motto en 's mans zonderlinge klanten, had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had kunnen verwacht worden.

Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter's ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit--er hoort moed toe!--dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.

Wouter's gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid van z'n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en zedelyk vernietigen--en hierop scheen de kans het grootst!--òf ... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder die--zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van 't kind, maar overigens voldoend ingelicht--van de zaak had kennis gedragen, zou 't ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.

De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter's hoofdeigenschap uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te bezwyken. Het moest schynen of z'n gevoel, na wat ziekelyk en onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid, zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou dan ook 't geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest, niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy 'n andere hoedanigheid die hem staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde romanlektuur hem dapper te-hulp kwam. Wouter leefde maar voor 'n zeer klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z'n ziel woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z'n helden en heldinnen te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder, maarschalk en--alweer precies als in Afrika--koning. Meer nog, hy voelde zich de verantwoordelyke persoon, de _deus ex machinâ_ van rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis, by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?

De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken over den dienstyver van z'n leerjongetje. Hy was er de man niet naar, om den hartigen toon van Wouter's antwoord optemerken, als deze door hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig: "ik kom!" waarmee dan 'n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken, klonk veeleer als 'n krygshaftig: "_ce sera moi, Nassau!_" dan als blyk der gewilligheid die elk "patroon" eischen kan van winkeljongetjes die lust in werken, en--onder borgstelling voor de geldlâ--'n behoorlyk geloof hebben.

Wouter's ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door 't vuil waarin men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot taak had gesteld z'n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te oefenen in kracht. Noch 't een noch 't ander was echter het geval. Hy kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze eerste levensproef z'n behoud alleen te danken aan ... smaak, die toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen de beelden die z'n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys, toon, manieren en ... gedrag van z'n omgeving hebben nagebootst, hy die zoo precies wist hoe 'n edele ridder zich uitdrukt? Hoe 'n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in 't gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog niet eens van z'n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z'n eigen zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou hy--op de bewustheid na--te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel, niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor 't ééne noodige, voor 't behoud van het _goede_.

Dat ons kind het goede voor-als-nog op 'n verkeerde plaats zocht, doet hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z'n streven niet, ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.

Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om 't punt te bereiken waarop z'n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende tusschen _te_ hoog of _te_ laag, was 't voor hem 'n logische noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening dat men meer kon zyn dan _goed_, dat men edel moest wezen, en verheven!

Gewis, 't _is_ 'n fout--en 'n zeldzame!--maar beter dan menige soort van _niet_ zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in 't gemeene!

Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden in de werking van zekere boeken op Wouter's gemoed. Evenals dokter Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die leesbibliotheek op den _Zeedyk_. En ik zou 'n slordige geschiedschryver zyn als ik daarvan geen melding maakte.

Daar waren drie, vier, planken, die met 'r allen één schryver torschten... [30]

Van Wouter's menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.

Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak is. Nog minder van menschkunde.

By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam 't denkbeeld dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid, niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want z'n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat het slenteren en draaien en 't schipperen met halve waarheden, tot de attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap had kunnen geven van z'n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik "groot" zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!

Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma's op, schoon ook daar 't genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat de behandelde onderwerpen z'n kennis teboven gingen, en tevens dat de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z'n bereik was.

In dit laatste opzicht was-i door z'n schuwheid bewaard gebleven voor ... erger dan niet te kunnen "meedoen." Hy onthield zich van 't belachelyk pogen.

Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy was dus niet op z'n neus gevallen.

Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof: "de kunst van lezen." In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al 't gewicht van iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst over 't voordragen der bekende leerstelling: "myn vader gaf my dezen nieuwen hoed." In de "_Oefening in 't kunstmatig lezen_" uitgegeven door de Maatschappy _tot Nut van 't Algemeen_, kwam deze zinsnede voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien nieuwen hoed, en meende nu...

Doch Holsma behandelde iets anders. Maar 't was weer het oude: de kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.

