De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 4
Dan zoude, als de jongens en meisjes volwassen geworden waren, Sparta bevolkt zijn met mannen en vrouwen, die altijd eenvoudig hadden geleefd en een minachting zouden hebben van een andere wijze van leven. Er was niet de minste twijfel aan, of zelfs een paar duizend van die mannen, voor den soldatenstand opgeleid, zouden in staat zijn, het in den strijd uit te houden tegen een heel wat grooter aantal van een vijandelijk leger. Om die reden vestigde hij veel meer zijn aandacht op de kinderen dan op de volwassenen. "Kinderen behooren aan den staat," zoo zeide hij, "en de staat heeft behoefte aan mannen en vrouwen, die gezond en krachtig zijn." Als dus een kind geboren was, deed een commissie van verstandige mannen een onderzoek, of het kind gezond was. Als het zwak of ziekelijk leek, werd het eenvoudig in een grot in de bergen geworpen, om daar te sterven. Als de commissie besliste, dat het kind naar alle waarschijnlijkheid tot een krachtig man zou opgroeien, werd het aan zijn vader en moeder teruggegeven. De knaap mocht slechts zeven jaar lang bij zijn ouders verblijf houden; na dien tijd moest iedere jonge knaap worden opgenomen in een groep jongens, die onder militaire tucht stond. De jongen, die het dapperst leek, werd tot aanvoerder aangesteld, en de anderen hadden te gehoorzamen aan al zijn bevelen. Totdat de knapen twaalf jaar oud waren, liepen zij bijna naakt rond, opdat zij zouden gehard worden tegen elke weersverandering. Zelfs mochten zij na dien tijd niet meer dan één kleedingstuk dragen. Zij werden naar den oever der rivier gezonden om riet af te breken voor hun bedden. Als de winter aanbrak, werd het hun, als een groote weelde, toegestaan om wat dons over het riet te spreiden.
Op den leeftijd van twaalf jaar werden de jongens gesteld onder toezicht van een jong man van twintig jaar, aan wiens bevelen zij moesten gehoorzamen. Dikwijls zond hij ze uit om voedsel of brandhout te halen; de bedoeling was, dat zij dit even listig zouden stelen, alsof zij waren in het land van den vijand. Als het hun gelukte, werden zij geprezen; maar als zij op heeterdaad werden betrapt, werden zij flink afgeranseld om hun onhandigheid. Na hun avondmaal riep hun leidsman hen dikwijls bijeen en legde hun verschillende proeven voor. Den éénen jongen beval hij dan "Zing een lied". Tot een anderen jongen zeide hij: "Vertel mij, wie de beste staatsburger in de stad is"; of "hoe denkt gij over die daad?" De jongens moesten niet alleen op die vragen een antwoord geven, maar zij moesten ook voor hun antwoorden goede redenen opgeven; en indien zij dit niet naar behooren deden, hadden zij elke straf te ondergaan, die hun leidsman meenen mocht, dat zij verdiend hadden. Natuurlijk hielden de ouderen en magistraten streng toezicht op den jongen leidsman, en indien hij niet rechtvaardig en verstandig was opgetreden, werd hij, nadat de jongere knapen weggezonden waren, flink afgerost.
De meisjes waren verplicht te rennen en te worstelen en schijven te werpen, maar werden niet half zoo streng behandeld als de knapen. Immers wat ook de knapen deden en waarheen zij gingen, steeds stond er iemand op wacht, om ze te straffen, als zij niet zoo goed oppasten, als men van hen mocht verwachten. Eén der redenen, waarom zij zoo dikwijls werden afgeranseld, was, dat zij zouden leeren, pijn licht te tellen. Minstens eenmaal werden de oudere knapen voor één der altaren gebracht en gegeeseld, en die knaap, die de pijn het langst uithield zonder te schreeuwen, ontving een prijs. Zij werden er zóó trotsch op, pijn te kunnen verdragen, dat somtijds een jongen dood viel onder die geeseling, zonder eens te hebben geschreeuwd of zelfs maar gekreund.
