De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz

Chapter 17

Chapter 173,910 wordsPublic domain

O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo'n bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken die hem beletten eenvoudig te zyn, en 't ware dus eerlyk geweest haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.

't Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen, en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke's vrindje was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo'n groot meisje heeft al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...

Dien pater Jansen had-i graag 'n hartelyken stomp gegeven. Wat moet men doen om _pater_ te worden, Femke's pater? Als er mogelykheid was op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou haar graag 'n zoen geven, elken keer als ze haar "vragen" goed had opgezegd. Jazelfs, hy zou haar 'n zoen geven als daaraan wat haperde of ook al wist ze 't eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren torens. Och hy zou voor Femke zoo'n vriendelyke pater zyn!

Hoe legt men het toch aan, om 't zoover te brengen in de wereld? En kon men er zeker van zyn, dat 'n pater altyd durfde binnengaan als-i ergens wezen wilde?

Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als 't maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen zyn tot in 't binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in z'n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke's moeder? En ... Femke zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! "Toch niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven binnengaan!"

Nu kwam 't hem voor, dat-i liever Femke's moeder had gevonden. Hy zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke's moeder niet.

Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika eigenlyk doen?

En ... àls men 't gevraagd had ... welnu, _hy_ kon makkelyk antwoorden. Zoo'n reiziger in 'n boek met prentjes is nooit verlegen.

Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op 'n schimmel met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z'n ziekte: "omdat de vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had." Hy zou ze koninklyk beloonen...

Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En die gouden diadeem!

Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten, _zy_ kwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z'n vlammende verbeelding, haar 't eerst, haar 't meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel Afrika kunnen wezen, zonder 'n koning! En wie anders kon dit zyn dan hy, Wouter, haar vrindje?

Och dat veroveren van werelddeelen was zoo'n gemakkelyke zaak, meende hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen en die vervloekte _regula de tri_! En hy wist zeer goed dat er nog zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen veroveren kan, of zelfs koning worden van 'n kleiner land. Ook z'n zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor z'n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar 'n ander kind, iets nader aan 't grootzyn dan hy, hem den pas zou afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z'n vlucht neer. Hoe moest hy 't aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z'n moeder, wanneer hy op z'n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?

Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z'n verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.

Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op 'n salomonischen troon waarvan 't model aan z'n prentenbybel ontleend was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde 't heel wel weten "voor 't aangezicht van 't geheele volk" dat ze vroeger maar 'n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder, wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En 't volk hoefde nu voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...

Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z'n moeder en van Stoffel, by-voorbeeld. Die twee mochten 't wel eens zien, vond-i, hoe al die menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was bejegend toen ze in z'n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar als moeder en Stoffel 't éénmaal gezien hadden, was 't genoeg. Dan zoud-i alles vergeven, en voor z'n moeder 'n groot huis laten bouwen, vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i 'n ruime school te laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers, schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van 't vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z'n ouden meester vergunnen daarin den ganschen dag onderwys te geven, van 's morgens vroeg tot 's avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de jongetjes vervelen..

Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van 't vraagstuk hoe hy te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk had-i z'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry onverwachts zag overgeplaatst in 'n geheel anderen kring dan waarin hy sedert 'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning noodig om te begrypen wat z'n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe z'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest over 't verslag van de preek?

Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z'n moeder en Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z'n bezoek uit 'n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i niet erkennen zonder zekere gaping te doen in 't oog vallen, die z'n relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om de vier boeken _Mosis_ aftehandelen, en begreep dat die tydruimte niet te vullen was met twee taartjes en 'n kop chocola. Voorbereid op 't na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van 't oogenblik af dat-i de aschpoort en z'n molens had weergezien, had-i zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat 't mensch zonder genade zou gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.

't Was 'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook, of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z'n hakkelen, want wie goed luisterde naar z'n mededeelingen, kon in waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.

Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog 'n reden die Wouter belette 'n duidelyk verslag te geven van z'n bezoek. Hy was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid, als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had hem zeer gestuit, en nu kwam 't hem voor dat er iets laakbaars lag in 'n aandoening die hy zeker nog minder by z'n moeder en Stoffel zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. "De jongen lykt wel mal, meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i boos weg. Wat is er aantevangen met zoo'n kind?"

Z'n stamelen bracht evenwel 'n heel andere werking voort dan-i verwachten kon. Er scheen 'n reaktie te hebben plaats gehad sedert men hem de deur uitzond. Misschien hadden z'n beide inkwiziteurs zich bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z'n gewoon:

--Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om 't háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan 'n ander...

