De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 5

Chapter 53,857 wordsPublic domain

Ten slotte zagen zelfs de Eupatriden, die het leven luchthartig opnamen, dat iets moest gedaan worden, om de moeilijkheden te verminderen. Er was één feit, dat het volk ontzettend onbillijk vond, en wel: dat de wetten nooit openlijk waren afgekondigd; indien dus een Eupatride het eigendom van iemand uit het volk wegnam, was er voor dezen geen middel, om te ontdekken, of in overeenstemming dan wel in strijd met de wetten was gehandeld. "Indien wij de wetten openlijk afkondigen, zullen zij tevreden zijn," meenden de edelen; en zij kozen een Eupatride, Draco genaamd, om alles te verzamelen en te herzien, wat tot nu toe naar de algemeene overtuiging wetten genoemd werd. Langen tijd na Draco was de wetgeving zóóveel zachter en menschelijker geworden, dat men zeide, dat de wetten van Draco "in bloed waren geschreven," maar dat zij toch veel redelijker en rechtvaardiger waren dan de ongeschreven wetten, die vóór dien tijd van kracht waren geweest. Bovendien gaf zijn wetboek veel grooter macht aan het volk, dat niet tot de aanzienlijken behoorde "de menigte," zooals de Eupatriden hen noemde; immers het bevatte de bepaling, dat de overheidspersonen niet tot de Eupatriden behoefden te behooren, maar konden gekozen worden uit de leden der Ecclesia, of de algemeene vergadering, dat waren die lieden, die een zeker inkomen uit het land trokken. Het wetboek stond zelfs de Ecclesia toe, de overheidspersonen te kiezen. Dit was voor "de Menigte" een groote vooruitgang, want iedereen die in staat was zich zelf wapenen aan te schaffen voor den strijd, had het recht tot de Ecclesia te behooren.

Draco vormde bovendien uit het geheel der burgers een Raad, die onder andere tot taak had, aan de Ecclesia wetten voor te stellen.

Die wetgeving van Draco was in sommige opzichten voortreffelijk; maar hij vergat één belangrijk feit, en wel, dat die lagen der bevolking, die arm en hongerig waren, en in voortdurend gevaar verkeerden om als slaven te worden verkocht, zich niet veel tevredener zouden gevoelen, omdat zij wisten, dat enkele anderen, die het iets beter hadden dan zij, nu het recht hadden deel te nemen aan de stemming voor overheidspersonen.

Één der Eupatriden, Cylon genaamd, meende, dat het een gunstig oogenblik was, zich zelf tot tyran uit te roepen. Hij zelf en zijn volgelingen bezetten den grooten burcht, de Acropolis, in de verwachting, dat het lagere volk zich bij hen zou voegen. Dit gebeurde echter niet, en spoedig waren zij omsingeld door den archont Megacles en het staatsleger. Cylon ontsnapte, terwijl zijn volgelingen zich terugtrokken in den tempel van Athene, die op de Acropolis stond. Megacles was daardoor in een moeilijken tweestrijd. Het zou een misdaad zijn jegens de godheid, als hij zelfs opstandelingen aanviel, als zij in den tempel der godin gevlucht waren onder haar bescherming; en het zou den tempel bezoedelen en onrein maken, als manschappen daarin aan den hongerdood werden prijs gegeven. Eindelijk zond hij een boodschap aan de opstandelingen in deze bewoordingen: "Indien gij u overgeeft, zal ik uw leven sparen." De opstandelingen stemden daarin toe, maar zij waren er niet volkomen zeker van, dat de archont zijn woord zou houden; daarom bonden zij, toen zij den tempel verlieten, een touw aan het altaar van Athene, en daalden van de Acropolis af, met het touw in de hand. Waarschijnlijk hielden zij het touw iets te stevig vast, immers het brak plotseling. "De godin weigert u te beschermen," riep Megacles uit, en viel de ongelukkige slachtoffers aan. Enkelen werden op slag gedood, anderen gesteenigd. Daarna was het de beurt der Atheners, om beangst te worden. "De godin Athene zal zeker de stad straffen," zoo kermden zij, en zij eischten, dat Megacles zou worden verbannen. Sommigen der edelen waren van dezelfde meening, doch anderen waren niet geneigd, een bondgenoot op te offeren. Ten slotte werd, door den invloed van een wijzen Eupatride, Solon genaamd, Megacles in staat van beschuldiging gesteld. Het eindigde er mede, dat hij met zijn geheele geslacht, de Alcmaeoniden, verbannen werd.