Wat de studie betreft, de jongens werden onderwezen in muziek en poëzie en een weinig lezen, schrijven en rekenen; maar veel tijd werd besteed aan het onderwijs in het spreken. Men verwachtte van hen, dat zij zouden zwijgen, als zij niets te zeggen hadden; en als zij spraken, werd van hen geëischt, dat zij zoo weinig mogelijk woorden gebruikten en dat zij hun antwoorden scherp en puntig zouden formuleeren. Lycurgus zelf handelde in volkomen overeenstemming met zijn voorschriften. Toen een Athener bij een zekere gelegenheid schertste over de korte zwaarden der Spartanen, antwoordde hij: "En toch kunnen wij daarmede de harten onzer vijanden bereiken." Toen men hem vroeg, of hij voornemens was een muur om Sparta te bouwen, antwoordde hij: "Die stad is goed versterkt, die een muur van mannen in plaats van een van steenen bezit." Iemand vroeg een Spartaan, om naar iemand te komen hooren, die den slag van een nachtegaal kon nabootsen. "Ik heb den nachtegaal zelf gehoord," was het antwoord. Die korte, puntige wijze van spreken ontleende daarom zijn naam aan dien van het land, en is van die dagen af tot op onzen tijd "lakoniek" genoemd.
Na twintig jaren op die wijze te zijn geoefend, was de Spartaan gereed voor de taak van krijgsman; en hij meende, dat ieder ander beroep of iedere andere bezigheid beneden zijn waardigheid was. Zelfs op de taak van het bebouwen van zijn eigen akker zag hij met de grootste minachting neer. "Dat was het werk van Heloten," beweerde hij.
Op zekeren dag, nadat Lycurgus een oud man was geworden, riep hij het volk te zamen en zeide: "Er is nog één zaak, die noodig is voor het geluk van den staat. Die zaak is nog van veel meer gewicht dan alles wat geschied is; maar wat het is, kan ik niet vertellen, voordat ik uit Delphi ben teruggekeerd. Wilt gij plechtig zweren, dat gij aan de wetten zult gehoorzamen tot na mijn terugkomst?" Allen legden een plechtigen eed af, dat zij gehoorzaam zouden zijn, en daarna vertrok hij met zijn zoon en enkelen van zijn dierbaarste vrienden. Daar offerde hij aan Apollo en vroeg: "Zijn de wetten, die ik heb gemaakt en uitgevaardigd, voldoende om de deugd te bevorderen en het geluk van den staat te verzekeren?" "Zij zijn uitstekend, en de staat, die zich aan die wetten houdt, zal de meest roemrijke staat van de wereld zijn," zoo luidde het antwoord. Lycurgus schreef dit orakel op en zond het naar Sparta; maar zelf keerde hij niet terug, daar hij het plan beraamd had te zorgen, dat de Spartanen zijn wetten eeuwig zouden in acht nemen. Hij bracht Apollo nog een laatste offer en nam afscheid van zijn zoon en zijn vrienden. Daarna weigerde hij alle voedsel en wachtte rustig en kalm den dood af. Nog één laatste verzoek deed hij. Het was dit, dat, nadat zijn lichaam zou zijn verbrand, de asch niet naar Sparta zou worden gebracht, maar in zee zou worden geworpen. "Dan" zoo sprak hij, "kan zeker niemand verklaren, dat ik ben teruggekeerd, en de Spartanen kunnen dan nooit beweren, dat zij van hun eed, om mijn wetten in stand te houden, zijn ontslagen."
Het lijkt veel waarschijnlijker, dat deze vreemde gewoonten eerst geleidelijk zich ontwikkelden, dan dat één enkel man de macht had, zijn landgenooten te dwingen, hun geheele manier van leven te veranderen. Hoe dat ook moge zijn, en hetzij een man als Lycurgus ooit heeft geleefd, hetzij niet, dit waren toch de zeden en gewoonten der Spartanen, en zij werden werkelijk een natie van krijgslieden. In Boeotië, een land, dat iets ten noorden van Sparta gelegen was, schreef een dichter, Hesiodus, zijn "Werken en Dagen", een gedicht, waarin het kalme buitenleven werd beschreven, en de wijze, waarop op den juisten tijd het werk verricht werd, dat door het jaargetijde werd vereischt; maar de Spartanen zouden op dergelijke lessen met de grootste minachting hebben neergezien. Zij waren krijgslieden, en krijgsbedrijven waren voor hen een uitspanning. Als de vijand nabij was, offerde de koning een geit, de mannen deden bloemkransen om hun hoofd, de muzikanten speelden een marsch en het leger trok opgewekt en vroolijk op. Zij wisten, hoever zij de andere stammen als soldaten overtroffen, en liepen weinig gevaar verslagen te worden.
