De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 7
De volgende koning van Lydië was Croesus. Hij belegerde één kolonie,--maar dat beleg werd tamelijk zachtmoedig ten uitvoer gebracht, zoodat het in wezenlijkheid geen schade toebracht--en spoedig stemde niet alleen die ééne volksplanting, maar alle Jonische koloniën er in toe, hem als hun koning te erkennen. Croesus was de rijkste heerscher in Azië, en hij was even edelmoedig als hij rijk was. Hij bewonderde de Grieken en hield van hen, en was steeds gereed hun gunsten te bewijzen. De Spartanen zonden eens boden naar hem toe, om goud te koopen, ten einde het standbeeld van een godheid te versieren, en hij schonk hun alles wat zij noodig hadden ten geschenke. Een Athener was vriendelijk geweest voor zijn afgezanten, en de dankbare koning voerde hen naar de koninklijke schatkamer, en stond hem toe, zooveel goud mede te nemen als hij kon dragen. Hij was zóó goed voor de bewoners van Delphi, dat zij hem tot burger der heilige plaats maakten. De volksplantingen vonden het wel niet aangenaam, dat zij haar onafhankelijkheid verloren, maar zij hadden van een zoo welwillenden heerscher niets te vreezen.
Spoedig kwam echter de tijd, dat zij reden hadden verontrust te worden. Cyrus, de koning der Perzen, had Medië, het land, dat ten oosten van zijn koninkrijk lag, onderworpen, en maakte zich gereed Lydië aan te vallen. Hij noodigde de koloniën uit, zich met hem te vereenigen. Milete stemde daarin toe, maar de andere koloniën weigerden. Croesus werd verslagen, en toen moest Jonië toegeven.
Zoo kwam het, dat Griekenland de rijke koloniën aan de Lydische kust verloor; en voordat vele jaren voorbijgegaan waren, begonnen de Grieken voor hun eigen land te vreezen. Het Perzische rijk, hoe groot het ook was, was niet groot genoeg, om den zoon van Cyrus, Cambyses, te voldoen, en toen hij aan de regeering kwam, begon hij voorbereidingen te maken, om zijn rijk uit te breiden. Hij veroverde Phoenicië, en snelde langs de kust van Afrika, terwijl hij Egypte en de Grieksche koloniën ten westen van Egypte verwoestte. De volgende koning, Darius, was zelfs nog veel eerzuchtiger dan Cyrus en Cambyses geweest waren, en zoodra hij sommige oproeren had onderdrukt, enkele prachtige gebouwen had gesticht en sommige goede wegen had aangelegd, trok hij eveneens uit, om zijn koninkrijk te vergrooten. Eerst trok hij naar het oosten, en spoedig was Indië een deel van het Perzische rijk geworden. Hij had echter het land, dat in het westen lag, niet vergeten, en niet lang daarna besloot hij, zijn krachten op Europa te beproeven. Hij had een oude veete tegen de Scythen, een volk, dat leefde in het zuiden van het tegenwoordige Rusland, en daarom begon hij met te trachten hen ten onder te brengen. Hij trok den Bosporus over en marcheerde door Thracië in noordelijke richting. Hij wist, dat de Donau in zijn weg zou zijn, daarom had hij reeds te voren zijn vloot naar de monding dier rivier gezonden, met het bevel, een schipbrug over den Donau te leggen. Daarna trok hij den Donau over, teneinde de Scythen te vervolgen. Hij zou even goed den wind kunnen achtervolgen, want er waren daar geen steden te verwoesten, en de Scythen brachten bijna hun geheele leven te paard door. Zij hadden een gewoonte, die de vijanden dol van woede maakte, en wel dat zij altijd in het gezicht der Perzen bleven, zonder ze ooit de gelegenheid te geven, hen te pakken.
