De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 6
Ten einde nog meer macht aan het volk te geven, en het onmogelijk, voor wien ook, te maken, tyran te worden, voerde Clisthenes twee merkwaardige gebruiken in. Het ééne was het ostracismus. Indien de Raad en de algemeene vergadering dachten, dat de ééne of andere burger zooveel macht kreeg, dat er vrees bestond, dat hij tyran werd, riepen zij de burgers zamen. Dan werd een ieder verzocht op een aarden scherf (ostrakon) den naam te schrijven van iedereen, van wien zij meenden, dat hij gevaarlijk zou worden voor de vrijheid van den staat. Indien iemand zesduizend stemmen kreeg, moest hij voor den tijd van tien jaar Athene verlaten. Die verbanning was natuurlijk verre van aangenaam, maar toch werd zij als een soort van onderscheiding beschouwd, want inderdaad beteekende het: "Gij zijt grooter of meer populair dan wie ook in den staat."
Het tweede gebruik diende, om rijke of machtige personen te beletten partijen te vormen, die hen tot ambten konden verkiezen. Indien iemand eenig staatsambt wilde verkrijgen, was alles wat hij nu kon doen, zijn naam als candidaat voor dat ambt op te geven. Dan werd er om geloot, om uit te maken, wie de gelukkige zou zijn, die het ambt zou verkrijgen. Natuurlijk waren de Grieken niet zoo dwaas, hun legeraanvoerders op die wijze te kiezen; en wat ook de gebreken der twee gebruiken waren, zij hielden Athene ten minste vrij van tyrannen.
Het gemeene volk was met die veranderingen zeer ingenomen; de aanzienlijken echter hadden daar ernstig bezwaar tegen; daarom begonnen zij plannen te beramen, de democratie omver te werpen. Zij deden een beroep om hulp bij den Spartaanschen vorst. Koning Cleomenes begreep, dat, indien Athene een democratie was, en de groote massa van het volk tevreden was met den toestand, er weinig hoop was, dat hij in Attica macht zou verkrijgen. Bovendien was hij tot het inzicht gekomen, dat hij eenvoudig door de Alcmaeoniden gebruikt was geworden, om hen naar Athene terug te brengen, zonder dat hij er voor Sparta eenig voordeel
door had verkregen. Daarom was hij niet alleen bereid te helpen, maar wist hij enkele bondgenooten der Spartanen er toe te brengen, zich met hem te vereenigen. De bondgenooten trokken zich echter terug, de Spartaansche aanvoerders kregen onderling oneenigheid en het geheele Spartaansche leger spatte uit elkander. Het waren de Thebanen en de bewoners van Chalcis, die dit oogenblik hadden gekozen, om tegen de Atheners op te trekken. Maar de Atheners trokken evenzeer ten strijde, en versloegen eerst de Thebanen en daarna de Chalcidiërs. Later deden de Spartanen een poging, Hippias weder naar Athene terug te brengen, maar de Atheners waren van hen niet gediend; en zij waren verplicht, op dat oogenblik hun poging om Attica te beheerschen, op te geven.
Athene had standbeelden, gebouwen, uitstekende wetten en een beter staatsbestuur verkregen; maar, wat het meest waard was, het had het zóóver gebracht, dat de groote meerderheid harer burgers één waren in hun liefde voor hun vaderland.
HOOFDSTUK VII.
DE OLYMPISCHE SPELEN.
Er was ééne zaak, waarin de Grieksche natie één geheel vormde, en wel in de spelen, waarop wij reeds vroeger de aandacht vestigden, en waaraan niemand kon deel nemen, die niet tot de Grieksche natie behoorde. De meest bekende spelen waren die te Olympia in Elis. Onder alle veranderingen in de verschillende staten waren deze in stand gebleven, en zij werden als iets zóó heiligs beschouwd, dat, hoe heftig twee Grieksche stammen elkander ook mochten bestrijden, er altijd een wapenstilstand was in den tijd, dat de Olympische spelen duurden en in de dagen, die voor de heenreis en de terugreis werden toegestaan. Geen Griek, die de reis kon bekostigen en om zijn gezondheid daartoe in staat was, zou er aan denken, van de Olympische spelen weg te blijven; en de wegen naar Olympia moeten gedurende een tweetal weken vóór en na het begin van den zomer, in welke dagen de feesten werden gevierd, een allermerkwaardigst en belangwekkend schouwspel hebben opgeleverd.
