De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 21
_Wouter_ moet 'n beroep kiezen. De keerzy van den roem. _Wouter's_ begrippen over kommanditair wereldbestuur. Oorzaken van 'n ergernis die, viâ _Missolunghi_ uitloopt op _Femke_.
Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was, en bovendien 'n _iongen_n die tegenover meisjes altyd eenige jaren minder telt dan z'n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z'n broêr Stoffel.
--Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad, waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.
--Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar ik wou nu maar weten wat we met 'm zullen aanvangen. Letterzetten wil-i niet. En naar zee ... nu dat's me-n-ook wat!
"Dat 's me-n-ook wat!" beduidt: 't is te gek om van te spreken. Onder de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit geweest--er was iets Afrikaansch in--maar hy voelde zich daarin versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.
Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen, had-i z'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen namelyk, is de zeevaart--als baden en zwemmen--'n uitspatting, 'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n _hors d'oeuvre_ of 'n ondeugd.
--De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo'n affront, riep de moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen, dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je dan nooit ophouden met akeligheid!
Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van onbekende koninkryken, van Straat _Magellaan_... helaas!
Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.
En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen schoenmaker, geen leerling op 'n notariskantoor, geen bediende in 'n winkel, geen aptekersjongen...
Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z'n tegenzin in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die men tegen het door hem gekozene inbracht.
De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd, dan by zulke gelegenheden wel eens 't geval is. De meer of mindere kans op "geld-verdienen" werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om _zeer spoedig_ "in de verdiensten te komen?" Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't "worden van 'n nuttig lid in de Maatschappy" voor-den-dag te brengen. Toevallig--en zeer by-uitzondering--had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets tot-stand brengen, iets leveren:
de plaats betalen die het lot hem bood.
...en iets meer dan dat, als 't mogelyk was! Kon hy 't helpen dat het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z'n lust tot de zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar 'n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop dat-i daarin gelegenheid vinden zou...
Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z'n verbeelding voorspiegelde? [29]
Na 'n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen, dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: "dat Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel." En juffrouw Pieterse was dit volkomen met hem eens.
Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel omdat-i niet recht wist wat het was.
Hy vroeg 't aan Stoffel.
--Wel, begryp je dát nu alweer niet? "In den handel" beduidt zooveel als... koopman worden.
--Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de menschen noodig hebben?
--Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de huizen liep met 'n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd even dom. "In den handel" zieje, beduidt zooveel als...
Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over 'n definitie struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebben by zulke gelegenheden terstond 'n bondgenoot by de hand, die hen zoo flink uit den nood helpt als hier geschiedde.
--Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd, en je houdt je weer net of je 'r niks van begrypt. Wie ter-wereld heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met 'n pak op je rug, als 'n oliekoop of 'n _mersan de la perreplu_? Heb ik je daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent 'n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!
Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen 't vreemd vinden--en onbillyk misschien--dat Wouter hier begraven werd onder 'n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O, neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse 'n ware virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook 't woord _parapluie_ in haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar gebezigde uitdrukking 't onvervalscht refrein was.
Maar... als nu Wouter eens "in alle bescheidenheid" de opmerking gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel, dan had men hem bedolven onder 'n tweede predikatie over de verregaande brutaligheid van 't gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden inderdaad 'n fout _is_.
Niet zoozeer omdat-i dit inzag--daartoe is dieper wysheid noodig dan hem gegeven was!--als wel uit ongewoonte om z'n meening te zeggen, die toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid de vereischte inlichtingen te vragen aan z'n Egeria, aan... Femke.
Dat hy, in-weerwil van z'n onkunde niet ontevreden was met het vooruitzicht "in den handel" te gaan, is niet onnatuurlyk. In de eerste plaats zou 't vervelende school-gaan 'n eind nemen. Dit was 'n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering van standpunt, mat-i af naar z'n hoop, en naar den wensch om _iets_ te zyn, wàt dan ook! 't Zou dan toch al heel slecht geschapen staan met "handel" wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan 'n geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate hy hooger stond aangeschreven in Pennewip's achting. Het was namelyk ten-zynent 'n _tic_ geworden--en z'n by uitstek domme zusters deden dapper mee--hem z'n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als 'n verpletterend servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht met z'n veronderstelde schoolwysheid. Z'n onoverwinnelyke tegenzin in zuurkool, byv. "paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten kende" en als-i na 'n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu 't goede gedrag was van iemand die zoo'n uitstekend onderwys te danken had aan z'n moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?
De bespottelyke ingenomenheid met Wouter's vermeende gaven, maakte hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en 't had er veel van of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.
Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den minsten grond om aan die laatste veronderstelling 'n plaatsje te gunnen in z'n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware, zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner omgeving 'n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige bezorgdheid voor z'n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting, de gezellin behoort te zyn van 't goede.
De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en 't christendom--vooral het dor protestantismus!--hebben er geen goed aan gedaan.
Is 't wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy die 'n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt had? Het eeuwige vitten van Wouter's moeder was alzoo goddelyker dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was, toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: "ik doe daar m'n godsdienst mee!" Wel zeker!
Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's omgeving. Met den besten wil mogen wy dus 't verdriet dat hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van 't hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende beroemdheid.
En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen gissen. Al de geneesmiddelen die men hem--al was 't dan doelloos--ingaf tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan 'n zelfgevoel dat waarlyk de perken van 't ooit _da gewesene_ ver te-buiten ging.
"Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de toekomst, tot het brutale toe?"
Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van Afrika wilde worden?
Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: "of 'n bleekersjongetje?"
Was ook dat onbescheiden?