De Scythen hadden schik in het geval, doch Darius was wanhopig en wist niet, wat te beginnen. Daarna zonden de Scythen hem, om hem te tergen, een geschenk--en wel een muis, een kikvorsch, een vogel en vijf pijlen. "Indien de Perzen verstandig zijn," zeide de afgezant, "kunnen zij de beteekenis zelf wel ontdekken." "De muis is van de aarde afkomstig, de kikvorsch van het water, de vogel uit de lucht, terwijl de pijlen overleg beteekenen," zoo bedacht Darius. "Het beteekent, dat zij op het punt zijn zich over te geven." Maar één der Perzen kon zich met die verklaring niet vereenigen. Volgens hem was de beteekenis deze: "Zoolang gij, Perzen, u niet in vogels kunt veranderen en door de lucht kunt vliegen, of muizen kunt worden om onder den grond te wroeten, of u in kikvorschen kunt veranderen en u kunt terugtrekken in de moerassen, zult gij nooit uit dit land kunnen ontsnappen, maar zult gij omkomen, door onze pijlen doorboord." Darius hechtte niet de minste waarde aan die verklaring; maar toen de Scythen en Perzen eindelijk in slagorde geschaard stonden, vloog een haas op; de Scythen renden weg om dien haas te vervolgen. Toen zeide Darius tot den uitlegger: "Gij hadt gelijk. De Scythen hebben groote minachting voor ons, en wij zullen naar Perzië terugkeeren."
Zij namen den terugtocht aan, maar de Scythen trokken sneller voort dan zij, en kwamen vóór hen aan de schipbrug. Deze werd door sommige Joniërs bewaakt, die zich aan Darius hadden overgegeven. "Breekt de brug af," riepen de Scythen met aandrang, "gij kunt dan in vrede naar huis gaan. Wij zullen er voor zorgen, dat Koning Darius nooit weer een oorlog begint." De Jonische aanvoerders waren door Darius belast met de bescherming van enkele steden, die hij veroverd had. Eén van hen, Miltiades, zeide: "Laat ons de brug vernielen, en dan zal Griekenland ten eeuwigen dage bevrijd zijn van de vrees voor Darius." "Neen," zeide van zijn kant Histiaeus, de heerscher van Milete. "Indien Darius verslagen wordt, zullen wij niet langer in zijn steden het bevel voeren." De brug werd niet verwoest, en Darius keerde veilig naar huis terug. Hij had wel is waar de Scythen niet ten onder gebracht, maar hij had een aantal steden in Thracië en Macedonië gedwongen, zich aan hem te onderwerpen. In het noorden, oosten en zuiden van Griekenland was in werkelijkheid alles in zijn handen; en om de zaken voor dat kleine land zelfs nog moeilijker te maken, kwam er nog bij, dat het koninkrijk Carthago, in Afrika, het eiland Sicilië trachtte in bezit te krijgen.
De Grieken uit het moederland waren verontrust, en die in Jonië waren ongelukkig. Toch zou er misschien niets gebeurd zijn, als Histiaeus, die Darius gaarne aan zijn hof verbonden wilde houden, er niet naar verlangd had naar Milete terug te keeren. Zijn redeneering was deze: Indien de Jonische volksplantingen slechts wilden in opstand komen, zou misschien Darius mij terugzenden, om die koloniën ten onder te brengen." Het gelukte hem, een boodschap aan zijn schoonzoon te doen toekomen, die luidde: "Zorg, dat er in Jonië een opstand wordt op touw gezet." Zijn schoonzoon gehoorzaamde. Daarna stak hij de Aegeïsche Zee over, om te hooren, of Griekenland de opstandelingen te hulp zou komen. Sparta had er niet het minste belang bij en er ook volstrekt geen lust in, Jonische kolonisten te hulp te komen en zoo Athene te versterken, maar Athene kon moeilijk hulp weigeren, waar het haar eigen kolonisten betrof. Bovendien hadden zij zelf nog een kleinen wrok tegen de Perzen, omdat zij Hippias hadden opgenomen en alles hadden gedaan, wat zij slechts konden, om hem weer tyran van Athene te maken. De Atheners besloten daarom, twintig schepen te zenden. De Eretriërs op Euboea, een groot eiland aan de kusten van Attica, beloofden hun hulp, en zoo zeilden deze en de Atheners de Aegeïsche Zee over. De kolonisten en hun bondgenooten namen Sardes, de hoofdstad van Darius, in; doch toen kwamen een zóó groot aantal Perzen in het veld, dat zij begonnen vrees te koesteren. Zij ijlden terug aan boord van hun schepen en gingen weder naar huis. Zij hadden genoeg gedaan, om zich de vijandschap van Darius op den hals te halen, maar niet genoeg om de kolonisten van veel dienst te zijn. Vlugge ijlboden spoedden zich naar Darius "O Koning" riepen zij, "Sardes is genomen en verbrand door de Joniërs en de Atheners!" "De Atheners! wie zijn dat?" vroeg Darius. Zijn raadslieden vertelden het hem. Hij schoot een pijl in de lucht en riep: "O Zeus, sta mij toe, dat ik mij op de Atheners wreek!" Daarna wendde hij zich tot een slaaf en gaf dezen het volgende bevel: "Zoo dikwijls ik mij neerzet om te eten, moet gij driemaal luide roepen: Koning, denk aan de Atheners!"