Zij beschouwden oorlogen als een genot, maar het wil ons voorkomen, dat zij daarvan wel zooveel genoten hebben als zij konden verlangen. Hun eerste bezigheid was, zich in Laconië zóózeer te versterken, dat zij zich konden vrijmaken, om andere landen te veroveren. Dit gelukte hun, en daarna begonnen zij te denken aan de verovering van Messenië, het land, dat ten westen van Laconië lag. Het is niet te verwonderen, dat zij dat land begeerden, want het was het vruchtbaarste gedeelte in den Peloponnesus met heuvelen en grasland, overvloed van water en uitstekende weiden voor het vee. Na een langdurigen tijd van strijden namen de Spartanen Messenië in bezit. Dit staat ongetwijfeld vast, hoewel slechts weinig omtrent den oorlog zelf bekend is. Er is ons een verhaal overgeleverd, waarvan de waarheid niet meer is na te gaan,dat de zaken ten slotte zóó slecht stonden voor de Messeniërs, dat zij zich in Ithome opsloten en het orakel van Delphi raadpleegden, om te vragen, wat zij moesten doen. "Die stam, die het eerst honderd drievoeten plaatst op het altaar van Zeus te Ithome, zal de overwinning behalen," zoo sprak het orakel. De Messeniërs juichten daarom uitgelaten van vreugde, en gingen aan het werk, ten einde honderd houten drievoeten te vervaardigen. Ongelukkig voor hen, hadden ook de Spartanen bericht gekregen van het antwoord. "Wij zullen niet wachten met het maken van drievoeten van hout," zoo spraken zij, "maar wij zullen ze van klei vervaardigen." Het gevolg hiervan was, dat, terwijl de Messeniërs nog druk bezig waren met de vervaardiging van houten drievoeten, het een Spartaan gelukte op zekeren achtermiddag met een grooten zak op zijn rug in Ithome binnen te sluipen. Den volgenden morgen verloren de Messeniërs alle hoop, toen zij de Spartaansche drievoeten rondom het altaar geschaard zagen. Het duurde niet lang, of Ithome viel; de Spartanen hadden overwonnen. De Messeniërs mochten hun land behouden, maar moesten de helft van de opbrengst aan de veroveraars afstaan. Zij waren de slaven der Spartanen geworden.
Het verhaal luidt verder, dat de kleinzonen van de verdedigers van Ithome heel wat jaren later besloten, zich niet langer de overheersching der Spartanen te laten welgevallen. Zij streden zóó dapper en woest, dat het spoedig de beurt van hun vijanden was, Apollo om raad te vragen. "Gij moet Athene vragen, om een aanvoerder te zenden," zoo luidde het antwoord. Dit beviel de Spartanen wel niet, maar toch deden zij het verzoek. De Atheners, van hun kant, vonden het niet bijzonder aangenaam, Sparta te helpen, machtiger te worden, maar zij durfden Apollo niet ongehoorzaam te zijn. Eindelijk beraamden zij een plan, dat zij bijzonder listig uitgedacht vonden. Als aanvoerder zonden zij een man, Tyrtaeus genaamd, een schoolmeester van beroep, die totaal niets van krijgszaken afwist. Zij vergaten echter, dat Tyrtaeus tevens een dichter was; en terwijl zij zich verhieven op hun slimheid, maakte hij zóó uitstekende en luidklinkende oorlogszangen voor de Spartanen, dat zij hun mismoedigheid totaal vergaten, maar opgewekt ten strijde trokken, onder het zingen van het volgende lied:
"Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland, En sparen 't leven niet, en vreezen niet den dood. Schept jongelingen moed, en houdt in 't strijdperk stand, En treff' u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt."
Ten slotte behaalden de Spartanen de overwinning; en zoo heerschten zij nu over het geheele zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus van zee tot zee.
