De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz

Chapter 19

Chapter 193,802 wordsPublic domain

--Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men op zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.

--'t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar de "letterkundige" bekwaamheid van deze soort een maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in die boekjes gesproken van "roeiriemen" en "verdek", woorden die nooit over de lippen van 'n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen 'n "jol" heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo'n ding hooren spreken. Ze hebben daar 'n barkas, 'n boot, sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven 'n pover artikeltjen over zoo'n land of volk uit hun eigen "Aardrykskundig Woordenboek" in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu niet welken indruk 'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...

De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!

... we moeten slikken wat zekere m'nheer Van Wyk _thans_ over de door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän zond, laten terugkeeren met 'n hedendaagsche beschryving van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb je meer in je boekje?

--Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en Januari ging men van z'n schip met 'n sloep aan-wal om mosselen te zoeken. _Quaeritur_ waar die sloep vandaan kwam?

--Hy kon zich 'n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar ik herinner me iets van 't maken van zoo'n vaartuig.

De dokter bladerde even:

--Ziedaar, zeide hy. En Herman las:

"Dienzelfden dag--2 December--verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet, waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats, verkreeg den naam van den _Oliviers-baai_."

--Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?

--De uitdrukking "_in apprehensie_ houden" bevalt me niet.

--'n Stadhuiswoord!

--Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.

--Maar 't was 'n rechtzaak!

--_Apprehendere_ beteekent aanvatten, aangrypen...

--O hemel, daar komt Livius!

--Neen, kind... Suetonius. _Apprehendo bucculam_--voel maar!--beduidt: ik knyp m'n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.

--Domme jongen, met je latyn!

--En wat heb je nu tegen de _apprehensie_ van dien Ilpendam?

--Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette. 't Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor 'n zeeman van zyn tyd gepaster voor.

--Dit kan gegrond zyn.

--En Van Noort dan? riepen 'n paar anderen. Die had ook 'n vàn!

--Dat was 'n Admiraal!

--De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.

--Hm! Dien _rang_ hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van de expeditie. 't Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by 't uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor 'n admiraal in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over _apprehensie_?

--Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te _nemen_. De beteekenis van _apprehendere_ is: aangrypen, aanvatten. Men kan iemand niet in "aangryping" houden.

--Korrekt! zei de vader. Korrekt als 'n zonnestelsel...

--Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet niet waarom.

--Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m'n breikatoen.

--Willems poot heeft mama's draad in _apprehensie_ ... gehouden, plaagde Herman.

Oom Sybrand fluisterde Sietske in 't oor.

--_Hoe weet je, dat apprehendere_ "aangrypen" beteekent?

--'t Staat in alle woordenboeken, kind.

--Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.

Oom fluisterde: "'t is knoeilatyn, neen ... 't is latyn ... ook 'n knoeitaal!"

--'t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te veel te-gelyk!

--Kind, bezondig je niet. Als 't niet te veel eer voor je was, zou ik je 't woord wyzen by Cicero.

--Oom?

Sybrand fluisterde.

--Je heele Cicero verstond z'n eigen latyn niet.

--O goden, wat moet ik vernemen, hier in m'n vaders eigen tuin! Kind, ga naar 't land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster, gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, _horresco_! Papa, ik ben verontwaardigd.

--Dit schynt wel!

--Je zit weer op m'n kluw, jongen!

--Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me 'n flinken latynschen vloek, toe!

--Vraag 'm naar den wortel.

--Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is van je ... Cicero?

Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was. Z'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van 't gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen wat Juffrouw Laps "wereldsch" noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en drieëenheid...

Doch z'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat hem bovenal trof, was z'n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover werd nog grooter, toen 't gesprek 'n litterarische wending nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook wel kunnen _begrypen_ ... als ik 't maar _wist_!...

Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde. [26]

Daar kwam zoo-waar 'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar Wouter bleef? 't Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.

--Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?

--Ja, m'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd is.

--Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over 't vonnis van dien Jakob Claesz had ik 'n opmerking te maken. Kaatje, zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.

Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.

--Dat's waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.

Holsma schudde ontkennend het hoofd.

--Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó'n strengheid niet noodig was...

--Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder menschen die hem dooden zouden.

Herman las:

"Den 24sten (_Januari_ 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen."

--Er ligt 'n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.

--Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in 't Journaal van kannibalismus gesproken. Van 'n kind dat men aan-wal geroofd, en geleerd had zich eenigszins in 't hollandsch uittedrukken, vernamen onze reizigers dat z'n landgenooten--sommige stammen althans--zich daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad verkeerde in de _meening_ dat de ongelukkige dien men verstiet, onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen 't barbaarsche Vuurland tot beul.