Solon was volstrekt geen vreemdeling voor zijn landgenooten. Het was door zijn toedoen, dat het eiland Salamis toen aan Attica toebehoorde. Zoowel Athene als de stad Megara hadden er aanspraak op gemaakt, en toen uit dien twist een oorlog ontstond, werden de Atheners zóó vreeselijk verslagen, en waren zij zóó wanhopig, dat zij een wet uitvaardigden, die luidde, dat iedereen, die voorstelde, den oorlog met Megara te hernieuwen, ter dood zou worden gebracht. Solon was er van doordrongen, dat het een schande voor zijn vaderland zou zijn, Salamis op te geven, maar hij had er volstrekt geen lust in, ter dood gebracht te worden. Ten slotte maakte hij een plan, zijn landgenooten wakker te schudden. Hij sloot zich op in zijn eigen huis en liet het gerucht verspreiden, dat hij krankzinnig was. In werkelijkheid hield hij zich bezig met de vervaardiging van een gedicht over Salamis, dat de gemoederen in opstand moest brengen. Op zekeren dag ijlde hij plotseling naar de marktplaats, waar altijd een menigte gereed stond, verlangend wat nieuws te hooren, en zeide hij zijn gedicht op. Dit begon aldus:

"Hoor en let op: ik kwam van Salamis, Om van uw dwaling u te overtuigen."

Een krankzinnige kon niet gestraft worden wegens de overtreding van een wet, en de Atheners waren door dit gedicht zóózeer wakker geschud, dat zij besloten, den oorlog te hernieuwen. Zij schijnen overtuigd geweest te zijn, dat Solon zóó krankzinnig was, dat hij niet kon worden gestraft, maar tevens toch genoeg bij zijn verstand, om een goed legeraanvoerder te zijn; daarom droegen zij hem het opperbevel over hun troepen op. Eindelijk viel Salamis in de handen der Atheners.

Om die redenen stelden zoowel de Eupatriden als de groote menigte een groot vertrouwen in Solon, en gaven zij hem het recht alles te doen, wat naar zijn oordeel zou kunnen bijdragen tot verbetering van den toestand. Er was ongetwijfeld behoefte aan iemand met een groot verstand, want geheel Attica was in beroering. Behalve de moeilijkheden tusschen de armen en de rijken, waren er voortdurend drie partijen, die aanhoudend met elkander twistten: de bevolking der vlakten, die woonde in de meest vruchtbare landstreek; de menschen, die aan de kust woonden, die dus dicht bij de zee leefden, en visschers en handelslieden waren; en de bergbewoners of schaapherders, die woonden aan de ruwe hellingen der heuvels, waar zij hun kudden weidden.

Die verschillende soorten van menschen hadden ook verschillende doeleinden en begeerten; en niemand, hoe verstandig hij ook mocht zijn, kon allen tevreden hebben gesteld. Solon schonk slechts zeer weinig aandacht aan wat een bepaalde klasse van menschen verlangde, maar deed, wat hij dacht, dat het meest in het belang was van den geheelen staat. De grootste en meest dringende moeilijkheid was, dat zoovele menschen in schulden staken. De kleine boeren, die een eigen boerderij bezaten, verloren snel hun boerderijen en werden daglooners, terwijl daglooners als slaven verkocht werden. Een zóó groot aantal was als slaven verkocht, dat hun afwezigheid een groot verlies was voor het land. De eerste besluiten van Solon waren nu deze, dat men zijn schulden kon afdoen in een nieuwe munt, die een vierde minder woog dan de oude, maar die toch gerekend zou worden de vroegere waarde te hebben gehouden; dat de schulden der landbouwers, die geld van den staat hadden geleend, zouden worden vrijgeschonken; dat hij, die er in had toegestemd, de slaaf te worden van een ander, als hij geleend geld niet op tijd teruggaf, niet aan zijn verplichting gehouden zou zijn; en dat zij, die naar vreemde landen zouden zijn verkocht, teruggebracht zouden worden op kosten van den staat of van hen, die hen had verkocht.