Darius was er de man niet naar, zijn toorn te vergeten, en het duurde dan ook niet lang, of een Perzisch leger trok door Thracië en een Perzische vloot zeilde met de grootste snelheid naar Attica en Euboea. Mardonius, de schoonzoon van Darius, had het opperbevel. De vloot moest een lang en rotsachtig voorgebergte voorbijzeilen, aan het uiteinde waarvan de Berg Athos gelegen is met zijn gekartelde rotsen en steile klippen. Toen de schepen ten noordoosten van dat punt gekomen waren, stak uit het noordoosten een razende storm op, die de hulpelooze schepen tegen de rotsen te pletter stootte. Er waren zóóveel schepen verloren gegaan en zóóveel manschappen verdronken, dat er voor de Perzen niets anders overbleef dan om te keeren en weer naar huis te gaan.
Zoo was de eerste poging, om een inval in Griekenland te doen, geëindigd, maar steeds riep de slaaf driemaal bij iederen maaltijd: "O koning, denk aan de Atheners!" en Darius begon spoedig voorbereidselen te maken, om een inval in Griekenland te doen. Het was hem niet te doen, om strijd te leveren, maar om in Griekenland voet te krijgen; daarom zond hij, voordat hij een aanval begon, afgezanten naar de verschillende Grieksche staten, om te zeggen: "Darius, de groote koning, verlangt, dat gij hem aarde en water zendt." Alle Grieksche naties wisten, dat het geven van aarde en water een bewijs van onderwerping was. Sommige onder de staten gaven toe, maar andere, en in de eerste plaats Athene en Sparta, waren zóó verontwaardigd, dat zij de plichten uit het oog verloren, die zij jegens de afgevaardigden hadden te vervullen. De Atheners wierpen de afgevaardigden van den koning in een afgrond, waarin dikwijls misdadigers geworpen werden; de Spartanen wierpen de afgevaardigden in een diepen put, en riepen hun toe, dat zij nu hun hart konden ophalen aan aarde en water.
Daarop volgde de tweede Perzische expeditie. De Perzen hadden er volstrekt geen lust in, ten tweeden male op den berg Athos schipbreuk te lijden; daarom zeilden zij dwars de zee over naar Euboea. "Helpt ons" smeekten de Eretriërs de bewoners van Attica, en de Atheners zonden hun troepen. Zij zouden waarschijnlijk nog heel wat meer hebben gezonden, als zij niet vernomen hadden, dat de Eretriërs niet eensgezind waren. Enkelen wilden strijden tot hun laatsten ademtocht; anderen echter waren van plan, als de omstandigheden daartoe leidden, de stad in handen der Perzen te helpen; daarom keerden de Atheners naar huis terug. Nog een tijdlang hielden de Eretriërs den strijd vol; doch ten slotte pleegde één der Eretriërs verraad, en speelde de stad in handen der Perzen.
De Perzen dachten, dat het al heel weinig moeite zou kosten, Attica te veroveren; daarom legden zij hun krijgsgevangenen ketenen aan, ten einde hen als slaven te verkoopen, plaatsten hen in hun schepen en zeilden de landengte over naar Attica. Zij hadden iemand aan boord, die het land goed kende; dit was namelijk Hippias zelf. "De vlakte van Marathon is," zoo had hij gezegd, "de beste plaats om te landen. Zij is uitgestrekt en effen en biedt voldoende ruimte aan, om de ruiterij te ontplooien." Daarom landden de Perzen te Marathon. De bergen zagen kalm neer op de duizenden soldaten, en Hippias droomde zich reeds weer tyran van Athene.
Maar gedurende al dien tijd waren de Atheners niet ledig gebleven. Van ieder der phylae, die Clisthenes had gevormd, waren duizend man gekomen, gewapend en gereed voor den strijd. Juist aan de grens van Attica lag Plataea. Athene had Plataea verdedigd tegen Thebe, en Plataea stelde er prijs op, dien dienst te vergelden; daarom kwamen door één der bergpassen duizend soldaten uit Plataea aanrukken, om hun trouwe vrienden, de Atheners, te helpen. Ook de Spartanen wenschten er toe mede te werken, dat de Perzen verjaagd werden; doch zij beschouwden het als een slecht voorteeken, ten oorlog te trekken de laatste vijf of zes dagen vóór volle maan; en voordat de maan vol was, was de slag bij Marathon reeds geleverd.