Stel u den eersten dag der feesten voor! Elke der verschillende staten had vertegenwoordigers gezonden, en die afgevaardigden droegen hun kostbaarste gewaden en reden in de prachtigste wagens, die beschikbaar waren. De Grieken hadden zóóveel genot in optochten, dat er zeker wel een optocht zal geweest zijn, en daarna zoo goed als zeker een plechtige offerdienst aan Zeus. Dan kwam nog de belangrijke taak, zich er van te vergewissen, dat zij, die aan de spelen wenschten deel te nemen, het recht hadden dit te doen. Niet alleen de athleten, maar ook de scheidsrechters en oefenaars moesten een eed afleggen, dat zij vrij geboren Grieken waren met onvermengd bloed, en dat zij de regels van het spel in ieder opzicht zouden in acht nemen. Zelfs al hadden zij dien eed afgelegd, moesten zij nog hun burgerschap bewijzen, en de athleten moesten aantoonen, dat zij de regels hadden gevolgd, die voor het dieet en de oefening waren vastgesteld. Met dit alles was een geheele dag gemoeid van des morgens vroeg tot des avonds laat. De volgende dagen--drie en misschien meer--waren voor de wedstrijden bestemd. De spelen bestonden uit wedloopen, worstelen, vuistvechten, springen, het werpen van schijven, en het slingeren van werpspiesen. En ten slotte had men nog de beroemde wedstrijden van met vier paarden bespannen wagens. Als het oogenblik gekomen was, werd zoo luid mogelijk op de trompetten geblazen, de slagboomen vielen, en de paarden stormden vooruit, terwijl de menigte luide kreten aanhief, en in woeste opgewondenheid jubelde.
De vijfde dag was aan de overwinnaars gewijd. Een knaap werd naar het heilige boschje gezonden, om met een gouden mes takken van een wilden olijfboom af te snijden. Daarvan werden kransen vervaardigd, die aan de overwinnaars werden aangeboden. Het was het meest trotsche oogenblik in het leven van een man, als de heraut zijn naam uitriep, dien van zijn vader en dien van zijn geboortestad, en als hij dan naar voren trad om zijn kroon in ontvangst te nemen. De menigte juichte hem uitbundig toe, en hij vergat de lange, vermoeiende en vervelende dagen, dat hij zich had moeten oefenen, terwijl hij uitsluitend aan den door hem verworven roem dacht.
De olijfkrans was op zich zelf reeds belooning genoeg, maar er waren nog een aantal andere eerbewijzen, die den gelukkigen drager van den krans wachtten. Gewoonlijk bracht hij een offer aan Zeus, en al zijn landgenooten, die te Olympia tegenwoordig waren, namen daaraan met groote ingenomenheid deel, daar hij hun geboorteland roem had gebracht. Terwijl het offer brandde, liepen zij in een schitterenden optocht om het altaar heen, en zongen zij daarbij in koor lofliederen aan de goden, begeleid door de muziek van fluit en cither. Dit was slechts het begin, want de offerdienst werd gevolgd door tallooze feestgelagen. De stad, die bij de spelen den voorrang bekleedde, gaf feesten aan de overwinnaars, en de overwinnaars gaven feesten aan hun vrienden. En zelfs daarmede waren de eerbewijzen niet ten einde, immers dikwijls werd ter eere van den overwinnaar een standbeeld opgericht te Olympia, en ook weleens een tweede standbeeld in zijn woonplaats. Zelfs de terugkeer van een overwinnaar naar zijn geboorteplaats leverde een schitterend schouwspel op. Hij was gekleed in een rijk purperen gewaad, en werd naar zijn woning gebracht in een wagen, door vier witte paarden getrokken. Zijn vrienden en bloedverwanten volgden hem, in hun beste kleeren gestoken; en daarop volgde een troep volk, zingend en juichend, zoo luid dit maar mogelijk was.
