De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 22
Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in 'n burgerlyke boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op beter lyst. Leentje's woorden hadden verdiend te weergalmen langs onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen door de spleten van 'n _krypt_. By de diepte van haar wysheid zou 'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met overlyden aan ergernis over 't ontsluieren van 'n nieuwe waarheid. De geheimzinnige Isis zal de mond openen...
--Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo'n man de waarheid zegt of niet!
--Wel, jongen...
De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren wisten wat er volgen zou.
--Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de menschen je zeggen, is maar _fut_, zieje!
Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot 'n lager soort van spreekwys behooren, was 't hem zeker meermalen in 't oor gedrongen, doch altyd afgegleden op z'n onnoozelheid. Hy had het nooit in z'n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse van rededeelen 't gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch 'n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in Leentje's toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon herinnerde hem aan 'n stembuiging, aan 'n toonval, aan 'n melodie....
Neen, 'n melodie was 't niet! Waar toch had-i--en onlangs nog--iets gehoord, dat ... dat....
Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar maxime als 't ware 'n weerslag was....
Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy herinnerde zich haar: "wel zeker, ieder moet handelen naar z'n overtuiging!" en op den klank af, begreep hy Leentje's apodiktische uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien 't woord "fut" bekleedt in de nederduitsche taal.
"Zelf uit de oogen zien!" En "ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging." Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan dan....
Ach, z'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag 'n verdrietig geval op den hals. 't Was diep in 't voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen 't hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand, begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid dit, of zoo-iets, te zeggen.
Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden, ieder behalve die ondeugende jongen, die op z'n school....
--Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of 't geen schande-n-is! De aardappelen zyn verleje-n-Oktober "opgedaan" en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen, overblyvers...
--Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo'n man zegt, is... _fut!_
--Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor't schavot? Ja, voor 't schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, 'n ware zonde! Mag je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt zeg _ik_ maar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg _jy_, Stoffel?
Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel voldoening had van z'n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.
--Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje, in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je 'n mensch z'n moeder ... gut, _ik_ lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar exkuus, en zeg dat je 't nooit weer zal doen.
--Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z'n overtuiging, niet waar?
De laatste opmerking ging Leentje's sfeer te-boven. Ze bleef er by dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....
Wanneer? Waar? Hoe?
Indien de oorzaak van z'n ergernis zich bepaald had tot de slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad tot tevredenheid. Kort na z'n vreeselyke schavotzonde kwam hem 'n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By 't behandelen van een der jonge-juffrouwen--in den burgerstand zyn altyd 'n paar huisgenooten ziek--had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z'n moeder haar denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op 'n wys die niet paste by Holsma's toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot was z'n verbazing, toen-i z'n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde worden in geheel andere richting dan onlangs toen _hy_ zich beklaagd had over dezelfde zaak.
--Juist, dokter, zei ze. _Ik_ zeg ook dat het geen behoorlyk eten is. En de kinderen ook. En Wouter ook. 't Kind kan ze niet eten, die glazige dingen! En als 't nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen: wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we 't goddank niet te overleggen, en _ik_ zeg ook: liever goeie boonen dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m'n oudste dochter--Trui heet ze, maar we noemen d'r Sertrude--zy heeft óók gezegd: niet waar, Trui?
--Ja, moeder.
Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z'n kinderen verwacht werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in 't late voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als 'n oude bekende dien men byzonder genegen was. 't Spreekt vanzelf dat Wouter niets van dien ommekeer begreep.
En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen inteboezemen op z'n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had haar niet weergezien sedert z'n ... zonderling bezoek, en wist dat ook z'n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had z'n afgelegd examen--of wat daarvoor heette doortegaan--'n normaal verloop genomen. Maar nu?
Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier 't mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit "iets" zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z'n moeder in den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe nu, indien zy aan 't licht bracht dat er over al die schoone vakken geen woord gewisseld was, en dat Wouter's kwikzilverachtigheid daarvan de schuld droeg?
De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen tot wrevelige klacht. Hy zocht 'n middel om 't huis te verlaten, en was juist gereed met 'n voorwendsel, toen er gescheld werd:
--Daar is ze, riep Petro die 't spionnetjen in 't oog had. Daar is ze-n-al. Ze heeft 'r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen op 'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar 'ns open, als 'n jongen!
Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo'n wys hielp 't uitgaan niet veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:
_Tweede verwondering_.--Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat je zoo'n best kind bent!
En ze gaf hem 'n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.
--Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat's niet mooi van je! Komaan, die boodschap zal zoo'n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, weetje. Dat zeg _ik_ maar.
En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar weer de kamer binnentrad.
_Derde en vierde verwondering._ De heele familie Pieterse ontving de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke vordering: "dat zoo'n kind àlles weten zou!"
Als Wouter latyn te verliezen gehad had...
--Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de juffrouw 'r hoed op 't kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in 't spionnetje, en ze zei ... nou, dat 's tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen, maar 't is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet gezien. Onze Mine heeft 't weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar 't wil niet dóórgaan. Anders ... koekdeeg is 't beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo'n goeien dokter ... niet omdat-i zweeren snydt--gut né, want-i is dokter, weetje, en geen surezyn--'t is maar om te zeggen dat we zoo'n goeien dokter hebben. En hoe gaat het _uwe_!
De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die praatjes werd geantwoord, mits-i zich 'n ander punt van uitgang kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en 't viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde persoon was, die hem by 't binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na de verbazing over den toon die z'n moeder aansloeg, was dit dan ook de oorzaak zyner:
_Vyfde verwondering._--En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem z'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m'n goeie juffrouw Laps, wat 'n last ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut 'n boodschap doen--hy moest 'n potlood koopen, weetje, om 'n landkaart te teekenen--want in landkaarten is-i knap, en als 'n land niet deugt, veegt-i 't uit met gommelistiek--en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon, zeid-i. En ik geef 'm 'n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu weer! Dat's geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?
--Wat _ik_ zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met 'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat's m'n zinnigheid en m'n manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....
--Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....
--Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár, daar in 't hoekje, zal blyven zitten zoolang ik 't verkies. Ik kan die koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is 'n barsie in. Neem 'n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat moet ik er in gods-heeren naam aan doen?
--'t Zit 'm alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.
--In de dominees?
--Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, 't Ware geloof gaat te-gronde met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo'n kind wat goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen ik de genade nog niet had--met pinkster wordt het zeven jaar--maar jawel! Prulwerk is 't, niets dan prulwerk. 't Heele woord "dominee" komt in de Schrift niet voor. En "preek" ook niet. Wel lezen we dat de vrouwen nederzaten aan Jezus' voeten. Dàt 's 't ware, zieje.
Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse 't verband niet, tusschen de klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen 't kenmerk is van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op 't ontbreken van 'n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam 't er niet op aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men 't minste scheurtjen opmerkt en betreurt.
--Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens zeggen wat de zaak is? 'n Dominee is net 'n mensch als 'n ander. Daar heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i ook, Sertrude?
Trui noemde een naam.
--Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, 't is 'n naam die ... hy heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont 'n man die byna ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....
--De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen dat het kind naar de kerk gaat, in 't minst niet! Al zingen ze daar telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...
De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen 'n heel andere afkomst hebben?
... toch is 't beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt, of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb verleje zondag duidelyk aan 't kind gemerkt dat jelui dit schandeloos verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In 't geheel niet, volstrekt niet! 't Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten en den tabernakel des Heeren.
Hier volgde een beschryving van Wouter's gemoed, die juffrouw Pieterse angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden--wat ze dan ook niet was--en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand. Hoe toch kon zy uit het voorgevallene by z'n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er was immers geen tyd geweest voor 'n theologisch woord. Hy had niets gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van 'n berisping dáárover, vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had, en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te hopen toen z'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan "overhoord" had?
--Want, zieje, 'n ieder leert uit z'n eigen boek. En als je dan op-eens uit 'n ander boek gaat vragen....
--Ik vraag nooit uit 'n boek, riep juffrouw Laps, met 'n waardigheid die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin zit het hem niet!
--Maar, juffrouw, zei Wouter met z'n gewone bedeesdheid, u heeft me niets gevraagd!
--Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m'n dank! Je ziet nu zelf, juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders 't kind, na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis' wil waar 't naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z'n eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der verstoktheid van 'n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp je-n-immers ook wel? Moest _ik_ je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen was-i, o ja ... maar dat's 't ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!