De Spartanen haastten zich in het minst niet, het oorlogvoeren te staken, en voordat vele jaren voorbij waren, vonden zij een voorwendsel, Arcadië binnen te vallen, de landstreek, die ten noorden van Laconië gelegen is. Er is een verhaal, dat de Messeniërs tijdens den oorlog eenige afdeelingen Arcadische soldaten hadden gehuurd, en dat de Arcadiërs, nadat de oorlog geëindigd was, enkelen der Messeniërs hadden toegestaan, zich in Arcadië te vestigen. Dit was voor de Spartanen een voldoende voorwendsel; daarom trokken zij uit met hun wapenen, kransen en oorlogszangen, en tevens met enkele ketenen, om daarmede de gevangenen te boeien, die zij zeker verwachtten te zullen maken.
Arcadië was een rustige, liefelijke landstreek, met ruwe bergen en snel stroomende beken in het noorden, en frissche groene weilanden in het zuiden. De bevolking, die daar huisde, hield kudden groot en klein vee. Zij hielden van het fluitspel en leefden naar de oude, eenvoudige gebruiken. Zij hadden tevens de vrijheid lief, en zij waren krachtige bergbewoners; en zoo gebeurde het tot groote verbazing van de Spartanen, dat enkelen van hen met hun eigen ketenen werden geboeid. Wel wonnen de invallende troepen verschillende overwinningen, maar nooit konden zij het kleine bergachtige land werkelijk ten onder brengen. Beide legers ondervonden, dat ook aan de andere zijde dappere mannen streden, en daarom sloten ten slotte beide volken een verdrag, waarbij zij afspraken, elkander in den oorlog bij te staan. Sparta zou de leiding nemen op het slagveld, maar de Arcadiërs zouden steeds den linkervleugel, de eereplaats, bezetten.
De grootste eer echter, die eenigen Griekschen volksstam kon te beurt vallen, was voor te zitten bij de Olympische spelen. Olympia lag in Pisatis, en in de eerste tijden waren de Pisatiërs de machtigsten. Doch na verloop van tijd overwonnen de bewoners van Elis de Pisatiërs in den oorlog, en met trots namen toen de bewoners van Elis den eersten rang in. Herhaaldelijk stonden de bewoners van Pisatis op, en zij vonden ten slotte een machtigen vriend in Pheidon, den heerscher van Argos; deze toch wenschte gaarne zijn macht in het westen uit te breiden. De Spartanen hadden er evenmin bezwaar in, hun macht uit te breiden; zij verdedigden de belangen van de bewoners van Elis, en behaalden de overwinning.
Zoo werd Sparta een machtige staat. Tegen het midden der zesde eeuw vóór Christus, beheerschten de Spartanen het zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus; zij hadden een verbond gesloten met Arcadië en waren zeer bevriend met de bewoners van Elis. Tevens hadden zij de macht van Argos gefnuikt, den staat, die eertijds de machtigste van het schiereiland was geweest. De laatste slag werd geleverd bij Thyrea, welke stad door de Spartanen werd ingenomen; maar de bewoners van Argos leden eenige jaren later een nog veel ernstiger verlies. Zij waren voor de Spartanen gevlucht naar een gewijd boschje, en daar werden zij door hun vijanden omsingeld, die het boschje in brand staken. Twee derde gedeelten van hun geheele leger kwam om. Nog altijd beweerden zij, dat Argos een vrije stad was; maar de Spartanen trokken zich dit volstrekt niet aan, daar Argos te zwak was geworden, om zich met hen te bemoeien.
Dit is de geschiedenis van Sparta van de vroegste tijden af tot aan het midden van de zesde eeuw vóór Christus--de geschiedenis van een kleinen, zwervenden stam, die zijn weg vond in het gebied van zijn vijanden en wien het gelukte, het machtigste volk van het land te worden.
HOOFDSTUK V.
DE EERSTE DAGEN VAN ATHENE: DE WETTEN VAN SOLON.