Op het eerste gezicht schijnen die wetten tamelijk onbillijk geweest te zijn tegenover de schuldeischers; maar in het algemeen was het zeker, dat, als een rijk man geld leende aan een arme, hij zeer goed wist, dat hij nooit zijn geld kon terugkrijgen; zijn doel was, den man zelf in zijn macht te krijgen, dat is, vrije burgers tot slaven te maken, en het was niet goed, dat dit door de wetten werd bekrachtigd.

Solon was zelf een Eupatride, maar hij kon niet goedkeuren, dat de wetten uitsluitend door de Eupatriden werden gemaakt. Hij verdeelde het volk in vier klassen, in verband met het inkomen, dat zij uit hun landerijen trokken. De rijken bezetten meer ambten, maar moesten ook hoogere belastingen betalen. Zij, die tot de laagste klasse behoorden, dat waren zij, die te arm waren om wapenen en een wapenrusting voor zich zelf te koopen, waren tot geen ambt verkiesbaar, maar zij betaalden geen belasting; en iedereen, zoowel armen als rijken, behoorde tot de Ecclesia en had stemrecht. Zoo maakte Solon de instellingen in overeenstemming met zijn geliefde lijfspreuk: "Gelijkheid veroorzaakt geen oorlogen." Met die nieuwe wetten stond voor iedereen de gelegenheid open, om van de ééne klasse tot een andere op te klimmen, en ten slotte de hoogste ambten in den staat te bekleeden. Iedereen kon zelfs lid van den Areopagus worden, en in de oogen van den Athener was dit het hoogste der staatsambten. De meeste wetten van Draco werden afgeschaft, en Solon vervaardigde een nieuw wetboek. Ten slotte schonk hij amnestie aan de Alcmaeoniden en stond hen toe, naar Athene terug te keeren. Hij bepaalde niet naar vaste regelen, hoe kinderen moesten worden opgevoed, maar blijkbaar wenschte hij niet, dat zij hun tijd in lediggang doorbrachten, immers hij bepaalde, dat niemand verplicht was zijn vader in diens ouderdom te ondersteunen, tenzij de vader hem als knaap geleerd had zich zelf door het ééne of andere bedrijf te onderhouden. Solon wijdde al zijn gedachten aan het heil van den staat. Hij was niet, evenals Lycurgus, van meening, dat men het geld moest minachten, maar veeleer, dat men het zóó zorgzaam en verstandig moest gebruiken, dat er geen gebrek aan was, als men het noodig had. Op dien grond maakte hij enkele bepalingen, waarbij het bedrag werd beperkt, dat bij begrafenissen mocht worden besteed, waar meestal heel wat geld voor werd uitgegeven, en zoo maakte hij ook enkele bepalingen omtrent de kleeding der vrouwen; indien bij voorbeeld een vrouw op reis ging, mocht zij niet meer dan drie gewaden medenemen. De wetten werden op houten tafels geschreven, en die werden daar geplaatst, waar iedereen ze kon lezen.

Er waren zóóveel verschillende partijen in Athene, dat niemand van deze volkomen voldaan was. Gedurig zochten zij Solon dan ook op. "Wat beteekent die wet?" vroegen zij dan, of "Waarom wordt die wet niet veranderd?" Ten slotte besloot Solon weg te gaan, en het volk en de wetten een tijd lang met rust te laten. Toen hij echter naar Athene terugkeerde, bleek het hem, dat de burgers evenmin tevreden waren als toen hij ze had verlaten. De aanzienlijken hadden gedacht, dat alles rustig en kalm zou zijn, nadat de schulden waren kwijtgescholden, terwijl het hun bleek, dat dit niets had geholpen. Een aantal arme lieden waren van hun kant vreeselijk teleurgesteld, daar zij verwacht hadden, dat hun vriend Solon hen allen op de ééne of andere geheimzinnige wijze rijk zou maken. De aanzienlijken waren het ook onderling oneens, en de drie gedeelten, de mannen uit de vlakten, die der kusten en die der bergen, waren nog steeds oneenig.

HOOFDSTUK VI.

DE REGEERING VAN PISISTRATUS EN DE ALCMAEONIDEN.