Het voornaamste dat ons van den slag is overgeleverd, is dat de Grieken in slagorde waren opgesteld tegenover de heuvels; de Perzen waren opgesteld tusschen hen en de zee; een eind van de kust waren de schepen en de ketenen, waarin de Grieken als slaven zouden worden weggevoerd, als zij den veldslag verloren. Er waren tienmaal zooveel Perzen als Grieken; maar de Grieken waren één van geest en streden voor hun haardsteden en hun vrijheid. Miltiades, die er op had aangedrongen, de brug over den Donau te verwoesten, was hun aanvoerder. Hij gaf het teeken tot den aanval. De Grieken stormden in volle vaart vooruit en deden een aanval op de Perzische linie. Het is niet te verwonderen, dat de Perzen in stomme verbazing bleven staren en een oogenblik bijna vergaten te strijden. "Dat zijn krankzinnigen," riepen de Perzen uit; "zie, hoe zij aanvallen zonder boogschutters en zonder ruiterij om hen te dekken!" Daarna ontbrandde tusschen beide legers een strijd op leven en dood. De Grieken waren het sterkst op de vleugels, de Perzen in het midden. Tegen het einde van den slag joegen de Grieksche vleugels de Perzische vleugels op de vlucht, maar het centrum der Perzen brak door het centrum der Grieken heen. Toen keerden de vleugels der Grieken zich om en stormden op de Perzen los, waarop deze door de vlakte renden en de helling der kust afdaalden. Zij doorwaadden het ondiepe water en bestegen hun schepen, alsof duivels hen achtervolgden. Zij hadden even goed door duivels als door die woedende Grieken kunnen zijn nagezeten, die in razende vaart door het water achter hen aan holden, zelfs tot aan de zijboorden van de Perzische schepen. "Vuur, vuur!" riepen zij "brengt ons vuur, om de galeien te verbranden!" En voordat de Perzen konden uitzeilen, hadden de Grieken zeven van hun schepen genomen.
De aanvallers waren vertrokken, maar er was geen minuut tijd voor rust of voor vreugdebetoon, daar de vloot recht naar het zuiden stevende. "Athene, Athene, zij zullen Athene aanvallen!" was de kreet, die van alle kanten werd gehoord. De uiterst vermoeide troepen marcheerden recht op Athene aan en kampeerden aan de oevers van den Ilissus; en toen de Perzen tot de overtuiging kwamen, dat de stad niet bij verrassing kon worden genomen, wendden zij de stevens en keerden naar huis terug.
Nu was de tijd voor feestvieren aangebroken. In één opzicht was de slag bij Marathon slechts een kleine slag; er waren namelijk slechts een betrekkelijk gering aantal strijders in betrokken. Aan den anderen kant was het één der belangrijkste veldslagen, die ooit geleverd zijn; immers indien de Grieken niet hadden overwonnen, zouden de dappere, trotsche vrijheidlievende Grieken de slaven der Perzen geworden zijn. Miltiades was de man van den dag, en de Atheners wisten niet, hoe hem genoeg eer te bewijzen. De Spartanen waren in geforceerde marschen gekomen, in de hoop, tijdig genoeg voor den veldslag aanwezig te zijn. Nu bleef hun niets anders over dan naar de vlakte van Marathon te gaan, de krijgsgevangenen te aanschouwen en de tenten vol met kostbare schatten, en de dapperheid der Atheners te prijzen. Maar hoe kon eer bewezen worden aan de dappere soldaten, die hun vaderland hadden gered? Het was de gewoonte der Grieken, de lijken van hen, die in den slag gevallen waren, naar huis te te voeren, om daar begraven te worden, maar ten opzichte van de helden van Marathon zeiden zij: "Laat hen liggen, waar zij gesneuveld zijn. Hun lijken mogen nooit de plek verlaten, waar zij hun heldendaden hebben verricht." En dus begroeven zij de gesneuvelde Grieken in de vlakte van Marathon. Over hun graf werd een hooge aardheuvel opgericht, en op dien hoop werden tien statige marmeren zuilen geplaatst, waarop de namen gegrift waren van iederen Athener, die bij de verdediging tegen de barbaren gesneuveld was. Een tweede groote aardheuvel werd opgericht ter eere van de Plataeërs. Ook daarop werden zuilen gezet, waarin de namen gegrift waren van de helden, zelfs van de slaven, die gesneuveld waren bij de redding van Griekenland. Marmeren zuilen gaan te gronde, zij vallen en breken, zij worden naar andere landen gevoerd; maar een aardheuvel blijft in stand, en de aardheuvels in de vlakte van Marathon zijn nog in onze dagen te zien. Er is echter nog een ander gedenkteeken; immers in de kleine dorpen in den omtrek wordt de bevolking somtijds in den nacht wakker, en verbeeldt zij zich, dat zij in de doodsche stilte het hinneken der paarden, het kermen der gewonde manschappen en de machtige kreten der overwinning kan hooren; en als zij daar in de duisternis staan rond te kijken, verbeelden zij zich, dat zij de schimmen kunnen zien van de mannen, die bij Marathon hebben gestreden.