De grond van z'n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in de behandelde zaak--deze was geenszins boven z'n begrip--maar in de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale geleerdheid toeschenen alleen omdat z'm ten-eenen-male onbekend waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook 't weinigje dat-i wèl wist niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op den weg te helpen, ontsnapte niet aan z'n fyn gevoel, en maakte z'n toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader stond, even misplaatst als te-huis.

Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman--die in latyn deed--was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval. [31]

De wyze waarop Holsma's klacht over gebrekkig lezen behandeld werd, mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor 'n arts zoo verdrietig was z'n patienten te zien vermoorden met rottekruid, als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.

--Maar, m'nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover _beklaagt_? En als men dan _nogeens_ uitdrukkelyk zegt dat men geen vergif bedoeld heeft?

--Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.

--Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.

--Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de menschen zoo?

--Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang, maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traag zyn om met eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan 't napraten van wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid, en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote massa laten schreeuwen wat men wil.

Wouter begreep alweer 't woord "massa" niet, daar het in die dagen nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had geholpen.

--Dat is zooveel als... 'n heele troep, zei ze.

--De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...

--Maar, m'nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers spreken veel menschen tegelyk?

Holsma begreep de oorzaak van Wouter's misverstand, en misschien oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na "dom" nog iets anders willen zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden, en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking begrepen waarvan 't gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter, juist dóór z'n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.

Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds by _Genesis I_, vers 1, te vragen: "maar m'nheer, hoe weet ge dit?" Wel te verstaan, indien hy Mozes en _Genesis_ had ontmoet in onheilig gezelschap, waar 't denken aangemoedigd werd en 't meespreken geoorloofd was.

De nuchterheid van z'n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in oneigenlyken zin, en dat Sietske's vertaling niet zeer korrekt was, doet hier niets ter-zake. Het woord: "dom" beteekende naar Wouter's schoolsche opvatting, dat men z'n les niet kende, dat men den naam van zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn, Pennewip's leerlingen _en bloc_ 'n domme schoolmassa te noemen? De een kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon 't oom Sybrand bekend wezen dat 'n "heele troep" menschen--zóó had Sietske vertaald--te-zaamgenomen "dom" was?

Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door sommigen kan begrepen worden.

Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.

Och, 't deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy 'n domheid gezegd te hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z'n onwetendheid, bewys gegeven van intelligentie.

Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist was er in die dagen--d.i. _niet_ in die dagen, want m'n kronologie is allerverwardst--te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot de toelichting: waarom men de "massa" niet zoozeer _dom_ noemen mocht, als... als... ja wat?

Er was 'n verandering gebracht in 't belastingstelsel. Zeker bedrag dat vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en Philantropie. 't Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen op _bezitters_, niet op de minderbedeelden.

Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting, _plus_ 'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer.

Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in 't belang der armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De _eigenaars_ van kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. _Wie_ gebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-_bevoorrechten_! Het "gemeene volk" doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de "dienders" te water, mishandelde de "veteranen" die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort.

Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z'n wrok lucht geeft--en op _die_ wys!--tegen een maatregel die naar 't gevoelen van de oproermakers-zelf in hun eigen belang genomen was.

Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van toepassing geweest zyn. Ieder _op-zichzelf_ was verstandig genoeg om de zaak juist te beoordeelen. Met _hun allen_ echter sloegen ze zonder de minste geldige reden den boêl stuk.

De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen, kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets anders dan de _Rede_. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit: een _Ziel_.

Wie de "massa" van 't Volk _dom_ noemt, begaat de onnauwkeurigheid die er liggen zou in de meening dat _vyf_ beminnelyk is, of _lucht_ driehoekig. De "massa" als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door 'n samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haar hoofdeigenschap, in stilstand en beweging beide, is: traagheid.

Wouter had schik van z'n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest van 't bovenstaande antwoordde.

Toch bleef hy verdrietig over z'n onkunde, en hy nam zich voor, meer te leeren.

_Strabbe's_ regula van "menging" onder de oogen gezien, in-verband met de manier om onbruikbare zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel 't pond verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke heldenmoed die van beter getuigt. Alweer Juffrouw _Laps_!

Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by 't overgaan van een der pleintjes die men te Amsterdam "markten" noemt, op 'n bende van 't gemeen, die bezig was de geschonden rechten der "huisjesmelkers" heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.

--Die... _massa_ is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te doordringen van de pas opgedane wysheid. _Dom_ is ze niet! Misschien zelfs niet _onwetend_ ... neen, ook dit is onjuist. 't Is maar dat ze... niets weten _met hun allen_. Zeker zyn er wel verstandige menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze 't kunnen.

't Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet door de "massa" die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt, voor-zoo-ver deze zich openbaren op _dynamische_ wys. Vanhier dan ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van 't geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich daartegenover stelt. Ieder zegt: "ze" deden dit of dat. "De menschen" liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. "Ze" wisten niet wat ze wilden. "Ze" waren gek, wreed, lafhartig, enz.

Niemand spreekt by zulke gelegenheden van "ik" noch zelfs van: "wy." 't Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts de beweging te _volgen_, en geen besef heeft hoe dat vermeende "volgen" wel degelyk de uitwerking heeft van _meestuwen_. Ook deze begoocheling komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op 'n vergissing.

Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te _denken_, en dat het de moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z'n gemoed. Hy zag in dat de "massa" waarop hy stuitte, te laag stond om... dom te zyn.

Ook kon men ze--in hoedanigheid van "menigte" alweer--niet beschonken noemen, al zy 't dan dat het getal nuchtere lieden die aan de samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo, was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets dan 'n fiktie. _Een Menigte_ kan zoomin drinken als denken, en heeft dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig. _Een Menigte_ is, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy is niemendal.

Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: _om te geraken tot waarheid in het algemeen_, kon Wouter zich nog niet inlaten. 't Was al wèl dat-i over de ydelheid van 't kwalificeeren-zelf nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer op _zedelyk_ terrein toekomt aan den individu.

Hy voelde--en zeer ten-rechte, waarlyk!--dat hy hooger stond dan al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was 't die goede dokter Holsma.

Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou tot 'n deel van zóó'n geheel!

Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...

Wel zeker: "ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging!" Zóó had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe's "_regula_ van menging?"

_"Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers, en van zeven stuivers het pond, en wenscht..."_

De goeie Strabbe geeft z'n kruieniers nooit _Souchong_ van geen-één stuiver te mengen onder de "massa" die hy verkoopen wil tegen zóóveel winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.

En Wouter ging met denken voort.

..._hy wenscht van al die theesoorten een_... "massa" _te maken_...

Daar is 't woord weer, het nieuwe woord van de Holsma's! Welnu, gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees, liefde, haat, deugd, en vooral: _zedelyke verantwoordelykheid_... dit alles is geen _thee_, die men mengen kan om ze aan den man te brengen tegen zekeren prys!

Wie 't beproeven zou, verrekent zich, omdat de _menging zelf_ 'n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe's rekentalent ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der _regula_: "van den mensche en deszelfs eigenaardigheden."

Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort, en wat volgens de "Gezelschaps-rekening" den auteur toekomt. Daar echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my, nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. 't Is wel mogelyk dat ik Wouter 'n beetje wyzer voorstelde dan-i nog wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou ze _niet_!

We zyn weer op die "markt."

Nog altyd stonden daar 'n paar oud-gedienden op post, en bewaakten... ik weet niet wat!

Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de bestbespraakten onder 't volk uitgescholden. "Bloeddieven" waren ze, en--de lezer raadt het zeker al--"opvreters van Stad en Land."

Wouter vond--o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!--dat ze 'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels, en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de bekende kreet, als 'n beroep op _zyn_ hulp!

De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's:

Waar is... warre, warre, wou... Wouter die me redden zou?

Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker kraken: "je bent iets... toon het!"

O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven verkondigen!

Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op zekere beleediging geantwoord:

--Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar 'n pruim tabak had!

--Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z'n nieuwbakken, speciale zaakkennis, als opgewonden door 't denkbeeld dat hy 'n blyk geven kon niet tot de "massa" te behooren.