De Atheners waren, zooals in het vorige hoofdstuk is gezegd, onrustig en ontevreden, zoodat zij met ongeduld naar eenige verandering uitzagen. Het was dus juist de geschikte tijd voor een listig man, plannen te smeden, om de volksgunst te winnen en tyran te worden. Er was toen juist iemand, geschikt om dit te doen. Hij heette Pisistratus. Hij was bij het volk in groot aanzien wegens zijn vrijgevigheid en omdat hij overwinningen behaald had bij de Olympische wagenrennen. Hij deed het voorkomen, alsof hij volkomen tevreden was met de wetten van Solon, en dat hem niets anders ter harte ging dan het heil van zijn vaderland. Het volk geloofde hem volkomen, en toen hij eens op het marktplein kwam aanrijden, met bloed besmeerd, namen zij in volle vertrouwen de waarheid aan van zijn verhaal, dat zijn vijanden hem haast hadden vermoord, omdat hij zich zoozeer wijdde aan het heil van het volk. Het marktplein was vol van het armste volk, welks bijzondere vriend Pisistratus beweerde te zijn. Solon was daar eveneens en riep uit: "Pisistratus, gij hebt dit zelf gedaan, om uw landgenooten te bedriegen." Toch schonk het volk den bedrieger geloof en nam onmiddellijk een voorstel aan,--dat gedaan werd door iemand, dien hij vooruit daarvoor had aangenomen--dat hun miskende vriend een lijfwacht zou hebben van vijftig man, met stokken gewapend. Geleidelijk nam dit aantal toe. "Het volk" wilde dit, en de aanzienlijken durfden zich niet te krachtig tegen hen te verzetten. Na korten tijd bestond de lijfwacht reeds uit vierhonderd krachtige mannen. Daarna bezette Pisistratus de Acropolis. Hij werd tyran van Athene en Athene was niet langer vrij. Herhaaldelijk had Solon de Atheners gewaarschuwd, maar zij hadden zijne waarschuwingen in den wind geslagen. Ten laatste legde hij zijn schild en zijn zwaard buiten zijn deur op den grond en sloot de deur, terwijl hij zeide: "Ik heb alles gedaan wat ik vermocht, om mijn vaderland en de wetten des lands te verdedigen."

Pisistratus gevoelde zich nu meester van Athene. "Hoe zal hij Solon behandelen?" vroeg het volk zich af. Spoedig werd het hun duidelijk, dat hij er niet aan dacht, Solon eenig leed aan te doen. Integendeel, dikwijls won hij zijn raad in, waar het openbare aangelegenheden betrof; en Solon was edelmoedig genoeg en bezat genoeg vaderlandsliefde, om nooit zijn raad te weigeren, als hij dacht, dat het den staat ten goede zou komen.

Pisistratus verbande de Alcmaeoniden, maar na korten tijd werd hij zelf uit de stad verjaagd. Het gelukte hem terug te keeren, en het was een eigenaardige terugkeer. Deze had plaats op een feestdag, toen de straten vol volk waren, dat de optochten gadesloeg, die ter eere van de goden werden gehouden. De ééne optocht na den anderen was voorbij gekomen, toen plotseling de luide stemmen van herauten gehoord werden, die riepen: "Mannen van Athene, ontvangt en verwelkomt Pisistratus! Athene eert hem boven alle andere mannen, en brengt hem nu terug naar haar eigen Acropolis!" Een prachtig militair geleide volgde, en toen kwam een prachtige wagen aanrollen, waarin een lange, schoone vrouw zat, gekleed in volle wapenrusting met schild en speer, en zooveel mogelijk gelijkend op Athene, zooals de Grieken haar zich voorstelden. Naast den wagen reed de tyran. Het volk keek met de grootste verbazing toe. "Het is de godin zelf," fluisterden enkelen met ontzag; anderen zagen, dat het niets dan een list was; maar het einde was, dat de poort van de Acropolis werd opengeworpen en dat Pisistratus ten tweeden male tyran van Athene was. Ten tweeden male werd hij uit de stad verdreven, doch daarna keerde hij door wapengeweld terug. Eindelijk was hij meester van den toestand, en wist hij zich achttien jaren lang tot aan zijn dood te handhaven.