Zoodra zij voor de muren gekomen waren, hield de optocht stand. "Waartoe zijn er muren noodig ter verdediging van een stad, die zoo voortreffelijke mannen heeft?" riep het volk; en dan werd een stuk van den stadsmuur neergehaald, en vlogen de vier witte paarden over de puinhoopen heen. Natuurlijk volgden ook daar weer feestgelagen, en werd dikwijls een milde gift in goud en zilver geschonken. De wijsgeeren uit die dagen herinnerden de burgers er dikwijls aan, dat die overwinnaars in de spelen voor de stad weinig waard waren. "In vredestijd zijn zij niets waard" zoo zeiden de philosofen, "immers het is niet hun geest, maar hun lichaam, dat geoefend is; en zij zijn niets waard in oorlogstijd, daar hun oefening zóó eenzijdig is, dat zij spoedig zouden bezwijken, als zij zich moesten onderwerpen aan den krijgsdienst." Toch bleef de vereering der athleten voortduren. In sommige steden gebruikten zij dagelijks het middagmaal ten koste van de stad, en gedurende hun geheele verdere leven werd voor hen een plaats op de voorste rij in de schouwburg vrijgehouden. Met zorgvuldigheid werd hun naam ingeschreven in het register, dat te Olympia werd gehouden, en zoolang zij leefden werden zij geëerd.
De Grieken hechtten zóóveel gewicht aan die spelen, dat zij bijna alle gebeurtenissen daarnaar rekenden; het jaar, dat die spelen werden gevierd en de volgende drie jaren, werden als een Olympiade gerekend. Zoo noemden zij het jaar 776 vóór Christus het eerste jaar der Olympiade; het jaar 770 vóór Christus het derde jaar der tweede Olympiade.
Gedurende langer dan duizend jaar werden die spelen zonder eenige onderbreking gehouden. Hun beteekenis voor het Grieksche leven kan nauwelijks hoog genoeg worden geschat. Zij hadden grooten invloed op den handel, immers waar zoovele duizenden menschen bijeen waren, daar moest heel wat gekocht en verkocht worden. Zij hadden eveneens invloed op de kunst, immers bij die spelen vond de beeldhouwer de schoonste levende modellen. Zij hadden tevens invloed op de zeden en gewoonten van het volk, op hun eerbied voor godsdienstige plechtigheden, en eveneens op hun belangstelling in literatuur en welsprekendheid; immers bij de meeste dier spelen werden ook daarin wedstrijden gehouden. De Grieken werden nooit tot één natie vereenigd; toch droegen de spelen er veel toe bij, dat zij tot de overtuiging kwamen, dat zij een aantal gezamenlijke belangen hadden en dat, indien een volksstam de hulp van een vreemdeling inriep tegen een anderen stam, deze als het ware een verrader van zijn vaderland was.
HOOFDSTUK VIII.
DE GRIEKSCHE KOLONIËN: DE TYRANNEN.
De spelen deden veel om de Grieken tot eenheid te brengen en aan hun vaderland te binden; maar toch hadden een groot aantal van dezen hun woonplaatsen verlaten en waren naar andere landen getrokken. Er waren drie redenen voor dien uittocht. De ééne was, dat de steden zich uitbreidden; een aantal mannen, die vermogend waren geworden, hadden slechts weinig deel aan het staatsbestuur en werden daardoor ontevreden en ongedurig. Een tweede reden was, dat een groot aantal personen, die niet rijk waren, hoe langer hoe meer verlangden, zoo snel mogelijk fortuin te maken. Er was daartoe meer gelegenheid in de nog niet op zoo vasten grondslag gevestigde landen dan in Griekenland zelf. In de derde plaats waren de Grieken belust op avonturen, en daarom kon er steeds een troepje gevonden worden, die bereid waren in oostelijke richting te trekken of zelfs om weg te zeilen, ten einde na te gaan, wat