De Geschiedenis Van Woutertje Pieterse Deel 1 Uit De Ideen Verz
Chapter 10
Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was onbescheiden te wezen in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de vrouw ging heen, na een ernstige vermaning aan Femke, om goed op de bleek te passen, en haar te roepen als 'r kwaêjongens kwamen. Want dat gebeurde wel eens, zei ze.
--Ben je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke Femke.
--O ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe ik dat alles zal te-pas brengen in m'n vers.
Weinig lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen, dat Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin berusten. En 't gedurig waarnemen van die berusting in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde over _algemeene_ toejuiching, den indruk onderzoeken dien z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al gewaagd, in alle anderen veronderstelde. De meeste schryvers, dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken.
Hoe dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan Femke, dat z'n vers hem nog evenzeer bezwaarde als vroeger.
--Je moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat alle regels even lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan ... want dat heeft m'n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.
Femke peinsde, en op-eens:
--Ken je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen was.
--Ach neen...
--Nu, 't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast ... ik zal je helpen. Wil je even op de bleek passen?
Wouter beloofde het, en Femke liep naar huis.
Daar naderden een paar jongens die met steenen wierpen. Wouter, in 't diep besef zyner verantwoordelykheid voor de bleek, riep hun toe daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te loopen. Hy had 'n gevoel of-i Femke-zelf zag mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou bezweken zyn, als niet z'n dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot ongekende hoogte, hy voelde weêr--voor 't eerst in langen tyd--dat prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo verschrikt had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot dichter.
--O Fancy ... Fancy ... sterven voor u ... sterven met zulk een kus op de lippen!
Het speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy had lust in ongelyken stryd.
En Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was, en dus in 't bezit van de _rouerie_ die de Natuur ten bruidschat geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter's ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid beloonen kon.
--Je bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide handen, en kuste hem weêr, en nog-eens ... op 'n wyze alsof ze 't meer gedaan had. Wat toch niet waar was.
--En nu moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan Mischien zal 't je helpen voor je tante...
--Ze is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't boekje wil ik wel zien.
Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen. Femke, grooter dan hy, had den arm om z'n hals geslagen, en wees hem met de andere hand wat hy lezen moest. Een lieve schildery!
--Zie, die regels zyn even lang, zei 't meisje.
--Ach ja ... maar ze rymen niet.
En Wouter las:
Allerreinste moeder, Allerzuiverste moeder, Ongeschonden moeder, Onbevlekte moeder, Machtige maagd, Goedertierene maagd, Getrouwe maagd, Geestelyk vat, Eerwaardig vat, Schoon vat van devotie, Geestelyke roos, Toren van David, Ivoren toren, Deur des hemels...
--Maar Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers? Ik begryp er niets van.
Nu moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip. Maar nu ze door Wouter's onnoozelheid _in morâ_ gesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte hierover, en sloeg 't boekje dicht.
--Maar _ken_ je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.
--Zóó niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd.
--Maar je gelooft toch aan Jezus?
--O ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en torens. Hoort dat by 't geloof?
--Wel zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.
--Zoo? Maria? Ja, dan weet ik het.
--En 't vagevuur?
--Daar weet ik niet van.
--En de biecht?
--Gut né...
--Maar hoe maak jelui 't dan?
--Hoe meenje dat, Femke?
--Wel ... om zalig te worden.
--Ja, dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje, om in den hemel te komen?
--Wel zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige Maagd, en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer, Wouter? Dan komen we samen in den hemel.
Nu, dit wilde Wouter wel. En Femke begon:
--God schiep de wereld...
--Wat deed hy vóór dien tyd, Femke?
--Dat weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome, weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de menschen weer goed te maken ... dat is lang geleden...
--Ja, dat weet ik wel, zei Wouter. Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z'n geboorte.
Dit wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de wysheid aan van den ander, en Wouter was grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof, al was het dan volgens Femke 't ware niet.
--Nu, Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en als je nu goed bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't nu, Wouter?
--Nog niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?
--Wel, dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld alsof je ... _pater_ tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...
Femke zocht een voorbeeld. ...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?
--Wel ... ik zeg: moeder.
--Juist. Maar hoe noemt haar een ander?
--Dan zeggen ze jufvrouw Pieterse.
--Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse noemt. Als men roept: _jufvrouw Pieterse!_ dan is het, dat ze luisteren zal, en zoo wil _ivoren poort_ zeggen, dat men onder de Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is 't te doen.