--Zóó is het, riep de moeder. 't Mensch is gek en verwaand, dat zeg ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo'n kind vergen kan dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo'n kind! Ze doet het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze 't!

Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door z'n byval.

--Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat zyzelf 'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op 'n kind dat pas ziek geweest is! 't Is 'n ware schande! Wat hoefje ook daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...

Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z'n bezoek gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met 'n vermaning om z'n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich in 'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje: "waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo _sleetsch_ was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!"

--En dan zoo'n kind 'n heel uur lang op 'n droogje te laten zitten! En ze had nogal gezegd...

Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy viel z'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z'n gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...

Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen naam geven kon. Waarom toch?

Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...

--Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu, dat's hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel van zoo nu-en-dan eens, als m'n huishouden aan-kant is, wat degelyks te hooren uit de Schrift, of van 't Geloof, of zoowat, maar om nu juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In 't praten zit 't 'm niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat 'n mensch z'n werk moet doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit, dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef 'm z'n ouwe!"

Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker, dat-i in Afrika alle dagen op z'n zondags zou gekleed gaan.

Onze held legt weer 'n bezoek af, en woont akelige tooneelen by. Sporen van kannibalismus in _Europa_. Saturnalie op dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun vader mishandelen.

Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z'n hartje beefde, want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en, na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: "maar boven te komen." Dit "maar" is 'n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende oefening in 't gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan 't verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.

Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch naar de "studeerkamer" waar dokter Holsma bezig was met het vervullen van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.

Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen in 'n hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten was, en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er nog 'n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer, dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch prentte zich alles diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst, geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die hy by z'n binnentreden opving.

Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar zoodra hy z'n figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in 'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de dokter Wouter verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte hy op 'n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!

De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het onuitgesproken: "_wie ben jy?_" heeft by zulke gelegenheden den rang van stilzwygende oorlogsverklaring.

By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat het aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk "wilden" genaamd worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken waarmee "dames" die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen, en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van 't kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de _rudera_ uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons toeteroepen: "vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf en 'n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!"

't Is mogelyk dat die "dames" 't zoo kwaad niet meenen, en dat enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde _mene-mene-tekel_-woede waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden. Om evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt, moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?

Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men kent haar niet!

Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen aan Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. 'n heel ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna niet te byten?

In dat: "ik ken je niet, dus: vyandig!" openbaart zich 'n zonderlinge opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte: primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in holen of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n indringer, als 'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden, dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.

Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma wel. En Willem scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n _pensum_.

--Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf van je. Wat heb je daar?

En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:

--Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.

Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde _Lady_ Macbeth, en wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten vol boeken ... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het ding wel willen inslikken.

Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links, en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den dokter kwam bedanken "voor z'n beterschap... naast God."

Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten, en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n ernstig gelaat vertoonde.

--Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En heb je dan nu God wel bedankt?

--Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk ...

De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z'n neus veel harder te snuiten dan voor 't gewone doel van dien handgreep noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met 'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.

--Orrrde! riep hy met 'n donderende stem, die Wouter bang maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden onder de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!

Daar begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by elken slag 'n vinger op.

--Ik zal jelui allemaal ...

--Vyf! juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe: vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!

De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n _quodlibet_ van _gaudeamus_ en _vive la joie_, en _God save the King_... help mee, jongens! _Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed._ Help! Herman! Help, Willem! Wraak, wraak, wraak! _A bas les tyrans! Amour sacré_--pak 'm beet, Willem, jy bent de sterkste--_de la patrie ... de heer van Son is 'n brave kapitein ... hy regeert z'n volkje_, neen... _daar gang 'n patertje langs den kant_... wraak! _So, so wie ich dich liebe_--wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal de linkerhand wel houden. Toe, jongens!--_Hier ligt myn Damon_, neen ... _io vivat, io vivat ... boum, boum, boum_... hoera! _Dans son bivouac, le troubadour fidèle_ ... wraak! _Fleuve du Tage_ ... wraak! _Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall he_ ... wraak! _Pro salute horum_--geen latyn, riep Sietske--_hop maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho_ ... wraak!

Wouter wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier zag gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier 'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook het ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman en Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen, tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten ... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem dat de wereld niet verging.

--Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid, jongens! Kan ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in aardrykskunde?

--Breng 't dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske die te-paard op z'n schouders zat.

De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te deklameeren en te gestikuleeren:

--O, dierbaar _Afrika_...

Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed!