De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 8
Toen het leger aan den Hellespont kwam, stond op den top van den heuvel een witte marmeren troon, dien Xerxes voor zich had laten gereed zetten. Daarop zette hij zich neder. Onder hem zag hij honderden schepen en ontelbare duizenden manschappen, de grootste land- en zeemacht, die ooit was bijeengebracht. Xerxes had altijd groot genot in een schoon schouwspel. Hij staarde naar alle richtingen, naar de zee, de kust en weer naar de zee; en de gedachte, die toen in de eerste plaats opkwam in den geest van dien koninklijken aanvoerder was, dat hier een uitstekende gelegenheid was voor een roeiwedstrijd! De roeiwedstrijd werd werkelijk gehouden, en de koning genoot er ontzaglijk van. Hij was nog meer verheugd, toen hij weer op zijn troepen neerzag. Maar plotseling begon hij te weenen. "Mij beving," zoo sprak hij, "een groot medelijden, toen ik dacht aan de kortheid van 's menschen leven, en daarbij overwoog, dat van die geheele troepenmacht, hoe talrijk zij ook moge zijn, niemand meer over zal zijn, als er honderd jaar verstreken zijn." Dit was volkomen juist opgemerkt, maar geen deugdelijk legeraanvoerder zou zich op zulk een tijdstip den tijd genomen hebben hetzij voor roeiwedstrijden, hetzij voor philofische beschouwingen.
Den volgenden dag moesten de invallende troepen den Hellespont oversteken. Reeds lang vóór het aanbreken van den dag brandden de Perzen reeds specerijen op de schipbrug en bestrooiden zij den weg met mirtekransen. Zij letten met de grootste aandacht op den oostelijken hemel, daar de zon hun god was, en zij, als deze helder en schitterend opkwam, op de overwinning mochten hopen. Toen de eerste zonnestralen hun oogen verblindden, juichten zij luide van vreugde, en Xerxes plengde een offer van wijn uit een gouden beker. "O Ormuzd," riep hij, "ik bid u, dat geen ramp mij tegenhoude bij mijn veroveringstocht, totdat ik de uiterste grenzen van Europa heb bereikt." Hij wierp den gouden beker, een gouden schaal en een zwaard in den Hellespont; en daarna begon het leger den Hellespont over te trekken.
Het was de schitterendste optocht, die ooit is gezien. Daar waren de Tien Duizend Onsterfelijken, de uitsluitend voor den koning bestemde lijfwacht, die ernstig en statig voorttrok, met kronen op hun hoofd. Duizend van hen droegen speren met gouden granaatappels aan het benedeneinde, en negenduizend droegen speren, beslagen met zilveren granaatappels. En dan waren er de tien gewijde paarden, alle met rijke schabrakken getooid. Dan was er de heilige wagen van Ormuzd, den zonnegod, getrokken door acht melkwitte hengsten. Die wagen van Ormuzd werd als zóó heilig beschouwd, dat zelfs de wagenmenner dien niet mocht bestijgen, maar dien zoo goed mogelijk moest besturen door er achter te loopen. Achter den wagen van Ormuzd kwam die van Xerxes, door groote paarden getrokken. Er waren daar Perzen en Meden met ijzeren maliënkolders, met bogen en pijlen, korte speren en dolken, en groote teenen schilden. Er waren daar Assyriërs met bronzen helmen en linnen borststukken, en stokken met ijzeren knoppen. Er waren daar Saciërs met hooge, puntige mutsen, Sarangiërs in de meest bont gekleurde kleederen; soldaten uit West-Ethiopië, die hun lichamen half rood en half wit verfden; soldaten uit Oost-Ethiopië, die op hun hoofden de huiden droegen van paardekoppen, met de ooren gespitst en de manen als kuif. Er waren daar Colchiërs met houten helmen, en kleine met leer bedekte schilden; Thraciërs met hun lange mantels en met hun vossenhuiden op het hoofd; Chalybiërs, wier bronzen helmen den vorm hadden van ossekoppen. Er waren wagens en paarden en kameelen en bedienden en een lange trein met levensmiddelen. Al wat van metaal was, was gepolitoerd en glinsterend; en vooral de Perzen droegen zóóveel gouden versierselen, dat hun gelederen in de zon flikkerden en glinsterden. Zij trokken over de bruggen, en gedurende zeven dagen en nachten hoorden zij, die aan de kust van den Hellespont woonden, het getrappel en gestamp van marcheerende voeten. Nadat zij de bruggen waren overgetrokken, trok het landvolk verder naar Doriscus in Thracië, waar ook de schepen zich moesten verzamelen. Hier monsterde Xerxes zijn geheele legermacht. Hij deed dit op de volgende wijze. Tienduizend man werden in een cirkel opgehoopt. Daarna werd een omheining gemaakt, die de grootte had van dien cirkel, en met manschappen gevuld. Er waren genoeg voetknechten, om dien honderdzeventig maal te vullen, zoodat het aantal voetknechten 1700000 bedroeg. De ruiterij was 80000 man sterk. Xerxes reed in zijn wagen over de vlakte van den éénen stam naar den anderen. Daarna besteeg hij een galei, en, gezeten onder een gouden troonhemel, volgde hij met het oog de schepen, die hem achter elkander voorbij voeren. De vlootrevue moet hem na eenigen tijd wel hebben verveeld, immers er waren 1207 oorlogsschepen, behalve omstreeks 3000 kleine schepen en vrachtbooten.
Het scheen, dat er genoeg troepen waren, om het kleine Griekenland van de oppervlakte der aarde weg te vegen. Xerxes ontbood een Griek, die door zijn landgenooten van den troon van Sparta was verdreven, en zeide: "Demaratus, ik ben van meening, dat, zelfs indien alle Grieken waren samengebracht, zij mijn aanval niet zouden kunnen weerstaan, maar wat denkt gij er over?" Demaratus vroeg: "O koning, zal ik u een juist antwoord geven, of verlangt gij van mij alleen een antwoord, dat u welgevallig is?" "Spreek de zuivere waarheid," zeide de koning, "en ik zal er u niet minder dankbaar om zijn." Toen zeide hem Demaratus, dat, hoe het ook met de andere stammen gesteld mocht zijn, de Spartanen zeker nooit zijn slaven zouden worden. "Indien er slechts duizend van hen waren," zoo verklaarde hij, "zouden zij niet vluchten, maar zouden zij moedig te velde trekken en tegen uw geheele leger slag leveren." Koning Xerxes lachte en zond hem vriendelijk weg.
Het leger werd onder het marcheeren nog voortdurend grooter, immers de stammen, die door de Perzen overwonnen waren tijdens vroegere invallen, werden gedwongen, soldaten te leveren. Reeds lang te voren was het bevel gezonden naar de steden langs den weg, dat zij levensmiddelen voor het leger moesten verschaffen. Zij durfden dit niet te weigeren, en gedurende een aantal maanden hadden zij druk werk gehad, om alles gereed te maken. Tarwe en gerst moest gemalen worden; vee en gevogelte moest worden gekocht en vet gemest. Deze dienden voor het leger; maar de bewoners der steden wisten zeer goed, dat zij bovendien een schitterend feestmaal voor den koning en zijn vrienden moesten gereed maken, indien zij diens gunst wilden winnen. Een enkele stad legde aan een dergelijk feestmaal meer dan een millioen gulden ten koste, en andere steden niet zooveel minder. Het leger verslond den geheelen voorraad, die op de akkers en het land aanwezig was, en dronk als het ware de rivieren droog, zoodat zij niets achter zich lieten dan kleine modderbeekjes, die zich langs de ledige beddingen voortsleepten.
Het was de vraag, of zij door de bergengte van Tempe in Thessalië zouden trekken, of door een andere, die verder van de kust verwijderd was. Xerxes ging aan boord van één van zijn schepen, en deed een korten tocht, ten einde van uit het water Tempe te kunnen zien. Hij liet het anker vallen aan de kust van Thessalië, en staarde naar het strand. Vóór hem verrezen hooge klippen. Tusschen die klippen was een nauwe kloof, waardoor een rivier in zee stroomde. "Is er geen andere uitweg voor de rivier?" vroeg hij. "Neen, o Koning" luidde het antwoord, "want Thessalië is geheel omgord door een kring van bergen." "De Thessaliërs waren dan verstandige mannen," zeide de koning, "dat zij zich tijdig aan mij onderworpen hebben. Ik zou gemakkelijk die engte kunnen vullen en het geheele land in een meer kunnen veranderen." Xerxes zeilde naar zijn leger terug, maar voordat hij verder ging, zond hij afgezanten naar de verschillende staten, om aarde en water te vragen. Maar naar Athene en Sparta werden geen herauten gezonden, omdat daar de afgezanten, die vroeger gezonden waren, zoo schandelijk waren behandeld.
De Grieken hadden de beweging van Xerxes gevolgd, zooals een muis die van een kat volgt. "Hij maakt groote toebereidselen; hij is in Sardes in Lydië, hij is aan den Hellespont: hij is dien overgetrokken"; dit waren de berichten, die hen bereikten. Er waren enkele staten, die besloten, zich maar dadelijk over te geven aan de genade van den Perzischen Koning, en die hun aarde en water zonden. De Atheners wisten zeer goed, dat hun geen genade zou worden geschonken. Zij wisten eveneens, dat er geen kans op de overwinning bestond, als zij op zichzelf moesten staan. Daarom noodigden zij de verschillende staten uit, afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst, die te Corinthe zou worden gehouden. Sommige staten zonden afgevaardigden; andere deden dit niet. De Spartanen werden beschouwd als de beste soldaten van Griekenland; en zij zouden natuurlijk het geheele leger aanvoeren; maar Argos wilde niets weten van een bondgenootschap, indien niet de koning van Argos zijn deel kreeg in het opperbevel. Thebe wilde van niets weten, wat door Athene werd voorgesteld. Ook waren boodschappers gezonden naar de grootere koloniën, om hulp te vragen, ten einde het moederland te bevrijden van de barbaren. "Als Griekenland veroverd is," zoo spraken zij, "zullen de Perzen op u losrukken. Redt u zelf, door Griekenland te redden." Gelo, de tyran van Syracuse in Sicilië, luisterde met aandacht naar de boodschap. Hij antwoordde: "Ja, ik zal u tweehonderd oorlogsschepen en acht-en-twintig duizend manschappen zenden, en ik zal voedsel voor het geheele leger verschaffen, zoolang de oorlog duurt; maar ik, Gelo van Syracuse, moet dan leider en opperbevelhebber zijn." "Het opperbevel komt Sparta toe," verklaarden de afgezanten. "Als gij u niet onder onze leiding wilt stellen, moet gij ons geen troepen zenden." "Ik heb veel meer manschappen dan de Spartanen," zeide Gelo, "maar ik zal toegeven en tevreden zijn met het opperbevel, òf te land òf ter zee."
Doch ook de Atheensche afgezanten wilden van hun rechten geen afstand doen. "Wij zijn de oudste natie van Griekenland," zoo zeiden zij, "wij bezitten de grootste vloot; zelfs te Troje was onze aanvoerder beroemd om zijn geschiktheid; en als de Spartanen het opperbevel ter zee afstaan, dan komt het ons toe." Gelo antwoordde: "Gij hebt naar alle waarschijnlijkheid meer aanvoerders dan manschappen. Hoe sneller gij terugkeert, des te beter."
Athene, Sparta, Plataea en andere staten, die waren overeengekomen, gemeene zaak te maken, zagen nu, dat zij op niemands hulp konden rekenen, maar aan eigen kracht waren overgelaten. De Atheners zonden boden naar Delphi. Het orakel was even onduidelijk als de orakels gewoonlijk waren, en de eenige mededeeling, die zeker scheen te zijn, was, dat de vijand Athene zou innemen. Eén zinsnede in het bijzonder werd door de Atheners herhaaldelijk besproken en van alle kanten bekeken. Zij luidde: "De houten muren zullen veilig blijven voor u en uw kinderen." Sommigen brachten het feit in herinnering, dat in de oudste tijden de Acropolis door een houten palissade versterkt was. "Wat er ook geschiede," zoo zeiden zij "wij kunnen ons op de Acropolis terugtrekken." Themistocles echter zeide, dat naar zijn meening "de houten muren" hun schepen beteekenden; en ten slotte waren het de meeste Atheners met hem eens.
HOOFDSTUK XI.
DE GROOTE PERZISCHE INVAL. (VERVOLG).
En nu was Xerxes goed en wel op weg. De Thraciërs wisten, dat hij het allereerst door hun land zou trekken, en daarom zonden zij boden naar de vergadering te Corinthe, die moesten zeggen: "Mannen Grieken, het is niet gepast, dat wij ter uwer verdediging alleen en zonder bijstand aan den dood worden prijsgegeven. Zendt ons troepen, om den bergpas te Tempe te bewaken, of anders zullen wij onderhandelingen openen met de Perzen." Een leger werd gezonden, maar toen zij vernamen, dat er nog een tweede bergpas was, waardoor de vijand zou kunnen binnenkomen, verlieten zij Tempe om naar Corinthe terug te keeren.
Er moest toch ergens tegen de Perzen stand gehouden worden, maar wat was de meest geschikte plaats? Natuurlijk zou Xerxes zoo dicht mogelijk bij de zee blijven. Zij moesten dus een pas vinden in de nabijheid der kust, waardoor hij gedwongen kon worden heen te trekken, en zóó nauw, dat slechts enkelen van zijn manschappen daar te gelijk zouden kunnen vechten. Zij lieten de keus vallen op de Thermopylae, omdat de bergen daar zóózeer in zee vooruitstaken, dat slechts een zeer nauwe doortocht tusschen die bergen en de zee overbleef. Hier hielden de Grieken stand. Hun aanvoerder was Leonidas, de koning der Spartanen. Met hem waren driehonderd Spartanen, die hij één voor één had uitgezocht om hun moed en vaderlandsliefde. Er waren bovendien omstreeks zesduizend man uit verschillende stammen. Dit was een bespottelijk klein leger, om aan de honderdduizenden van Xerxes te gemoet te zenden; maar het was juist de tijd der Olympische spelen, en tevens van een feest ter eere van Apollo. Zoodra die feesten voorbij waren, zouden meer manschappen worden gezonden. Niemand vermoedde, dat de strijd bij de Thermopylae zoo spoedig zou komen; en in ieder geval kon een natie, die verzuimde haar goden te eeren, geen voorspoed in den oorlog verwachten.
Xerxes zou misschien zijn manschappen hebben doen inschepen en hen ten zuiden van de Thermopylae doen landen; maar vierhonderd van zijn oorlogsschepen hadden tijdens een storm schipbreuk geleden, en de vloot der Grieken hield de wacht bij de straat van Artemisium, om de overige schepen tegen te houden. Indien hij dus Griekenland wilde binnenkomen, moest hij de Thermopylae doortrekken. Dit leek hem een eenvoudige zaak toe. Hij had wel gehoord, dat er enkele manschappen aan den pas geplaatst waren, maar hij was overtuigd, dat deze spoedig zouden wegloopen. Inderdaad waren er enkelen, die er over spraken, dit te willen doen. "Laat ons naar Corinthe terugkeeren," drongen zij aan. "Het hoogste, wat wij kunnen bereiken, is den Peloponnesus te verdedigen." "Neen," riep Leonidas, "laat diegenen onder u, die dit wenschen, zich terugtrekken; maar wat mij en mijn Spartanen betreft, wij zijn gezonden, om dezen pas te verdedigen, en hier houden wij dan ook stond."