kon worden ontdekt in het wonderland in het verre westen, dat is in Italië of Sicilië of Sardinië. Zij konden bijna overal waar zij dit wenschten, landen en een kolonie stichten, immers slechts weinige van de stammen, die langs de kusten der Middellandsche Zee woonden, stelden prijs op die kusten of op de havens. Zij waren zelfs dikwijls blijde, als vreemdelingen naar hun land kwamen, om met hen handel te drijven. Zoo verklaart het zich, dat tusschen de jaren 750 en 600 vóór Christus Grieksche koloniën bij dozijnen werden gesticht. Menschen, die goud en zilver wilden delven, zij die van plan waren visch of vee of koren of slaven te koopen, zeilden naar de kusten van den Pontus Euxinus of de Zwarte Zee. Zij die meenden rijk te zullen worden door handel te drijven in barnsteen en tin, reisden naar de kusten van het tegenwoordige Frankrijk; immers die kostbare artikelen konden gemakkelijk van het noorden worden toegevoerd langs de Rhone. In vroeger tijden waren er koloniën gesticht op de eilanden en aan de kusten der Aegeïsche Zee, en later op de eilanden ten westen van Griekenland, aan de kusten van Afrika, aan de Delta van den Nijl in één woord: overal waar een troepje Grieken meende, dat er een goede gelegenheid bestond om handel te drijven, werden Grieksche kolonies gesticht. Apollo was de god van het koloniseeren; het behoeft dus geen betoog, dat nooit kolonisten hun tocht aanvaardden zonder raad in te winnen bij het orakel te Delphi. Die raad was van bijzonder groote waarde, immers menschen van heinde en ver kwamen daar, om het orakel te raadplegen, en de priesters hadden heel wat beter gelegenheid inlichtingen te ontvangen omtrent de verschillende landen dan anderen. Als een troep Grieken, die een kolonie wenschten te stichten, het orakel raadpleegden omtrent de plaats, waar zij zich heen wenschten te begeven, zouden zij misschien vernemen, dat het land niet vruchtbaar was, of dat de inboorlingen wild en oorlogzuchtig waren, of dat er op die kust geen goede havens waren. Dan veranderden de kolonisten hun plan en kozen zij een andere plaats om zich te vestigen.
Meestal kwam eenzelfde troep kolonisten van dezelfde stad. Zij brachten altijd eenige sintels mede van de heilige vuren hunner geboorteplaats, en daarmede ontstaken zij de altaarvuren van hun nieuwe woonplaats. Zij stonden echter niet langer onder de heerschappij der oude stad, maar waren volkomen vrij, zich zelf te besturen zooals zij dit het best achtten. De koloniën waren volstrekt niet overbevolkt; er was ruimte genoeg voor iedereen, om te leven op de wijze, die zij verkozen. De opvattingen der kolonisten waren veel oorspronkelijker en vermeteler; en gedurende langen tijd waren de dichters en wijsgeeren van de koloniën der eilanden grooter dan die van het vasteland van Griekenland. Het kleine eiland Lesbos was de woonplaats van den dichter Alcaeus en de dichteres Sappho (Saffo). Alcaeus schreef voornamelijk over staatkundige onderwerpen, maar toch vond hij nog tijd om een gedicht op Sappho te vervaardigen, waarin hij haar noemde "de violetwevende, reine, liefelijk lachende Sappho." Sappho zelf vervaardigde zóó prachtige gedichten, dat men van haar niet sprak als van "een dichteres", maar als van "de dichteres". Een schoone gedachte wordt door haar uitgedrukt in de volgende woorden:
"De sterren, die schittrend aan 't hemeldak staan, Verbleeken, en 't is met haar luister gedaan, Zoodra volle maan heel den hemel verlicht, En ons doet bewond'ren haar zilveren gezicht."