Sparta was de voornaamste staat van den Peloponnesus, en zelfs ten noorden van den Peloponnesus werd die beschouwd als de voornaamste van geheel Griekenland, die dan ook de leiding gaf. Hun voornaamste mededinger was Attica. Attica was een schiereiland, dat een lengte had van ongeveer 140 kilometers, en dat aan de noordzijde en de westzijde door bergen werd begrensd. Er waren enkele rivieren in dat land, maar zelfs de grootste van deze liep in den zomer bij warm weder droog. De grond was schraal en onvruchtbaar. De Grieken konden zich volkomen tevreden stellen met een maaltijd, bestaande uit een stuk brood, een beker wijn en een handvol olijven; maar zelfs deze konden in Attica lang zoo gemakkelijk niet verkregen worden als in den naburigen staat Boeotië; immers de bodem moest, om deze voort te brengen, met groote zorg worden bebouwd. Daar tegenover stond echter een groot voordeel, dat tegen die nadeelen ruimschoots opwoog, en dat was het heerlijke klimaat. Attica was in den winter warmer, en in den zomer koeler dan Boeotië. De lucht was zóó zuiver, dat verwijderde voorwerpen op veel grooteren afstand konden worden onderscheiden dan ergens anders. De hemel was zóó helder en schitterend, dat het een genot was daarin te staren, en zelfs al waren de bergen eenigszins kaal, de lucht gloeide zóó prachtig bij zonsondergang, dat de fijne vormen der toppen daartegen schitterend mooi uitkwamen. De bevolking was van Jonischen stam. Met zelfverheffing zeiden zij: "Nooit hebben vreemde veroveraars ons overwonnen. Wij zijn uit den grond zelf ontsproten." Daarom droegen de Atheensche vrouwen zoo gaarne sieraden in den vorm van een krekel,--omdat men meende, dat ook de krekel uit den grond was geboren.
Van Attica was in de vroegste tijden weinig bekend; maar daar er in dien staat geen slaven gevonden werden, was de meening waarschijnlijk juist, dat het land nooit door vreemdelingen was veroverd, maar dat de staat was gevormd uit een vereeniging van mannen van hetzelfde ras. De Grieken leefden in de overtuiging, dat die vereeniging was tot stand gebracht door den held Theseus, die eertijds hun koning was; en er loopen omtrent diens heldendaden ontelbare verhalen. Men verhaalde, dat hij niet alleen den Minotaurus had gedood, maar dat hij ook op een oorlogsexpeditie was uitgetrokken met Heracles, en dat hij met het schip Argo was uitgezeild om de Gouden Vacht te halen. Ook verhaalt men, dat hij zich als jongmensch zóó opgesmukt kleedde, met zijn sierlijke kleeren, zijn juweelen en zijn reukwerken dat eenige werklieden, die hij eens voorbij liep, eerst verbaasd bleven staan, en daarna lachten en zeiden; "Dat jonge meisje is oud genoeg om te trouwen; hoe komt het, dat zij zoo alleen langs de straten loopt?" Theseus hoorde dit gesprek, en om te toonen, dat hij werkelijk iets meer was dan een modegek, hield hij een kar tegen, die juist voorbij kwam, spande de ossen uit het juk en slingerde die over een tempel. Toen hij koning geworden was, noodigde hij, zoo luidt het verhaal, niet alleen menschen die in Attica woonden, maar zelfs vreemdelingen uit, huizen voor zich te doen bouwen in Athene. De stad was toen niets anders dan een troep kleine woningen op een groote rots met een breeden, vlakken top; maar het was een uiterst veilige plaats, daar het voor vijanden niet gemakkelijk zou zijn, om de rots te beklimmen en zoo de stad binnen te trekken. Theseus was volstrekt niet begeerig naar macht; immers toen de bewoners van de overige gedeelten van Attica aarzelden er in toe te stemmen, te worden geregeerd door een Atheensch vorst, zeide hij tot hen: "Als gij dit wilt doen, zal ik van mijn rechten afstand doen. Gij zult even goed koning zijn als ik, behalve dat ik waken zal over de handhaving der wetten, en als er oorlog komt, zal ik het leger aanvoeren." Het is niet te verwonderen, dat zij toegaven aan een zoo edelmoedigen vorst. Theseus richtte een zuil op, om de plaats te bepalen, waar de grenzen van Attica begonnen. Daarna stelde hij schitterende feesten in ter eere van de vereeniging der Attische dorpen.
