De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 9
Athene had al het mogelijke gedaan om de Grieksche staten tot eensgezindheid te brengen en hen over te halen een bondgenootschap te sluiten. Zij had de bijeenkomst op de landengte van Corinthe op touw gezet; zij had het opperbevel van het leger niet voor zich opgeëischt; en hoewel zij heel wat meer schepen bezat dan alle andere staten te zamen, had zij er in toegestemd, dat het opperbevel over den vloot in handen der Spartanen werd gelegd. Nu was zij door geheel Griekenland verlaten. Haar eenige hoop en bemoediging lag in die ééne zinsnede van het orakel; "De houten muren zullen veilig blijven voor u en uwe kinderen"; doch de burgers konden het niet eens worden over de beteekenis dier uitdrukking. Een ander gezegde, dat hen zeer in verlegenheid bracht, luidde: "Heilig Salamis, gij zult het kroost van vrouwen verdelgen." Themistocles hield vol, dat "het kroost der vrouwen" de Perzen beteekende. "Indien het de Grieken had moeten beteekenen," zoo redeneerde hij, "zou het orakel Salamis niet "heilig", maar veeleer, "ongelukkig" hebben genoemd; het beteekende ongetwijfeld, dat de Perzen bij Salamis een vreeselijke ramp moest treffen. Wat het orakel ook mocht bedoelen, het stond vast, dat de stad niet kon gered worden. Toen begon een heen en weer vliegen, een opeenhoopen van vrouwen en kinderen in de booten, en een haastig over het water trekken naar veiliger plaatsen. Zij waren nauwelijks uit het gezicht van Athene, toen reeds de Perzen op Athene aanstormden. Zij wierpen de stad ten onderste boven, plunderden en verbrandden haar, totdat er niets anders overbleef dan torenhooge brandende puinhoopen. De eenige hoop der Grieken was in Salamis en in Themistocles gelegen. "Wij zullen den vijand bij den Isthmus bestrijden," riepen de mannen van den Peloponnesus, "en als wij dan verslagen worden, kunnen wij naar onze woonplaatsen terugwijken." Themistocles bewoog hemel en aarde, om hen van dit besluit af te brengen. "Wij kunnen de Perzen te gemoet trekken in de nauwe zeestraat bij Salamis," zoo sprak hij, "en dan doet het er niet toe, hoeveel schepen zij hebben, nu er voor hen daar geen plaats is, om meer dan enkele te gebruiken. Een overwinning bij Salamis zal den Peleponnesus even goed beschermen als een overwinning bij den Isthmus; en het is bij Salamis, dat de godheid ons een overwinning heeft beloofd." Hier viel een Corinthiër hem in de rede, met den uitroep: "Gij zijt niets anders dan een man zonder stad! Laat ons zien, van welken staat gij een afgezant zijt." Themistocles had zich kalm gehouden bij alle andere ergerlijke en tergende redevoeringen, maar nu viel hij tegen zijn tegenstanders uit. "Geen vaderland!" riep hij uit. "Ik heb tweehonderd schepen onder mijn bevelen, die alle gereed zijn voor den strijd. Welke staat van Griekenland kan mij weerstaan, als ik verkies een landing te doen? Weest door mijn woorden overtuigd. Zoo niet, dan zullen wij onze gezinnen medenemen en voor ons woonplaatsen zoeken in Italië. Als gij ons als bondgenooten verloren hebt, zult gij u herinneren, wat ik gezegd heb."
De staten begonnen overtuigd te worden van de kracht der Atheners, en hadden volstrekt geen verlangen, hen te verliezen. Zij besloten eindelijk bij meerderheid van stemmen, de Perzen bij Salamis af te wachten; maar nog steeds bleven de mannen van den Peloponnesus protesteeren. "Dit is goed voor de Atheners" morden zij, "maar voor ons is het volstrekt geen voordeel." Het gelukte hun, een tweede vergadering te doen bijeenroepen, en Themistocles zag, dat de stemming nu weer anders zou uitvallen. Daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zond een vertrouwden slaaf naar de Perzen, die hun een boodschap moest overbrengen. "Een Atheensche bevelhebber, die u goed gezind is, zendt u de volgende boodschap: "De Grieken zijn verdeeld. Enkelen zullen u tegenstand bieden, anderen zullen uw partij kiezen. Gij hebt nu een prachtige gelegenheid een roemrijke overwinning te behalen." Daarna keerde hij ongemerkt in de vergaderzaal terug. De debatten duurden voort tot lang na middernacht. Midden onder de besprekingen werd Themistocles een boodschap gebracht: "Er is iemand buiten de zaal, die u wenscht te spreken." Het was Aristides, die uit de ballingschap was teruggekeerd, daar allen, die verbannen waren, waren teruggeroepen, uit vrees dat zij met de Perzen gemeene zaak zouden maken. Hij verlangde vurig, zijn mededinger te helpen, roem en eer te verwerven, als slechts Griekenland gered werd. "De Perzische schepen zijn bij den ingang der zeeëngte," fluisterde hij. Themistocles zag, dat de vijand zich door hem had laten verschalken, en dat de Grieken nu gedwongen zouden worden te strijden, tegen hun wensch.