--En dat gebed!

--Niet waar? 't Is om te yzen! Zoo'n afschuwelyke klucht na 't bloedige voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die Vuurlanders 't ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of maakten ze af, zònder God. Maar zy die 't ware Geloof hadden, doemden den ongelukkige tot zoo'n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid nog den schimp voegden van de bespotting.

--Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.

--Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik--voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der zaak in 't Journaal--voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De straf van "aan-wal zetten" schynt in vroeger eeuwen by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die 't model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo'n wys op z'n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het 'n _wreed_ gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met 'n weinig brood en wyn op zoo'n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hy _wist_ wat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de matrozen--kort geleden nog z'n ondergeschikten--hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem "vaarwel" zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke beteekenis van dàt _vaarwel_! Die wegvarende sloep was 't laatste punt van z'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden 't schip weerzien: hun _te-huis,_ waar ze kameraden hadden, en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om de marteling te rekken van 't besef dàt dit alles voor hem verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan 't ontwyken van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?

De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van de reis verhalen! En daar klonken stemmen--de ongelukkige moet ze gehoord hebben in z'n verlatenheid!--stemmen die aan de teruggekeerden vraagden: "waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam?"

Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by 't staren op den geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet hem 't aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of hy by 't strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of 'n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?

Zeker zal hy aan 't strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van 't besef vooral dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd 'n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn "_Fredrik Hendrik_" waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar immers voer 'n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille kust overlaten aan z'n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!

En toch, toch...

Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met 'n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?

Als er 'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om 't arme dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men niet redden!

Indien een van de roeiers 'n muts had achtergelaten aan den wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om 't verlorene te zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!

Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor 't laatst gezien hebben, haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen, bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts byblyven in 'n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was hem afgesneden, op 't vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden door 't laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.

De Krygsraad vonniste "by meerderheid van stemmen" staat er. Niet by _algemeene_ stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in 'n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van 't admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van 't vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal z'n ambtgenoot, z'n kameraad, z'n makker, z'n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou 't niet zelfs kunnen liggen in 'n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te versterken door 'n beroep op de thans in-acht genomen matiging?

De arme balling moet _gehoopt_ hebben.

Zoolang die schepen daar lagen...

Helaas!

Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by 't ankerwinden! Hy hoort het neerklikken van den pal in 't braadspil. [27] Elke tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder belet, verkort den kabel die 't schip verbindt met anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de richting van de plek waar 't anker den grond vat. En hy, de ervaren zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig, verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen ruk. Gedurende het ophalen van de "bocht" liep het geklikklak van 't yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die 't op den bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van 't kleine voorwerp, als 'n uitroepingsteeken op de verzekering dat er 'n stap méér was gedaan ter-voorbereiding van 't wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt den boeg als 'n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden hoorns. Als 'n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de gestrekte voorbeenen. De _Frederik Hendrik_, _zyn_ schip, _zyn_ trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z'n waterlyn, en heft den achtersteven omhoog, en _jumpt_, en schynt zich te willen laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z'n bevelhebber te verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op 't vreemde strand...

En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in 't zand, in de steenen, in 't koraal, in de spleet van 'n onderzeesche rots misschien...

Zou die bodem medelyden met hem hebben, en 't anker niet loslaten?

Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen 't laatste "_o... ho... ho... iiii!_" dat 'n eind maakte aan allen twyfel.

De zeilen, reeds onder 't ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd tot-tyd sloegen ze _back_, en vertoonden een schyn van onwil tot het verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.

Maar ook dit had opgehouden. Door 'n kleine beweging van 't roer boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z'n strengheid!

De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters maagdelyk gemoed was zeker 't meest aangedaan. Het kostte hem moeite zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, 'n schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft Wouter?

Als 'n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?

De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z'n beschroomdheid te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z'n toon, alsof hy 'n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de opmerking:

--Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!

Indien iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n kring van geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger. Niemand van 't gezelschap riep: foei!

Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen 't gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had, beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op 'n ander onderwerp.

--O zeker, m'n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den moed hebbe opgedaan om z'n lot te dragen. En al ware dit zoo niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om daarvan melding te maken in 't Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben, zéker op 't schip dat rechtstreeks onder z'n bevel stond, misschien wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of hy op de aanhankelykheid en 't plichtsbesef van alle bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-geval _wist_ hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen 't eerste blyk van ongehoorzaamheid en 't by-een roepen van den krygsraad, ligt 'n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in 't Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in 't licht kwam. Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór 't beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by 't eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!

--'t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.

--Misschien!