HOOFDSTUK X.
DE GROOTE PERZISCHE INVAL.
Terwijl de Atheners zich nog steeds verheugden over de overwinning bij Marathon, en tot elkander zeiden: "Eindelijk zijn wij voor goed bevrijd van de Perzen," waren er sommigen onder hen, die er niet zoo zeker van waren, dat hun vijanden niet zouden terugkeeren. De leider van die partij was een zekere Themistocles. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder was een vreemdelinge, en daarom zagen, toen hij nog een knaap was, de andere knapen, die van zuiver Grieksch bloed waren, op hem neer. Hij maakte den toestand voor zich nog wat moeilijker, daar hij zich niet naar hun gewoonten en handelingen wilde schikken. Hij was bij voorbeeld van meening, dat het dwaas was, die talenten tot ontwikkeling te brengen, waaraan in Griekenland gewicht werd gehecht. Het verhaal is overgeleverd, dat op zekeren dag, toen iemand een gezelschap door zijn gezang had vermaakt, eenigszins schamper de opmerking tegen Themistocles gemaakt werd: "Van u schijnen wij geen liederen te zullen hooren"; waarop hij antwoordde: "Neen, ik heb in het geheel geen verstand van muziek en van zang, maar wel weet ik, hoe een kleine stad groot gemaakt kan worden." Themistocles had deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij geloofde niet alleen, dat de Perzen zouden terugkeeren, en dat wel met nog grootere legermacht, maar tevens, dat, als de Atheners zichzelf moesten verdedigen, zij evenzeer te water als te land moesten leeren strijden. "Bouwt schepen, bouwt schepen," zeide hij voortdurend.
De aanvoerder van hen, die een andere meening hadden dan Themistocles, was Aristides, een man van een zóó oprecht en eerlijk karakter, dat hij dikwijls "de Rechtvaardige" werd genoemd. Hij had evenals Themistocles deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij was eerlijk overtuigd, dat Themistocles ongelijk had. "Het zijn onze overwinningen te land, die ons zoo krachtig hebben gemaakt," zoo dacht hij, "en zullen wij nu onze veiligheid toevertrouwen aan de gevaren van den Oceaan?" Hij en zijn partijgenooten bestreden Themistocles zóó krachtig, dat er misschien geen enkel nieuw schip zou zijn gebouwd, indien er geen oorlog ware uitgebroken tusschen Athene en Aegina. Aegina was zóóveel beter voorzien van schepen dan Athene, en Athene gevoelde zóózeer de noodzakelijkheid, dat er schepen in den oorlog werden aangeschaft, dat de Atheners langzamerhand tot de meening begonnen over te hellen, dat Themistocles wel eens gelijk kon hebben. Ten slotte werd de strijd tusschen beide partijen zóó heftig, dat de zaak door het schervengerecht moest worden beslist. Men verhaalt dat, terwijl Aristides toezag, toen de stemmers hun scherven in de urnen wierpen, een vreemdeling hem zeide: "Ik kan niet schrijven. Wilt gij den naam van Aristides op mijn scherf zetten?" "Wat voor kwaad heeft hij u ooit gedaan?" vroeg Aristides. De man antwoordde: "Niets, maar het verveelt mij, hem altijd "de Rechtvaardige" te hooren noemen?" Aristides zeide niets meer, maar schreef rustig zijn eigen naam op de scherf. De stemming viel ten zijnen nadeele uit, en zoo ging hij in ballingschap.