Des morgens begon de slag bij Salamis. De gevechtslinie der Grieksche schepen strekte zich uit van Salamis tot Attica. Iets meer zuidelijk, aan den ingang der zeeëngte, lagen de Perzische schepen. Op de kust van Attica, op een hoogen heuvel, die over de zeeëngte uitzag, zat Xerxes op zijn troon, gereed iedere beweging met de oogen te volgen. Den geheelen dag door woedde de slag. De Perzen hadden een zóó groote menigte schepen, dat zij in elkander verward geraakten. Zij dreven hulpeloos voort met gebroken riemen en zonder roer. De Grieken deden ze één voor één zinken; zij verjoegen den vijand uit de zeeëngte; zelfs zeilden ze om de Perzische schepen heen en vielen hen van de andere zijde aan. Toen de nacht gevallen was, hadden de Grieken den zeeslag luisterrijk gewonnen. Het beteekende veel meer dan het winnen van een eenvoudigen zeeslag, immers Xerxes was reeds naar huis vertrokken, zoo snel varende als een schip hem kon wegvoeren, uit vrees dat de Grieken de bruggen zouden afbreken, die over den Hellespont geslagen waren, voordat zijn troepen daarover heen konden trekken. Hij was bitter teleurgesteld en had van de geheele onderneming genoeg, zoodat hij volkomen bereid was te luisteren naar zijn veldheer Mardonius. "Gij hebt gedaan, wat gij wildet," zoo sprak Mardonius, "gij hebt Athene gestraft en kunt dus gerust naar Perzië terugkeeren. Laat mij met driehonderdduizend manschappen achter, en ik kan spoedig het overige gedeelte van Griekenland veroveren."
Het middel, dat Mardonius bij die verovering toepaste was, dat hij trachtte Athene om te koopen, om zich bij hem aan te sluiten. "Xerxes zal vergeven wat geschied is," zoo sprak hij. "Hij zal tempels voor u bouwen, zal u helpen, land te veroveren, en zal u vrijlaten, als gij onze bondgenooten wilt worden." Hierop antwoordden de Atheners: "Zoolang de zon haar loop aan den hemel blijft volgen, zullen de Atheners nooit met Xerxes tot een vergelijk komen." Toen marcheerde Mardonius recht op Athene aan. Het land was daar nog, en de gedeeltelijk opgebouwde huizen; maar de Atheners waren ten tweeden male uit de stad gevlucht; zij waren allen bij Salamis. Een tijdlang scheen het, of de staten van den Peloponnesus nergens belang in stelden dan in hun eigen veiligheid; maar ten slotte zagen zij in, dat zij moesten helpen bij de bestrijding van Mardonius, als zij zich zelf wilden redden. Zij vervolgden hem tot in Boeotië. Daarop volgde een woedend gevecht bij Plataea, waar Mardonius sneuvelde. Wat van de Perzische schepen was overgebleven, was naar Samos vertrokken, en hield nauwlettend toezicht op de Jonische koloniën, daar het duidelijk was, dat deze zich zouden vrijmaken, zoodra zij daartoe de kans gunstig zagen. De Grieksche schepen lagen bij Delos. Drie mannen uit Samos kwamen heimelijk daarheen. "Komt en helpt de Joniërs, om zich vrij te maken," zoo vroegen zij met aandrang. "Gij kunt gemakkelijk de barbaren verdrijven, want hun schepen kunnen het tegen de onze niet volhouden. Zoodra gij in het gezicht gekomen zijt, zullen de Joniërs opstaan." De Grieken besloten koers te zetten naar Jonië. Zij verwachtten een zeeslag te moeten leveren, maar het bleek hun, dat zij op het droge hadden te strijden, daar de Perzen hun schepen bij Mycale in Jonië op het strand hadden getrokken, en daaromheen een muur van houtblokken en steenen hadden opgeworpen. Toen de Grieken dit zagen, gingen zij aan land. De barbaren waren spoedig uiteen gedreven, terwijl de Jonische volksplantingen zich aansloten bij het Grieksche statenverbond. Dit was de slag bij Mycale, die op denzelfden dag geleverd werd als de slag bij Plataea. Zoo waren dan de Grieken verlost van de vrees voor de Perzen; immers nooit meer na dien tijd heeft een Perzisch leger den voet gezet op Griekschen bodem.
HOOFDSTUK XII.
NA DEN PERZISCHEN OORLOG.
De Grieken waren gewoon, nadat zij een veldslag hadden gewonnen, belooningen te schenken aan dien staat en aan dien veldheer, die het meest had bijgedragen tot het behalen der overwinning. Het is duidelijk genoeg, dat de eerbewijzen, die na den slag bij Salamis zouden worden uitgereikt, moesten worden toegekend aan Attica en aan Themistocles; maar de Peloponnesus was naijverig op Attica, en daarom werd de hoogste belooning aan een staat, aan Aegina toegekend. De poging, om den dappersten aanvoerder aan te wijzen, was nog al vermakelijk, immers iedere veldheer zette Themistocles op de tweede plaats, terwijl hij zijn eigen naam bovenaan plaatste. Bij de verdeeling van den oorlogsbuit werden de goden niet vergeten. Drie oorlogsschepen werden hun gewijd. Een tiende deel van den buit werd naar Delphi gebracht, en daarvan werd een standbeeld van Apollo vervaardigd met afmetingen, driemaal zoo groot als een man, en dat in zijn ééne hand den voorsteven van een schip hield. Na den slag bij Plataea bleek het, dat de tenten, die door de Perzen waren achtergelaten, vol waren van de kostbaarste schatten. Er waren daar schalen en bekers en zelfs ketels van zwaar goud; er waren daar rustbedden, bedekt met gouden platen; er waren daar gouden armbanden en kettingen; en er waren daar lange en korte zwaarden, met gouden handvatsels. Bovendien waren er prachtige geborduurde mantels, benevens gordijnen en karpetten in zóó groote hoeveelheid, dat niemand er aandacht aan schonk. Ook daarvan kregen de goden een ruim aandeel. Van het gedeelte, dat naar Delphi gezonden werd, werd een gouden drievoet vervaardigd, die stond op een vast ineengekronkelde driekoppige bronzen slang. Nog jaren na den slag plachten bewoners van Plataea, die over het slagveld ronddoolden, gouden en zilveren schatten te vinden, die men eerst niet had opgemerkt. Welke staat den prijs voor dapperheid te Plataea zou krijgen, was moeilijk uit te maken, want zoowel Athene als Sparta maakten er aanspraak op. Om een einde aan den twist te maken, besloot men den prijs aan Plataea te schenken. Hier werden tempels voor Athene en Zeus opgericht. Een orakel verklaarde, dat de gewijde vuren niet langer heilig waren, daar zij door de barbaren bezoedeld waren. Zij werden daarom alle uitgedoofd, en een renbode, om de snelheid van zijn loopen bekend, bracht kolen uit Delphi, waardoor de vuren weer opnieuw werden ontstoken. De Grieken bepaalden onderling, dat het grondgebied van Plataea ten eeuwigen dagen als gewijde grond zou worden beschouwd, en dat het de plicht zou zijn van de inwoners van Plataea, telken jare een offer te brengen, ter herinnering aan de soldaten, die op hun grond gesneuveld waren. Dit werd minstens drie eeuwen volgehouden. Als de dag van het offer was aangebroken, deden de trompetten haar krijgsgeschal in den vroegen morgen weerklinken. Dan vertrok de optocht. Deze bestond uit vrijgeboren jonge mannen, die welriekende oliën en reukwerken droegen, benevens melk en honig. Zij voerden een zwarten stier met zich mede, en wagens gevuld met mirtekransen en mirtetakken. Achteraan liep de archont, met slepend purperen gewaad, en met zwaard en gieter. Op de gedenkteekenen der helden stonden kleine zuilen, waarop hun vrienden plachten bloemen te plaatsen. De archont waschte die zuilen met eigen hand en wreef ze in met reukwerk. Hij offerde den stier, en verdeelde de mirte. Daarna vulde hij een kom met wijn en plengde een offer, onder het uitspreken dezer woorden: "Ik bied dit offer aan ter eere van de mannen, die voor de vrijheid van Griekenland hun leven hebben opgeofferd." Bij het begin van den oorlog, toen de Spartanen het opperbevel over de vloot opeischten, zeide Themistocles tot de Atheners: "Gedraagt u als mannen tijdens den oorlog, dan zullen, zoodra deze geëindigd is, de Grieken u den eersten rang toekennen." De oorlog was nu geëindigd, en