Daarna ontstond een gevecht, zóó verschrikkelijk, als de wereld nog nooit had aanschouwd. Het duurde van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en den volgenden dag nog eens even lang. Doch daarna kwam verraad in het spel. Een Maliër, Ephialtes genaamd, lichte Xerxes in omtrent een voetpad, dat over de bergen voerde, en om den pas heen liep; en tegen het vallen van den avond leidde die verrader de Perzen uit het kamp, liet hen een nietig riviertje overtrekken en den berg beklimmen. De Grieksche wachten op den top konden hen niet zien, daar de helling van den berg overal met dikke eiken was bedekt; zij wisten dus niets af van de komst van den vijand, totdat zij in de stilte van den vroegen morgen het getrappel hoorden van duizenden voeten. De kleine legermacht kon niets anders doen, dan zich voorbereiden voor den dood; maar de vijand stormde langs hen voort, daar hij de Grieken aan den pas wilde omsingelen. Toen Leonidas hoorde, dat het bergpad ontdekt was, wist hij, dat er geen kans was de Thermopylae te houden. "Keert naar den Isthmus terug, als gij wilt," zeide hij tot zijn bondgenooten, "maar wat mij en mijn Spartanen betreft, de wetten van ons land verbieden ons de plaats te verlaten, ter welker verdediging wij aangewezen zijn." Ook de Thespiërs weigerden terug te trekken. De strijd werd voortgezet, zoo het mogelijk was nog feller dan te voren. De Spartanen en de Thespiërs trokken midden op de Perzische strijdmacht los. Een aantal manschappen werden in zee geworpen, bij tientallen en honderdtallen werden strijders doodgetrapt. De speren braken, maar dan streden zij met hun zwaarden; hun zwaarden braken, maar dan vochten zij met hun handen, met hun vuisten, met steenen, met alles waarmede zij konden treffen, totdat zij dood ter neder lagen, begraven onder hoopen Perzische werptuigen. Ook na dien slag werden de gesneuvelden begraven, waar zij gevallen waren. Ter herinnering aan de dapperheid van Leonidas werd een marmeren leeuw opgericht aan den ingang van den pas. Zuilen werden opgericht ter eere van de soldaten. Op de ééne was geschreven:
"Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops' land Zij hielden tegen 't honderdvoud tot 't laatst toe stand."
Een andere zuil was uitsluitend ter eere der Spartanen opgericht. Daarop was geschreven:
"Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden, Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden."
Dit afschrift was afkomstig van Simonides, een dichter van Ceos, één der Cycladen. Hij kon zulke regels neerschrijven, getuigend van diepen ernst en groote bewondering, en daarenboven kon hij zóó sierlijk en teeder schrijven, dat zijn vrienden hem "de liefelijke dichter" noemden. Eén van zijn gezegden draagt zóózeer den stempel der waarheid, dat het gedurende alle eeuwen na zijn dood beroemd is gebleven. Het luidt: "Poëzie is het schilderen door klanken, zooals schilderen het dichten zonder klanken is."