Zelfs toen werden de schepen niet dadelijk gebouwd, want het bouwen van schepen is altijd een kostbare geschiedenis, en het was zeer de vraag, waar het geld vandaan moest komen. Gelukkig kwam juist in die dagen een aanzienlijke som in de Atheensche schatkist uit sommige rijke zilvermijnen. "Geeft dit geld om een vloot te bouwen," zoo pleitte Themistocles, en eindelijk werden de schepen gebouwd. De Piraeus, de haven van Athene--de stad toch was ongeveer zes kilometers van de zee verwijderd--werd versterkt, of liever gedeeltelijk versterkt; immers voordat het werk voltooid was, waren de Perzen op weg, om hun derden inval in Griekenland te doen.
Toen de schepen van Darius te huis gekomen waren zonder den buit en de menigte gevangenen, die de koning had verwacht, en toen hij de tijding ontving van den slag bij Marathon, was hij heftig vertoornd. Tweemaal waren de Perzische troepen naar Europa overgestoken, tweemaal waren zij teruggedreven. Zij zouden nu ten derden male oversteken, en hij zelf zou nu medetrekken. Die verwaande Atheners zouden nu eens leeren, hoe Perzische koningen de vermetele volksstammen behandelden, die zich tegen hen durfden verzetten. Hij begon alle noodzakelijke toebereidselen te maken. Hij zond boden naar de steden, die hij had veroverd, en beval hun manschappen, paarden en schepen bijeen te brengen, en groote hoeveelheden koren te verschaffen. Gedurende drie jaar werden de voorbereidselen voortgezet; doch toen stierf Darius plotseling.
Xerxes, de zoon van Darius, werd nu koning. Hij was tevreden met de uitgestrektheid van zijn rijk, en zou veel liever thuis gebleven zijn. Zijn raadgevers waren echter van een andere meening. Mardonius in het bijzonder, die de eerste expeditie tegen de Grieken had aangevoerd, brandde van verlangen, te laten zien, dat hij, al had hij eens het onderspit gedolven, toch een bekwaam legeraanvoerder was.
Xerxes besloot, den tocht te ondernemen, en stelde alles in het werk, te zorgen dat die tocht gelukte. Er moest geen schipbreuk geleden worden op den berg Athos, daarom liet hij dwars door het schiereiland een kanaal graven. De landmacht moest den Hellespont oversteken, en daar liet hij twee schipbruggen bouwen. Korten tijd daarna ontstak de koning in groote woede, daar een storm zijn schipbruggen had vernield. Hij beval zijn manschappen, den Hellespont driehonderd zweepslagen te geven, omdat deze zoo vermetel geweest was, het werk van den koning te vernietigen, en hij liet de bouwmeesters der schipbruggen onthoofden. Daarna deed hij iets, wat ongetwijfeld heel wat verstandiger en practischer was--hij zette zich aan het werk, om steviger bruggen te bouwen. Eerst werden schepen naast elkander geankerd, totdat de ruimte tusschen de beide kusten met schepen was bezet. Daarna werden van de ééne naar de andere kust, zes ontzaglijke kabels gespannen die op de dekken der schepen rustten. Daarop werden groote blokken hout gelegd, daarop weder planken, en vervolgens aarde. Alles werd stevig bevestigd; en ten slotte werd nog een palissade aan weerszijden gebouwd, die zóó hoog was, dat paarden en vee niet konden schrikken, als zij zagen, dat er water onder hen was. De tweede brug werd op dezelfde wijze vervaardigd.
Toen de bruggen voltooid waren, het kanaal was gegraven, en groote hoeveelheden levensmiddelen waren opgestapeld op verschillende plaatsen langs den weg, dien Xerxes voornemens was te volgen, verliet hij de hoofdstad van zijn rijk. Een tijdlang was hij doodelijk ontsteld, daar de zon verduisterd werd. "Wat beteekent dit?" vroeg hij in vreeselijken angst aan de wijzen, die hem vergezelden. "Vrees niet, o groote Koning" was hun antwoord; "de zon waarschuwt de Grieken, de maan echter de Perzen. De zon is van den hemel verdwenen, en dus zullen de steden der Grieken van de aarde verdwijnen." Daarop marcheerde de koning verder.