De grootste wijsgeer van dien tijd, Pythagoras, was eveneens geboren op één der Grieksche eilanden, en wel op Samos, een eiland, nauwelijks vijf en veertig kilometers lang. "Wat is een wijsgeer?" werd hem eens door een koning gevraagd; en hij antwoordde: "Bij de spelen wenschen enkelen roem te verwerven, anderen wenschen voor geld te koopen en te verkoopen, en anderen wenschen toe te zien, wat de anderen doen. Zoo gaat het ook in het leven; en de wijsgeeren zijn diegenen, die toezien, die de natuur bestudeeren en naar wijsheid zoeken." Er loopen omtrent Pythagoras de meest dwaze verhalen. Eén daarvan is, dat hij een wilden beer temde, door hem toe te spreken; een ander, dat, toen hij een rivier overstak, de rivier uitriep: "Heil u, Pythagoras!" Hoewel hij nooit beren temde door ze toe te spreken, of luisterde naar de begroetingen van rivieren, bewijzen toch die verhalen, dat hij als een merkwaardig man door al zijn tijdgenooten werd beschouwd. Hij was dan ook inderdaad een diep denker en was zeer geleerd in de wiskunde. Enkele echter van zijn stellingen waren zeer zonderling; hij meende bij voorbeeld, dat de planeten bij haar beweging in de ruimte een prachtige harmonie voortbrachten. "Waarom hooren wij die dan niet?" vroegen zijn leerlingen. "Omdat de muziek te fijn is voor de menschelijke ooren," luidde zijn antwoord. Eén van zijn wijze spreuken was: "Rakel nooit een vuur op met een zwaard"; wat beteekent, dat, indien iemand vertoornd is, men niets moet doen om dien toorn aan te wakkeren. Een andere spreuk was: "Verlaat uw post niet, als het u niet door den aanvoerder is bevolen," wat beteekent: Pleeg geen zelfmoord.
Het koloniseeren duurde, zooals wij opmerkten, van 750 tot 600 vóór Christus. Gedurende het grootste gedeelte van dien tijd hadden de meeste Grieksche staten hun regeeringsvorm veranderd. In de vroegere tijden waren zij alle door koningen bestuurd. De macht der koningen werd hoe langer hoe minder, en ten slotte namen in bijna iederen staat enkele van de machtigste geslachten, eigenaars van groote landgoederen, de regeering in eigen handen. De regeeringsvorm werd toen een oligarchie, dat beteekent, een regeering door enkelen. Die "enkelen" beweerden, dat zij afstammelingen waren van de helden, en dat zij veel verstandiger waren dan het volk om hen heen. Het gemeene volk was dit meestal volstrekt niet met hen eens, en in de meeste staten stond na korten tijd de ééne of andere leider op, die de regeering bemachtigde. Een dergelijke bestuurder werd een tyran genoemd, dat wil zeggen, iemand wiens macht niet aan de wetten is ontleend.
In één opzicht was de regeering van de tyrannen in het voordeel van den staat; immers ten einde de gunst der goden te winnen, bouwden zij een aantal prachtige tempels. Door den bouw van die tempels en andere openbare werken werden de steden heel wat fraaier dan wanneer de koningen de macht in handen hadden, en kreeg het volk eveneens werk te verrichten. Sommigen onder de tyrannen waren humaner en welwillender dan de koningen geweest waren; toch hadden de Grieken bezwaar tegen het denkbeeld, te worden geregeerd zonder dat de heerschers aan bepaalde wetten gebonden waren, zoodat zij aan de willekeur van één enkel persoon waren overgeleverd, en dus duurde de tyrannie zelden lang. Sparta had nooit een tyran, en voortdurend was zij bereid andere staten te helpen een tyran te verdrijven, als het kon strekken tot vermeerdering van hun eigen macht.
Één van de meest bekende tyrannen was Polycrates van Samos, die een geruimen tijd de gelukkigste man van de wereld scheen te zijn. Hij bemachtigde den troon op het ééne eiland na het andere, en zelfs met behulp van Sparta kon het volk niets tegen hem uitrichten. Hij bouwde een vloot van honderd schepen, en zoo dikwijls hij hoorde, dat een galei met een bijzonder rijke lading in de nabijheid was, zond hij enkele van die snelzeilende schepen ter vervolging uit, en werd den tyran een rijke schat thuis gebracht. Wat hij ondernam gelukte hem; eindelijk schreef hem zijn vriend, de koning van Egypte, het volgende: "De goden zullen zeker afgunstig worden op uw voorspoed. Ik bid u, offer datgene op, wat gij het meest op prijs stelt, opdat zij in hun afgunst zich niet op u zullen wreken en u ernstig nadeel berokkenen." Er was nu één ding, dat Polycrates als zijn zeldzaamsten schat beschouwde, en dat was een schitterende zegelring van smaragd. Hij wierp dien in gevolge den raad van zijn vriend in zee. "De goden zullen nu zeker wel niet jaloersch op mij zijn," zoo sprak hij, terwijl hij met verdriet naar de plaats keek, waar zijn kostbare schat ondergezonken was. Eenige dagen later bracht hem een visscher een grooten visch ten geschenke. En zie, toen de visch was opengesneden, kwam daaruit de smaragden ring voor den dag. Toen de koning van Egypte daarvan hoorde, dacht hij: "De goden weigeren het offer, dat hij gebracht heeft. Ik kan niet langer zijn bondgenoot blijven, want ongetwijfeld zal hem spoedig een vreeselijk onheil treffen." De voorspelling werd vervuld, immers Polycrates viel in handen van een vijand, die hem door kruisiging ter dood bracht.