Natuurlijk kwam de regeering niet van rechtswege aan Pisistratus toe, maar niemand kon ontkennen, dat hij er een goed gebruik van maakte. Wel is waar hield hij de hoogste ambten voor leden van zijn eigen geslacht beschikbaar, maar hij was welwillend voor de arme landbouwers en gaf hun vee en zaden en landbouwgereedschappen. Hij verfraaide de stad met prachtige tempels; hij bouwde een stevige waterleiding om het water van de bergen naar beneden te voeren, en hij deed een prachtigen tuin aanleggen aan den oever eener rivier in de nabijheid der stad. Hierin waren statige gebouwen, fonteinen en heerlijke wandelingen in schaduwrijke boschjes. Hier plachten de Atheensche jongelingen samen te komen voor militaire oefeningen. Hij legde wegen aan naar verschillende gedeelten van het land. Deze gingen alle uit van een altaar in Athene, en daar waren tafels geplaatst, waarop de afstanden naar de verschillende plaatsen waren aangeteekend. De wegen zelf werden veel geriefelijker en aangenamer voor reizigers gemaakt, immers daarop werden mijlpalen geplaatst, niet maar gewone steenen, maar houten palen, waarvan de top eindigde in een Hermeskop, den god, tot wien zij, die op het punt waren op reis te gaan, om bescherming baden. Dikwijls werd het ééne of andere grappige gezegde in den paal gesneden.

Natuurlijk vergat Pisistratus de godin Athene niet. Er is een oud verhaal, dat zij en Poseidon eens met elkander wedijverden, om te zien, wie de nuttigste gave aan de stad kon schenken. Poseidon gaf een fontein van zout water, en Athene een olijfboom. Het werd uitgemaakt, dat het geschenk der godin het meest waard was. Haar naam werd aan de stad gegeven, en steeds werd zij bijzonder vereerd. Pisistratus bouwde voor haar dienst een tempel, en jaarlijks vierde hij een prachtig feest ter harer eer. De oudste Grieken meenden, dat het beeld eener godin in zeker opzicht de godin zelf was, en zij waren er van overtuigd, dat Athene zich ten zeerste verblijdde, als zij een indrukwekkenden optocht hielden op dit feest, en naar den tempel een schitterend nieuw gewaad brachten om daarmede het beeld der godin te bekleeden. Al die dingen zijn reeds lang voorbijgegaan, en hoezeer deze de Atheners hebben mogen behaagd, voor ons maken zij weinig verschil meer. Doch men verhaalt van Pisistratus één daad, waarvoor ook wij nog, zelfs na vier en twintig eeuwen, hem dankbaar mogen zijn; men zegt toch, dat hij alle menschen, die de werken van Homerus en Hesiodus kenden, naar Athene heeft samengeroepen, om de gedichten te vergelijken, zooals zij gewoon waren die op te zeggen. Die lezing, waarvan uitgemaakt werd, dat zij de beste was, werd zorgvuldig op schrift gebracht; en dit is de oorzaak, dat wij thans nog de gedachten van die twee groote schrijvers kunnen lezen in ongeveer dezelfde woorden, waarin de oude Grieken die lazen. Pisistratus stelde er zich niet mede tevreden, de doode dichters eer te bewijzen; hij noodigde ook de besten der toenmaals levende dichters uit, Athene tot hun woonplaats te kiezen, en hij zorgde er voor, dat zij daar behagelijk konden leven.

Toen Pisistratus in het jaar 527 vóór Christus stierf, was er niemand, die zijn zoon Hippias verhinderde, hem op te volgen. In het begin was Hippias welwillend voor het volk, maar na eenigen tijd werden hij en zijn jongere broeder Hipparchus zóó hoovaardig en aanmatigend, dat een samenzwering werd gesmeed, om hen te vermoorden. Hippias ontkwam, maar zijn broeder werd gedood. Daarna trad Hippias zóó tyranniek op, dat zij, die vroeger zeer met hem waren ingenomen, er naar begonnen te verlangen, dat hij van de regeering werd gestooten. Er waren bovendien enkelen, die buiten Athene verblijf hielden, en die hetzelfde wenschten. Dit waren de Alcmaeoniden, die gedurende al dien tijd in ballingschap hadden geleefd. Steeds hadden zij gehoopt terug te kunnen keeren, en zij waren verstandig genoeg te weten, dat de eerste stap daartoe was, de gunst te winnen van de priesters te Delphi. Zij wachtten verlangend naar een gelegenheid; eindelijk kwam deze. De tempel van Apollo te Delphi vloog in brand en brandde tot den grond af. "Wij willen hem voor driehonderd talenten opbouwen," zeiden de Alcmaeoniden; en de overeenkomst werd gesloten. Nu was voor hen het geschikte oogenblik gekomen. Niet alleen dat zij zich aan de overeenkomst hielden, maar zij deden veel meer dan hun plicht was, daar zij niet alleen de standbeelden en het beeldhouwwerk, maar ook het geheele gebouw in ieder opzicht veel schooner maakten dan zij hadden afgesproken. Zij hadden bij voorbeeld beloofd, dat zij het voorportaal van den tempel van kalksteen zouden vervaardigen; maar in plaats van gewoon kalksteen, maakten zij gebruik van het zuiverste en witste Parisch marmer.