De volgende beroemde koning was volgens de legenden koning Codrus. Hij had een tijd lang rustig geregeerd, toen hij in moeilijkheden geraakte. De Spartanen en enkele andere Doriërs verbonden zich met elkander, ten einde Athene aan te vallen, en sloegen hun kamp op vóór de muren der stad. Zij waren vol vertrouwen op den uitslag, daar het orakel gezegd had: "Indien gij het leven van Codrus spaart, zult gij ongetwijfeld de overwinning behalen." Natuurlijk waren zij nu van plan het leven van Codrus te sparen--dit was een geringe prijs, dien zij voor de overwinning moesten betalen--en spoedig zou Athene in hun macht zijn. Als zij geweten hadden, wat voor man Codrus was, zouden zij niet zoo gerust en vol zelfvertrouwen geweest zijn. Een vriend van den koning, die te Delphi woonde, vertelde hem, wat het orakel gezegd had; en oogenblikkelijk had de dappere en opofferende koning een besluit genomen, hoe hij moest handelen. Hij vermomde zich als een houthakker, sloop de poorten der stad uit, en begaf zich daarheen, waar hij zeker was eenige Doriërs te zullen ontmoeten. Het duurde niet lang, of hij kwam er twee tegen. Eén van dezen sloeg hij met zijn bijl en doodde hem. Daarop doodde de andere Codrus. Korten tijd daarna vernamen de Atheners, dat de koning voor hen het leven had gelaten, en zij zonden een bode, om te vragen of de Doriërs zijn lijk wilden afstaan. De Doriërs schrikten, toen zij hoorden, wat zij gedaan hadden. "Het helpt niet, of wij Athene aanvallen," zeiden zij, "immers de goden zullen tegen ons zijn," en daarom gingen zij weg en trokken over de landengte van Corinthe terug naar den Peloponnesus, zoodat Athene gered was. De Atheners waren zóó dankbaar, dat zij besloten, dat er nooit meer een andere koning over Athene zou heerschen, opdat de titel ten eeuwigen dage aan den edelen vaderlander Codrus gewijd zou zijn.
Er waren later echter wel koningen, doch deze moesten het gezag deelen met acht andere magistraten, archonten of heerschers genaamd, totdat op het laatst de koning-archont weinig meer te doen had dan de openbare offers aan de goden te brengen. De negen archonten te zamen hadden in de verste verte niet zooveel te zeggen als een beroemde raad, de Areopagus genoemd, welke naam samenhing met het feit, dat hij vergaderde op den Heuvel van Mars, of Ares; die Areopagus vervaardigde alle wetten en velde vonnis over alle personen, die van een misdaad werden beschuldigd.
Oppervlakkig zou men meenen, dat dit een goede inrichting van het staatsbestuur was, maar er kwam één factor bij, die een zoodanige instelling hoogst onrechtvaardig maakte; al die archonten en leden van den Areopagus waren Eupatriden, dat wil zeggen: mannen van hooge geboorte. Meestal waren zij zeer vermogend, en zij maakten wetten, die zeer voordeelig en gemakkelijk waren voor de rijken, maar die zwaar drukten op de armen. De regeeringsvorm was dus een oligarchie, of "regeering van weinigen"; en een oligarchie is slechts zelden billijk tegenover het gewone volk. Sommigen van de behoeftige burgers leefden op de goederen der Eupatriden, en als zij de verschuldigde pacht niet betaalden, hadden de eigenaars dier goederen het recht, hen en hun gezin als slaven te verkoopen. Zelfs zij, die kleine boerderijen in eigendom hadden, waren er niet veel beter aan toe, want een groot aantal van hen waren genoodzaakt geweest, geld van de aanzienlijken te leenen, terwijl zij slechts weinig hoop hadden, hun schuld af te lossen. Daarom was op een aantal boerderijen een pilaar geplaatst, waarin het bedrag gegrift was, dat de boer verschuldigd was, en de naam van den man, aan wien de boerderij verpand was. Somtijds werden de arme boeren zóó ontmoedigd, dat zij hun kinderen als slaven verkochten, om nog slechts de rente van de schuld, die op hun goederen rustte, te kunnen betalen. De Eupatriden hadden een genoegelijk leven, maar het behoeft niet te verwonderen, dat de arme lieden hoe langer hoe ellendiger werden. Enkelen gingen als kolonisten naar andere streken, en zij, die achterbleven, werden met den dag meer ontevreden.