Een tweede beroemde tyran was Dionysius van Syracuse, die meer dan een eeuw na Polycrates leefde. Deze was wreed en wraakzuchtig; toch wordt er één aardig verhaal omtrent hem verteld. Een zekere Pythias had een samenzwering tegen hem gesmeed en was ter dood veroordeeld. Pythias smeekte om enkele dagen vrijgelaten te worden, ten einde een handelszaak nog vóór zijn dood te regelen. "Mijn vriend Damon zal mijn plaats innemen," zoo sprak hij, "en als ik niet terugkeer, is hij bereid in mijn plaats te sterven." Dionysius had geen flauw begrip van een zoo trouwe, opofferende vriendschap, maar hij was zóó nieuwsgierig om te zien, wat het resultaat zou zijn, dat hij in de ruiling toestemde. De tijd voor de terechtstelling naderde al meer en meer, maar Pythias kwam nog steeds niet terug. Op het laatste oogenblik kwam hij aanhollen, buiten adem van het loopen, daar een onvoorzien beletsel hem had opgehouden. Het verhaal luidt, dat Dionysius door die onzelfzuchtige liefde zóó bewogen was, dat hij Pythias vergiffenis schonk en smeekte, dat hij als derde in hun vriendschapsbond mocht worden opgenomen.
HOOFDSTUK IX.
DE EERSTE EN DE TWEEDE PERZISCHE TOCHT.
In den loop der tijden verjoegen de meeste Grieksche staten hun tyrannen. Dit was gelukkig, immers in de moeilijkheden, die hun te wachten stonden, was het noodzakelijk, dat er tusschen de verschillende burgers van een staat eensgezindheid heerschte, en dat zij bovendien niet werden bestuurd door iemand, die zich weinig bekommerde om hen of om het vaderland, als hij zelf maar zijn positie als tyran kon handhaven.
De moeilijkheden kwamen van het oosten. Juist aan de andere zijde van de Aegeïsche Zee lag de landstreek Lydië. Hier en in het naburige grondgebied hadden de Grieken koloniën gesticht, en daar zoovelen der kolonisten uit Athene en andere Jonische steden gekomen waren, en daarom van Jonisch bloed waren, werd de geheele groep een volksplanting, bekend onder den naam van Jonië. Die volksplantingen waren voorspoedig en rijk geworden. Het was zeer gemakkelijk in Lydië rijk te worden. Lydië was het land, waar volgens de overlevering koning Midas had geleefd, die het vermogen had gekregen, alles wat hij aanraakte in goud te veranderen, een vermogen, dat hij afschuwelijk begon te vinden, toen zijn dochter bij zijn aanraking in een levenloos gouden beeld was overgegaan. Het verhaal liep, dat de bodem van de rivier den Pactolus in goud was veranderd, toen Midas de eigenschap, dat alles wat hij aanraakte in goud overging, verloren had, nadat hij in den Pactolus had gebaad. Hoe dit moge zijn, zeker was het, dat de rivier op den bodem goudzand bevatte. In het begin hadden de Lydiërs zich niet veel om hun zeekust bekommerd, en hadden zij zich tegen de vestiging der Grieken niet verzet; maar naarmate de tijd voorbijging, begon zich bij hen de overtuiging te vestigen, dat een koninkrijk niet van de zee moest worden afgesloten door volkeren van een geheel anderen stam. "Jonië moet ten minste toegeven, dat ik er koning over ben," zoo sprak de beheerscher der Lydiërs, en hij viel Milete aan, de grootste en rijkste van alle steden in de koloniën. De aanval eindigde in goeden vrede; de stad en het koninkrijk kwamen overeen, in vriendschap te leven.