Terwijl de beroemde kleine schare Grieken alles in het werk stelde, om de Perzische krachten bij de Thermopylae tegen te houden, waren de Grieksche schepen niet werkeloos gebleven. Zij beletten de Perzische vloot den Euripus binnen te zeilen, de straat tusschen Euboea en het vasteland gelegen. De Perzen meenden, dat het een goede zet zoude zijn, tweehonderd van hun schepen om Euboea heen te voeren en van het zuiden uit den Euripus in. "Wij zullen dan de Grieksche schepen in de zeeëngte opgesloten hebben," zoo was hun redeneering, "en met onze vloot zal het gemakkelijk zijn, ze alle te vernietigen." Zij zonden dus hun tweehonderd schepen, maar spoedig werd de vloot door een storm overvallen en vernield. Gedurende één, twee, drie dagen duurde de zeeslag voort, waarbij de Perzen door de zeeëngte bij Artemisium trachtten door te breken, en de Grieken hen tegenhielden. Tegen den avond van den derden dag kwam een snelzeilend schip aan, dat bij de Thermopylae den gang van zaken had waargenomen; en nu hoorden de manschappen aan boord van de Grieksche schepen, dat de pas verloren was en dat de Perzen tegen Athene optrokken. Er was dus nu geen reden meer om de zeeëngte te verdedigen; het was verreweg beter, door den Euripus in zuidelijke richting over te varen. De aanvoerder van de Grieksche vloot was een Spartaan, maar Themistocles had het commando over de schepen der Atheners. De winden hadden de partij der Grieken gekozen, en nu was het zijn voornemen, te zorgen dat ook het land op zijn hand was. Overal waar de gelegenheid daartoe geschikt was, zond hij mannen uit, om in de rotsen opschriften te snijden, welke door de Joniërs, die in het leger van Xerxes waren, zouden worden gelezen. "Jonische mannen," zoo luidden zij, "loopt, zoo gij kunt, naar onze zijde over; als u dat niet mogelijk is, onthoudt u dan van den strijd, smeeken wij u, of ten minste vecht schoorvoetend." Themistocles meende, dat, zelfs al zagen de Joniërs de opschriften niet, zij toch zeker door enkelen onder de Perzen zouden gelezen worden, en dat Xerxes het niet zou wagen, van de hulp der Joniërs in de gevechten gebruik te maken. De Grieksche vloot zeilde toen Sunium, de zuidelijke punt van Attica, om, en liet het anker vallen tusschen Athene en het eiland Salamis.
De Perzen hadden Athene tot einddoel; maar iets ten westen van hun marschroute lag Delphi; en daar bevond zich de tempel van Apollo, rijk voorzien van kostbare schatten. Zij konden, zoo meenden zij, die niet onaangetast laten; daarom verliet een deel van het leger de kust en trok in westelijke richting voort. De inwoners van Delphi waren wanhopig. "O Apollo," zoo baden zij, "zeg ons, smeeken wij u, wat wij met uw heilige schatten moeten doen. Zullen wij ze in den grond begraven, of ze naar een ander land wegvoeren?" "Vreest niet," zoo luidde het antwoord, "Apollo heeft niemand noodig, om zijn eigendommen te beschermen." Daarna vertrokken de meeste bewoners van Delphi met vrouwen en kinderen uit de stad. Zij die achterbleven, verhaalden, dat de heilige wapenrusting van Apollo, zonder de hulp van menschenhanden, uit het binnenste van den tempel was weggedragen en vóór den tempel was geplaatst. Hoe dit ook moge zijn, een feit is het, dat er een vreeselijk onweder losbarstte. Van den Parnassus werden twee reusachtige rotsblokken afgeslagen, die op de Perzen neervielen en een groot aantal onder hun gewicht verpletterden. Het is niet te verwonderen, dat de barbaren na het gebeurde doodelijk verschrikt wegvluchtten en zelfs den aanval van de weinige nog aanwezige inwoners van Delphi niet durfden weerstaan, of dat zij in hun ontsteltenis de wonderlijkste verhalen deden over wat hun was overkomen. "Het waren geen sterfelijke wezens, met wie wij streden," zeiden zij, "het waren gewapende krijgslieden met meer dan menschelijke gestalte, die op ons losstormden en enkelen der onzen versloegen."
Die troepen trokken haastig Boeotië binnen, om zich te vereenigen met het overige gedeelte van het leger, dat op Athene aanrukte; en Athene was hulpeloos, daar de Grieken van den Peloponnesus haar rustig aan haar lot hadden overgelaten en dag en nacht aan het werk waren, en een hoogen muur over de landengte van Corinthe bouwden, om de Perzen te beletten hun steden aan te vallen.