zijn woorden werden bewaarheid; want wat ook de vele staten mochten zeggen, zij wisten al te wel, dat Athene de leidende staat onder de Grieken was. De dichters hadden Athene altijd lief gehad. Pindarus, hoewel zelf een Thebaan, kon bijna nooit den naam der stad noemen zonder haar, "heerlijk" of "geliefd" of "roemrijk" te noemen. In één opzicht behoorde Pindarus niet alleen aan Thebe, maar aan geheel Griekenland; immers veel van zijn gedichten zijn vervaardigd ter eere van de overwinnaars bij de spelen of van Apollo zelf. Hij placht naar Delphi te gaan en zijn gedichten te zingen. Gedurende meer dan zeshonderd jaar werd de ijzeren stoel, waarin hij gezeten was, in den tempel bewaard als een van zijn grootste schatten.
Zelfs de liefde van een zoo beroemd dichter als Pindarus zou een stad niet kunnen beschermen. Themistocles was een verstandig man. Hij wist, dat de overige staten afgunstig op Athene zouden zijn, en haar waarschijnlijk zouden beoorlogen. De eenige hoop om die staten te kunnen weerstaan, bestond hierin, dat men de stad de sterkste van het geheele land maakte. Zij lag nu nog in puinhoopen. Het grootste gedeelte van den muur was neergehaald, en de Atheners waren over verschillende plaatsen verstrooid, waar zij maar een schuilplaats vonden. Zij waren blijde te kunnen terugkeeren, zelfs naar de hoopen asch en steen, het eenige, dat van hun huizen was overgebleven; en met moed en opgewektheid begonnen zij hun huizen op te bouwen. Er was echter ander werk, dat gedaan moest worden, zelfs vóór het opbouwen der huizen. In dat warme klimaat was het geen groote opoffering, een tijd lang buitenshuis door te brengen, en Themistocles zeide hun, dat eerst de muur weer moest worden opgebouwd. Zij keurden dit goed, en zij gaven gevolg aan zijn raad, om dien muur een lengte te geven van elf kilometers, zóó, dat hij de Acropolis omgaf en een voldoende hoeveelheid grond, om al het landvolk op te nemen, indien ooit een aanval op Attica werd gedaan.
De Spartanen waren daarover niets gesticht. Zij zonden afgezanten naar de Atheners, om hen er aan te herinneren, dat Sparta geen muren had. "Het is niet verstandig voor eenige Grieksche stad, zich met muren te omgeven," zoo redeneerden zij; "immers indien er overweldigers kwamen, zouden zij misschien de stad in bezit nemen en door de muren zóó goed beschermd zijn, dat zij verder zouden kunnen gaan en den éénen staat vóór, den anderen na op hun gemak konden overweldigen." Themistocles antwoordde met veel overleg; "Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor uw redeneering, wij zullen daarom afgezanten naar Sparta zenden, om die zaak degelijk met u te bespreken." De Spartanen hadden altijd veel van Themistocles gehouden, en zij gingen dan ook tevreden naar huis.
Toen deelde de slimme Themistocles de Atheners zijn plan mede. De muur moest zonder één oogenblik verwijl worden opgebouwd. Zij gebruikten voor het werk niet alleen steenblokken, afkomstig van de verwoeste huizen en tempels, maar zelfs grafsteenen. De vrouwen werkten mede als mannen, en zelfs de hulp van een kind, dat een handvol aarde kon aandragen of een stuk gereedschap aan een werkman kon geven, was welkom. Het werk werd dag en nacht voortgezet. Themistocles en twee anderen waren aangewezen als afgezanten naar de Spartanen, en na zóólang gewacht te hebben, als hij maar met mogelijkheid kon, ging Themistocles naar Sparta. Hij vertelde de Spartanen, dat zijn beide ambtgenooten waren opgehouden, doch spoedig zouden verschijnen, en dat dan de geheele zaak gemakkelijk kon worden geschikt. Terwijl zij daarop wachtten, begonnen de Spartanen geruchten te vernemen, dat de Atheensche muren met groote snelheid verrezen. "Wat beteekent dit?" vroegen zij Themistocles. "Schenkt toch geen geloof aan losse geruchten," antwoordde hij. "Zendt afgezanten naar Athene, en dan kunt ge uit eigen beschouwing de waarheid leeren kennen."