De Grieken waren hiermede ten hoogste ingenomen, en de priesters van Apollo waren bereid alles voor de edelmoedige Alcmaeoniden te doen. Het was voor hen een gemakkelijke zaak, gunsten te bewijzen, zoolang zij de beschikking hadden over het orakel, en zij begonnen dus pogingen in het werk te stellen om de Alcmaeoniden weder naar Athene terug te brengen. De Spartanen waren flinke krijgslieden en hadden reeds lang er naar gehaakt, Athene aan zich te onderwerpen; zoo dikwijls zij nu het orakel raadpleegden over de ééne of andere onderneming, was het antwoord steeds: "Bevrijdt eerst Athene." Eindelijk trok de Spartaansche koning Cleomenes met zijn leger uit, en het duurde toen niet lang meer, of de Alcmaeoniden kwamen terug te Athene, en Hippias werd gedwongen in ballingschap te gaan.

De aanvoerder der Alcmaeoniden was Clisthenes, en spoedig werd hij de heerscher van Athene. Het gelukte hem, twee veranderingen tot stand te brengen, die bijzonder voordeelig waren voor zijn land: hij wist te bewerken, dat er meer eenheid kwam onder de burgers, en hij gaf het gewone volk een ruimer aandeel in het stadsbestuur. De eenheid onder de bevolking bracht hij tot stand door hen op een geheel andere wijze te verdeelen dan voorheen het geval was geweest. Er waren vroeger vier "Jonische phylae", zooals zij genoemd werden, en iedereen zag op tegen de aanzienlijke mannen van zijn eigen phyle en behoorde tot de ééne of andere partij. Clisthenes besloot die partijen uit elkander te rukken, en dit deed hij op de volgende wijze: Hij verdeelde het geheele land in tien districten of demen. Daarna vormde hij een phyle, bestaande uit de bevolking van één deme in het noorden van Attica, een andere in het zuiden en zoo vervolgens. Er waren tien van die phylae, maar de bevolking van de verschillende demen waren voor elkander vreemdelingen; en zoo was het voor een ontevreden edele nu lang zoo gemakkelijk niet als te voren, om een partij samen te stellen, die hem hielp. Sedert den tijd van Draco was er steeds een Raad geweest, die wetten aan het volk voorstelde, en Clisthenes gaf nu iedere phyle het recht vijftig leden voor den Raad te kiezen. Iedere phyle echter koos een bestuurder over zich zelf, en eveneens een legeraanvoerder, die aan het hoofd van het leger stond gedurende één dag, om de beurten met de negen andere legeraanvoerders. Er werd echter geen verandering gebracht in de verdeeling der burgers in vier klassen, naar hun inkomen uit land, en het was nog altijd onmogelijk voor iemand uit de vierde klasse, om een staatsbetrekking te vervullen.

De regeeringsvorm van Attica was nu een democratische, dat wil zeggen, een volksregeering. In vroegere dagen kon niemand overheidspersoon zijn, tenzij hij tot de Eupatriden behoorde. Draco stond de Ecclesia toe, de overheidspersonen te kiezen uit hen, die een zeker inkomen uit land trokken. Tot de Ecclesia liet hij alleen toe, die wapenen en een wapenrusting uit eigen middelen konden bekostigen. Solon wilde niet, dat iemand tot overheidspersoon gekozen werd, als hij niet, zooals in de dagen van Draco, een bepaald inkomen uit land trok; maar hij liet een ieder tot de Ecclesia toe, zoowel hen, die uit eigen middelen hun wapenen konden bekostigen, als hen, die daartoe niet in staat waren. Clisthenes wilde niet, dat de mannen uit de vierde klasse ambten bekleedden, maar het volk in zijn geheel gaf hij veel meer macht dan zij vroeger gehad hadden. Er waren een groot aantal nieuwe burgers, immers Clisthenes gaf hun, die uit andere landen in Attica waren gekomen, zelfs hun die eertijds slaaf geweest waren, het recht, burgers te worden.