En ze knipte met de vingers.
--Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?
--Stuur 'm gerust 'ns by me ... al was 't van avond nog.
Wouter rilde. Maar gelukkig drong z'n moeder dien dag niet op de herhaling van 't bezoek aan. Integendeel, na 't vertrek der oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes niet recht kon wys worden.
Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om haar niet te begrypen. In z'n onnoozelheid meende hy slechts de keur te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!
_Wouter's_ intrede in 'n brok van de werkelyke wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in 't vinden van den oorsprong van 't woord _hypotheek_, dat geboren is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in 'n leesbibliotheek, naast snuif en tabak.
"In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling (_P. G._) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid, goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op 'n fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven brieven onder 't motto: "_Handel_" aantemelden by den boek- plaat- en kunsthandelaar _E. Maaskamp_, Nieuwendyk by den Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...
Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam, weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in 't whistspel. 't Was 'n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen, waarnaar zich de "_incroyables_" en "_merveilleuses_" kleedden... niet precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering van 13 Juni 1795, die: "_bevallige tooy_" voorschreef "_bestuurd door nette eenvouwigheid_."
De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te brengen. Ik wil namelyk by 't schetsen van Wouter's ontwikkeling niet gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve, 2º om wáár te blyven in hoofdzaken.
Ik weet zeer goed dat het "P. G." waarop met zoo aandoenlyke geloofsvastheid gelet wordt by 't kiezen van keukenmeiden, boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor 't korrekt aanhalen van 'n diploom. Psychologische kunstwaarheid heeft àndere eischen.
Wanneer 't me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik 't zonder gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis, na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam, zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan ik _nu schryf_. Of men 't ooit waargenomen heeft, is de vraag.
Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk "P. G." werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet ... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.
--Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy, Stoffel?
--Ja, moeder, 't kan niet mooier.
--Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.
--Op goed _zedelyk_ gedrag, moeder!
--Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je dàt, Stoffel?
--Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.
--Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik je niet altyd precies 't zelfde gezegd? En ... ze vragen: "P. G." Dat ben je, goddank!
--Ja, moeder, dat is-i!
--En, Stoffel, als _jy_ nu eens den brief schreef? Wat dunkt je dáárvan?
--Maar ... er staat: eigenhandig!
--Wel zeker! Als jy nu eens 'n eigenhandigen brief schreef. Dat is toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo'n kind het doet?
Stoffel slaagde niet zonder moeite in 't begrypelyk maken dat hier zeer in 't byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd, en dat de zyne--hoe mooi ook--in dit geval niet baten kon. Wouter werd dus aan 't schryven gezet.
--Maar ... wat moet ik er boven zetten?
--Weet je dàt weer niet? 't Is heel eenvoudig! Je moet schryven: _Weledele Heeren!_ Er staat immers dat het 'n gevestigde handelszaak is?
--Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook 'n zaak heeft gehad, 'n _zaak_, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.
--En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...
--En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...
--En van goed zedelyk gedrag ...
--En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je misschien terstond salaris.
Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk in 't voor-den-dag brengen van 'n staatstuk dat aan alle eischen voldeed. 't Adres werd, na rype deliberatie: _Aan de Weledele Heeren, den heeren ... motto_: "handel."
Maar ...'t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z'n wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ... _motto: handel_, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden zien. "Maar, zeid-i, zeg 't er dan by, als je m'nheer Maaskamp te zien krygt."
Met 'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle voorbygangers 't hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld intrad, en bezig-was den "handel" te bestormen. De geringe dunk dien hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens in, zich aantemelden by _Weledele Heeren_ die 'n "gevestigde zaak" hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen.
By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook die man 'n gevestigde zaak hebben? En 't was alweer karakteristiek, dat-i verzuimde naar 'n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo'n "gevestigde zaak" dan toch eigenlyk voor 'n ding was? En wat men te verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?
Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.
Stamelend vroeg hy aan 'n bediende in den winkel verschooning dat de brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam Wouter's dokument in 'n bakje waarin reeds 'n paar dozyn stukken van gelyken aard op 't goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de man uit den prentwinkel niet in, daar-i 't juist byzonder druk had met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter watertandde naar zoo'n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien hy was op weg naar "handel" en niet naar heldendaden.
--Later, later! dacht-i.