Intusschen waren de beide andere gezanten uit Athene naar Sparta gekomen en hadden Themistocles verteld, dat de muren reeds hoog genoeg waren opgetrokken, om ter verdediging te kunnen dienen. Hij had zich verzekerd, dat tegen zijn veiligen terugkeer geen bezwaar zou kunnen worden gemaakt, door aan de Atheners te schrijven: "Houdt de Spartanen als gijzelaars vast, totdat ik met de overige afgezanten veilig in Athene terug ben." Nu deelde hij de Spartanen mede, dat Athene moest doen, wat zij in haar eigen belang het best achtte. "Als gij en uw bondgenooten van oordeel zijt, dat geen enkele Grieksche stad muren moet hebben, begint dan allen met uw eigen muren neer te halen." De Spartanen waren boos, maar konden er niets aan doen, en de Atheners voltooiden hun muur.
De uitslag van den oorlog had het duidelijk gemaakt, dat het noodzakelijk was, dat Athene sterk was, niet alleen te land, maar ook ter zee. Het moest een groote vloot bezitten en eveneens een veilige haven, die de schepen kon beschermen tegen stormen of aanvallen van den vijand. Phalerum was de oude haven, maar reeds vóór den oorlog had Themistocles het oog gevestigd op de haven van den Piraeus, zeven of acht kilometers van Athene verwijderd, en was hij begonnen die te versterken. Die haven was een bekken, dat groot genoeg was, om wel driehonderd schepen te bevatten. Daar omheen kromde zich een schiereiland, dat in een rotsmassa eindigde, zoodat alleen een nauwe toegang was vrijgelaten. Langs den rand van dat schiereiland bouwden de Atheners een muur van meer dan elf kilometers. En wat voor een muur was dat! Dertig voet hoog, breed genoeg voor twee wagens, om langs elkander heen te rijden, en dat alles van stevige steenen vervaardigd, met ijzer vastgeklampt.
Dit alles geschiedde tusschen de jaren 479 en 477 vóór Christus. Gedurende dien tijd werd nog ander werk voortgezet, immers in één opzicht was de Perzische oorlog nog niet tot een einde gekomen. De Jonische volkplantingen waren ten tijde van den slag bij Mycale vrij geworden, maar de Perzen hielden nog een aantal andere kleinere plaatsen bezet langs de kust van Klein-Azië en in Thracië. De belangrijkste van die plaatsen was Byzantium, het tegenwoordige Constantinopel. Er kon geen veiligheid en rust zijn, zoolang de Perzen nog vestingen hadden in de nabijheid van Griekenland, waar zij troepen en schepen konden bijeen brengen, en van waar zij konden optrekken om de Grieken aan te vallen. Bovendien had Griekenland meer koren noodig dan het land voortbracht. Tot nu toe was het koren daarheen gebracht door de Propontis, wat nu de zee van Marmora is; maar terwijl de Perzen Byzantium in bezit hielden, kon geen koren uit die streken zijn weg vinden naar Griekenland. Een vloot werd nu uitgezonden, die Byzantium belegerde en innam.
Aristides stond aan het hoofd van de Atheensche schepen; maar de Spartaan Pausanias, die de troepen bij Plataea had aangevoerd, was opperbevelhebber der vloot. Indien Pausanias bij Plataea zou zijn gesneuveld, dan zou van hem de herinnering bewaard zijn als van een dapper en vaderlandslievend veldheer; doch nu is hij in de herinnering gebleven als een verrader. Na de overwinning bij Plataea gedroeg hij zich, alsof niemand dan hij zelf iets in den strijd had uitgericht; en na de inneming van Byzantium dacht hij zich den grootsten man ter wereld. Griekenland was voor een zoo machtig veldheer naar zijn opvatting een te klein land: Zijn roem zou heel wat meer op prijs gesteld worden in het machtige Perzische rijk. Hij deed daarom zijn best, zich de achting te verwerven van Xerxes, door hem de aanzienlijkste mannen terug te zenden, die bij Byzantium waren gevangen genomen. Nog erger dan dit, hij gaf hun een brief aan Xerxes mede van den volgenden inhoud: "Indien gij mij uw dochter ten huwelijk wilt geven, zal ik Griekenland voor u veroveren." Xerxes beloofde hem niet, hem zijn dochter te geven, maar stemde erin toe, hem alle manschappen en al het geld te verschaffen, dat hij voor de verovering mocht noodig hebben. Toen geraakte Pausanias geheel buitenzinnen. Hij begon op te treden als ware hij een hoog staatsambtenaar in Perzië. Hij kende geen Spartaanschen eenvoud meer; hij droeg de rijkste Perzische kleederen en leefde zoo weelderig mogelijk. Toen Aristides daarop aanmerkingen maakte, draaide hij zich om, terwijl hij zeide, dat hij geen tijd had naar hem te luisteren.