Neen, niet zulke nietigheden waren 't onderwerp van Wouter's ongeëvenaarde eerzucht. Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles, en wanneer-i droomde van koningschap, was 't by-wyze van spreken, en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze vlucht zyner begeerten, 'n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen 'n bleekveld en 'n troon uit het oog verloor.
De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy onderging onbewust den indruk van 't verhevene, en z'n onwetende ziel doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op 't gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste tot-stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlyk gevolg van onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z'n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo 'n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus!--om de zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelary!
"Later, later!" dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche en huiselyke banden. Dan zoud-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nòg een...
Helaas, er stonden er maar vyf in 't boekje van z'n geografie!
Vyf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te spreken.
Wat dàn? Wat daarna?
Hier begon zich z'n fantazie te verliezen in de ruimte, en 't firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelyken hemel, naderden z'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.
Geen "_Weg ter Zaligheid_" en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg, en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter's stamboom.
Hoe hy 't aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van 't goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld. Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak--om nu niet te spreken van 't pynlyk stil-zitten in de kerk--en al van-buiten leerende "dat God zoo byzonder groot is" geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan 'n straatgoochelaar, 'n kunstpaardjen of 'n handjevol kersen. Jazelfs 'n "kip te water" is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die vervelende "Heer."
Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het onderwys in de "godsdienst" uitstelden tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want "godsdienst" kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten 'n bescheiden plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z'n opvoedings-systeem het "breien en merken", waarin z'n ega zoo uitmuntte, tot parallel-studie verhief van 't "psalm-zingen" en de "leer der Zaligheid."
Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus--of liever, juist omdat z'n god van school en katechizatie maar 'n onderwerp was van leeslesjes--hy zag er geen bezwaar in, 'n geheel ander wezen in z'n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.
Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zyn_ begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hy...
Wanneer? Hoe?
Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n wil. Later--mymerde hy dan--als-i zou aangekomen zyn op 't punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God--dit was hyzelf, maar hy wist het niet--ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou 't z'n gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z'n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z'n hooggestemde levensopvatting in z'n binnenste, als 'n kool vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...
Ja, waarheen?
Waarheen? Wanneer? Hoe?
Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs 'n arme blindeman in 't water gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.
En telkens als er regen noodig was, bleef 't weken lang droog weer. Maar 't plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost. Wouter's God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en dus nog dommer te zyn dan zoo'n krant.
Is dat 'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder God!
O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol van. Alleen God scheen alweer niet op z'n post te zyn. Marko Bozzaris en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar 't hielp niet veel. En al de Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren van 'n glad verkeerd geloof, 't Hielp nog niet. Zelfs hielp 't niet dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards vermoord. Wouter's historische en krygskundige kritiek ging niet ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy hield zich aan de verantwoordelykheid van z'n god, en was recht boos over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder ditmaal niet voorwenden. De zaak was _notoir_, want de kinderen op de straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken, en 't voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de onverschilligheid van Wouter's god.
En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar 't verre Engeland... _hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel, scheepvaart en 'n yzergietery. Beeft by 't hooren van 't Nederlandsch geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ook bezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm: koninklyk. Getal inwoners ..._
Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas--dichter en lord was-i ook--had er z'n zinnen opgezet om 't land uitteloopen, en met de Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z'n vaderland ...
Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen--en met pleizier!--om aan z'n god en die Turken 'n lesje te geven als-i maar... permissie had kunnen krygen van z'n moeder, d. i. als-i maar niet 'n armzalig schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen engelschman gevraagd hoe men 't toch aanlegt om lord, dichter en held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die "geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn" kwam hem niet byzonder wenschenswaard voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en genade--altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie, en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou--maar de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In z'n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als: "Wouter's _begrafenis by Thermopylae_." De lykstaatsie bewoog zich over 'n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo breed als de prent maar eenigszins toeliet.
Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...
Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten laaghartig misbruik van z'n verdrietige onvolwassenheid. En die m'nheer Byron ook.
Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van 'n mededinger, die--geheel buiten zyn schuld immers--nog niet gereed was? Ook deze onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo'n verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?
Dan zoud-i...
Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?
Alweer die martelende vragen!
Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor 't kiezen had gehad, waar-i door ontlasting van z'n gemoed z'n wrevel had mogen verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien aan Femke's borst.
Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die 't verband zouden begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was, die hy zoo verwenschte.
Ik geloof namelyk dat Byron--in-weerwil van z'n verzen dan--inderdaad dichter was.
_Wouter's_ eerste studien in menschenkennis. _Il y perd son latin_. _Leentje's_ extra-woordenboeksche bydrage tot de kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.
Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen _uiting_ en _daden_, of--want hiermee nam z'n studie 'n aanvang--tusschen _woord_ en _meening_. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds om niet z'n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste aanleidingen die hiertoe meewerkten, was 'n schynbaar onbeduidend voorval. Hy had op last van z'n moeder iets in 'n winkel gekocht, en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was 't eens: "dat dit nu al heel dom was voor 'n jongen die....
Volgt: de schoolknapheid.
...en: die in den handel zou gaan."
--Maar, moeder, de man zei toch....
Allen berstten uit in schamper gelach.
--Als men dáárnaar luisteren zou!
--Nu, wat men in zoo'n winkel zegt!
--Uiliger heb ik 't nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo'n man bly is als-i z'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?
--Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?
--Wat is er aantevangen met zoo'n kind!
De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter's hoofd losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by Leentje geen troost vond.
--Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.
Dit "ikzelf" was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde zoowel: "ik, 't hooge hof van appèl!" als: "ik, die anders zoo graag party voor je trek." Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor Wouter's eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van allen. Leentje zelf had het nu gezegd.
--Maar de man zei toch...
--Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?
--Maar ... hy gaf er z'n woord op!
--Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....