--Maar Femke, wat is dat toch eigenlyk ... een maagd?
Femke kleurde.
--Dat is iemand die nooit een kindje gehad heeft...
--Ik? vroeg Wouter verbaasd.
--Wel neen, malle jongen ... 't moet een meisje wezen.
--Ben jy een maagd?
--Wel zeker...
Femke sprak de zuivere waarheid.
--Wel zeker ... omdat ik niet getrouwd ben.
--Maar Maria was toch getrouwd ... en Jezus was haar kindje.
--Dat is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke. En daarom heet ze _ivoren poort_. Begryp je 't nu, Wouter?
Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde verlof het boekje meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet, want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide zy, en Wouter berustte hierin met te-meer spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen. Ze wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen vragen. Dan kon Wouter heel gauw zoo knap worden als de beste.
Wouter vertrok, na Femke hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met de bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan 't vers dat-i maken moest. En--zonderling!--ook scheen er verband tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z'n gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort begrip van Femke's theologie. Hy zou _begrepen_ hebben dat haar weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn onbestuurd _gevoel_ veranderde alles van zin. Thuiskomende bladerde hy in Stoffel's boeken, of daarin ook soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven, en z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen.
Hy had aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden. Hy kon zich 't _niet-zyn_ niet voorstellen, en het verdroot hem, niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ééne onbekende: de oorzaak van het _zyn_.
--Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder gehad, zuchtte hy ... goed! En de oude heer Pennewip, die spekslager was ... zou dàt ook de reden zyn dat Slachterskeesje ... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben ... en die weer ... en die ook ... en die weer ... ja altyd ... maar wie is de _eerste_ Pennewip geweest? En wie zou de varkens geslacht hebben, vóór er spekslagers waren? En wat deden de spekslagers, toen er nog geen varken was?
En waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of 't eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?
En God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben. Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van, en zou 't toch zoo graag willen weten.
Ja, Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. 't Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om zich een _begin_ te denken. En als veel anderen--ouder, maar niet veel wyzer dan hy--wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy 't weten, dacht-i...
Aan hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan Plato, Kant en dezulken.
En voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten betalen als-of 't wysheid geweest ware.
Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter. Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van 't vers, dat nog altyd niet op stapel stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen. Intusschen droomde hy van Femke, van haar blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...
--Zou _zy_ 't wezen ... Omikron? dacht hy.
Zoo droomde 't kind. En by den knaap, als in de ontwikkelingsperiode der menschheid, werkten de krachten van de driedubbele veêr die ons voortdryft, in ééne richting.
_Beminnen, weten, stryden_--alles saêmtevatten in: _beweging_--ziedaar de zielkundige analyse van 't doel dat de jeugd aantrekt, en die tevens eenige opheldering geeft van de Wereldgeschiedenis, vooral uit de tyden die we gewoon zyn duister te noemen, doch die in zekeren zin helderder voor ons oog staan, dan de zoogenaamd-strikthistorische.
De knaap _Wouter_, evenals 't kind: _Menschdom_, werd voortgedreven door 'n driedubbele kracht, door behoefte aan _liefde_, aan _wetenschap_ en aan _stryd_.
Als in de _genesis_-legende, en in het drama van Faust, moest ook de weetgierigheid van Wouter, samensmeltend met de aantrekkingskracht die 'n onbeduidend meisjen op hem uitoefende, het middel wezen om hem toeterusten tot den stryd dien hy zou te voeren hebben. [16]
Waarheid in legende.
--Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over 't geloof?
Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr by haar zat op 't omgekeerd mandje.
--Ja, maar ze zyn niet mooi.
--Ken je niet wat van-buiten?
Wouter zei 'n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i 't mooi opzei.
--Lees je niets anders?
Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van Stoffel: _Werken van 't dichtlievend genootschap_... Ippel, _Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de brandwacht... Geschiedenis van Jozef, door_ Hulshoff ... _De brave Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domine_ Hellendoorn... _Kathechismus van_ idem... Hoorn _liedeboek_...
Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by Femke. Eindelyk:
--Ik weet wel iets, maar 't is niet van 't geloof... het is van Glorioso...
Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak hy afgebroken, en met al de _en toens_ die niet gemist kunnen worden by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den toestand van z'n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van z'n korf, en bootste de daden van z'n held na, zoodat Femke er van schrikte. Maar prettig vond ze 't toch, en toen hy eindelyk zweeg, was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift gevallen in haar hart, dat als 't zyne klopte van verrukking over al 't schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als 'r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En 't fraaist was, dat er uit Wouter's vertelling bleek hoe zuiver zoo'n italiaansche roover in 't geloof is.
--Weet je niet nog iets?
--Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... 't staat in een klein boekje ... een almanak, geloof ik.
En hy verhaalde:
--Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al de koningen van dat land heetten Inca...
--Zoo als hier Oranje ...
--Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru--want het land heette Peru--waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met 'n meisje dat niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...
--Is 't waarlyk gebeurd, Wouter?
--Het staat zoo in 't boekje, Femke. Nu was er een koning die drie kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco en Kusco, maar den naam van 't meisje heb ik vergeten.
--Zeg maar Marie.
--Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter, of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?
--Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt, of van die prinses.
--Goed: Emma. Emma was 't eenige zonnekind in heel Peru. En niemand wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?
Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk gehad... dat kan heel goed.
--Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.
--Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.
--Het staat zoo in 't boekje, Femke. En ... 't is lang geleden, heel lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de ivoren poort.
Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar 't verhaal, hield ze zich of Wouter's oplossing haar voldeed.
--Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.
--Dat kan heel goed ... met 'n brandglas.
--Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of 't een letter T was, dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed aan de zon...
--Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.
--Ja juist, 't staat ook in 't boekje dat die menschen in Peru afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen, zie ... 't is lang geleden ... en 't was een ander volk ... een heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in Frankryk ... daar noemen ze een vader: _père_ ... dus je ziet wel dat ieder volk zoo z'n eigen manieren heeft.
Femke knikte, als byna overtuigd.
--Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê, want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel, want als Kusco's houtstapel 't eerst brandde, zou hy Inca worden, en Telasco bleef maar prins. En als Telasco's stapel 't eerst aanging, werd _hy_ koning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was 't ook een heele zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag weten wie 't wezen zou...
--Maar ... 't waren haar broêrs!
--Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy 't eenige zonnekind was. Ze woonden in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...
--Ja, dat 's waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof haar de vertelling kosten zou. 't Zal wezen als met Glorioso en die gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in verre landen.
--Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon geen der beide brandstapels aan...
--Hé... zei 't meisje verwonderd, want na al 't zonderlinge dat ze vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.
--Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en 't volk van Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze 't meest beminde zou koning zyn.
--Toen was 't gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.
--Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy voortrok in haar hart, dan wilde zy 't niet zeggen, omdat ze den ander te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden, en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...
--Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy meende niet goed verstaan te hebben.
--'t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco, haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.
Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook niet. En ook niet by den koning, die in 't geheel geen raad geven wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. 's Avonds in 't woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei: lieve Kusco... en ze legde 't hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.
--Kun je 't boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze wilde zoo gaarne dat prentje zien.
--Ach neen, 't boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets mag wegnemen uit z'n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?
--Wel neen!
--In 't boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten, kwam Telasco. Hy beluisterde hen--één oogenblik maar--en trad op-eens te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: "heil u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen." En hy boog z'n hoofd tot de aarde, en wilde Kusco's voet op z'n nek plaatsen. Dat beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. "Zy heeft _u_ lief, broeder, sprak Kusco, aan _u_ denkt zy, van _u_ droomt zy, _u_ bemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca van Peru."
Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig, en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwyl ze aan de eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich, en... toen zat ze in 't midden, tusschen de beide broeders. En als ze Telasco kuste, zuchtte zy: "Lieve Kusco!" en als ze Kusco liefkoosde, fluisterde zy Telasco's naam... och, Femke, 't was zoo moeielyk!
--Ja, zuchtte Femke, 't was een moeielyk geval.
--En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was, zeide hy: "Gy moet kiezen, Emma!" in de hoop dat ze Kusco gelukkig maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z'n eigen smart dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z'n broeder.
En Kusco riep: "Kies, Emma!" telkens als zy zich wendde naar Telasco's zyde, maar hy zweeg als Emma's hoofd op _zyn_ schouder lag. Hy vreesde den dood niet--want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met háár--maar hy was bekommerd over Telasco's jammer, als deze Emma's beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen, Femke? Ik weet niet of ik 't goed vertel, maar 't staat zoo in 't boek...
--Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen, zieje, daar komt het van.