Toen de Spartanen bericht hadden ontvangen omtrent het gedrag van Pausanias, bevalen zij hem, naar huis terug te keeren. Zij konden niet bewijzen, dat hij verraad smeedde, maar na korten tijd bleek het duidelijk, dat hij de Heloten opstookte, om tegen hun meesters op te staan. Hij vluchtte naar een vertrek, dat grensde aan den tempel van Athene, en werd daar door de Spartanen ingesloten, om den hongerdood te sterven. Om de vergiffenis van Athene te verwerven voor de verontreiniging van haar tempel, schonken zij haar twee bronzen standbeelden.
De laatste levensjaren van Themistocles waren niet veel eervoller dan die van Pausanias. Na zijn bedrog in verband met de muren van Athene haatten hem de Spartanen; en het is mogelijk, dat deze niet vreemd waren aan het scheidsgerecht, dat omstreeks een jaar vóór den dood van Pausanias gehouden werd. Er was reden te gelooven, dat hij medeplichtig was aan het komplot van Pausanias om Griekenland voor de Perzen te veroveren. Het was algemeen bekend, dat hij van de Perzen geschenken had aangenomen; en men begon te mompelen over den door hem op het einde van den oorlog gegeven raad, om Xerxes niet te vervolgen of de brug over den Hellespont niet af te breken. "Het is inderdaad waar, dat hij zeide, dat het beter was de Perzen buiten Europa te krijgen en hen dan in Azië aan te vallen," zoo redeneerden zij; "maar het zou hem niet moeilijk vallen, Xerxes er van te overtuigen, dat dit plan werd aangeraden als een hem bewezen gunst." Dit was dan ook juist wat Themistocles deed. Hij was van de ééne plaats naar de andere gevlucht, en ten slotte naar het hof van Xerxes. Hij bracht den koning dien door hem bewezen dienst in herinnering, en eindigde zijn beroep op zijn gunst met de woorden: "Indien gij mij uit den weg ruimt, ruimt gij den vijand van Griekenland uit den weg." De koning had er niet aan gedacht, hem uit den weg te ruimen. Hij was ten zeerste verheugd, een zoo schitterend man aan zijn hof te hebben, en hij riep uit: "Moge de geest van het kwade het altijd in de harten mijner vijanden leggen, hun grootste mannen te straffen!" Driemaal vloog hij dien nacht in zijn slaap op, terwijl hij uitriep: "Ik heb Themistocles, den Athener, bij mij."
Themistocles werd een groot gunsteling van den koning, en leerde Perzisch, opdat zij zonder de tusschenkomst van een tolk met elkander zouden kunnen spreken. Drie steden werden hem in handen gegeven, om hem van "brood, wijn en vleesch" te voorzien--hetgeen schijnt te hebben beteekend, dat hij het recht had, daaruit zooveel vandaan te halen als hij begeerde. Hij bracht zijn laatste levensjaren in weelde en ledigheid door. Ten slotte verzocht de koning hem, zich aan het hoofd te stellen van een expeditie tegen de vloot der Grieken. Hij kon er niet toe besluiten, dat te doen; en toch kon hij het den koning niet weigeren. Hij kwam dus tot de overtuiging, dat er geen andere uitkomst mogelijk was, dan zich het leven te benemen. Dit was het einde van den man, dien de Grieken zóózeer hadden bewonderd, dat toen hij bij de Olympische spelen verscheen, de geheele talrijke menigte alle onderlinge twisten vergat en zich omwendde, om naar hem te zien en hem aan te wijzen aan hen, die hem niet herkenden.