De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 3

Chapter 33,920 wordsPublic domain

De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen; maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee, zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. De geschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis, en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was, was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen, en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld worden. Eén dier spelen heette het "vijfsteentjesspel". Daarbij wierp het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes, die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de andere niet weer laten vallen.

De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus zeide er van: "Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen; maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazenden westenwind, om de menschen koelte te brengen." Daar bleven de helden zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens; maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien; zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen, maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen, en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar niets te hopen, niets te genieten hebben.

Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: "Zeus is goed, en daarom moet gij uw best doen hem te evenaren"; maar wel zeiden zij: "Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem offers brengen." Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid de macht had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god, van wien zij het 't waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst zou verleenen, die zij begeerden.

Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden, maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten, dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten, als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht, om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd, dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg werd nagegaan.

Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste, onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen, begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers op, en luisterden dan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken, of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden, dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.

Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was, letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem, die gekomen was, om het orakel te raadplegen.

Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam met de verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning van Lydië: "Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn onderneming?" Het antwoord luidde : "Als gij een inval doet in Perzië, zult gij een machtig rijk te gronde richten"; en dit was inderdaad het geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had, het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld: "Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?" en het antwoord luidde: "Neen." Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht, zeide hij: "Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze."

Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden "Amphictyonen" of "groepen naburen" genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hij met de geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om, als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen, toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen, gewettigd en gewenscht was.

De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere band, die hen veel steviger onderling verbond dan met de "barbaren", waren de "spelen", waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds, geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden, maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar 776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.

HOOFDSTUK IV.

HOE DE SPARTANEN MACHT VERKREGEN.

Indien de aardrijkskundige toestand van Griekenland anders geweest was, zou ook de geschiedenis der Grieken zich geheel anders hebben ontwikkeld dan inderdaad het geval is geweest. Het land was samengesteld uit rijen bergen en onzichtbare valleien. Het was niet gemakkelijk, die bergen over te trekken, en daarom waren er bijna evenveel nietige rijkjes als er valleien waren. De bevolking van ieder dier valleien had haar eigen landje en haar eigen zeden en gewoonten lief, en de Grieken zouden tevreden geweest zijn te huis te blijven, als de zee er niet was geweest; maar deze omspoelde Griekenland aan drie kanten, haar weg zoekend naar het binnenland in scherpe nauwe inhammen. In welke richting zij zich ook bewogen, zij waren nooit meer dan ongeveer zeventig kilometers van den oceaan verwijderd. De valleien riepen hun "halt" toe, maar de oceaan lokte hen steeds aan, verder te gaan.

Er waren niet veel goede havens op de westkust van Griekenland, maar er waren er verscheidene op de oostkust. Bovendien, als de Grieken op de oostkust stonden en over het water heenzagen, konden zij dichtbij en in de verte eilanden zien, die ieder afzonderlijk haar tot een bezoek uitlokten. Als zij het ééne eiland bereikt hadden, waren er altijd weer andere, die iets verder verwijderd waren; het was dus voor hen uiterst gemakkelijk, hun weg te vinden over de Aegeïsche Zee naar Klein-Azië. Er was dus aan den éénen kant reden, waarom de Grieken niet hun geheele land, maar iedere stam zijn eigen hoekje moet hebben lief gehad; en aan den anderen kant, waarom zij er lust in gehad moesten hebben, reizen te maken en koloniën in andere landen te vestigen, en voornamelijk in oostelijke richting.

Griekenland was een bijzonder mooi land. De zee was blauw en fonkelend; de bergen waren niet altijd bedekt met groene wouden, maar de harde gesteenten der bergtoppen teekenden zich scherp en duidelijk in rood en grijs tegen de lucht af. De rivieren stroomden snel, en verdwenen dikwijls in de diepte uit het gezicht in een kloof of onderaardschen doorgang, en kwamen weer in de ééne of andere min of meer verwijderde plaats borrelend te voorschijn. Het is dus niet te verwonderen, dat de Grieken die rivieren als levende wezens voorstelden, en gewoon waren offers te plengen bij het bouwen van een brug, opdat de stroomgod niet vertoornd mocht worden. In sommige gedeelten van het land vond men prachtige oude bosschen met eiken-, beuken- en kastanjeboomen; er waren olijf- en vijgeboomen; er waren verschillende soorten van bloemen, rozen, violen, krokussen, geraniums, narcissen, heliotropen en anemonen. Langs de rivieren groeiden oleanders; niet kleine heestertjes, maar echte boomen, met hun rooskleurige bloesems weerspiegelden zich in het water. Dat alles was zóó schoon, dat het in de Grieken den zin voor schoonheid op natuurlijke wijze ontwikkelde. In Attica hield een rij bergen de koude der noordenwinden tegen, terwijl de zeewind uit het zuiden en het oosten het land in den zomer koeler en in den winter warmer maakte. Een groot gedeelte van Griekenland had evenals Attica een helderen, schitterenden hemel, en was warm genoeg, om de bevolking in staat te stellen, het grootste gedeelte van hun tijd buitenshuis door te brengen.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Doriërs, die ver in het noorden woonden, van dat prachtige land hoorden, en vurig begeerden daar te wonen; zij trokken dan ook naar het zuiden, om het te ontrukken aan de bevolking, die het in bezit had, namelijk de Achaeërs en de Joniërs. Dit is de beteekenis van het verhaal omtrent den terugkeer der Heracliden. De Achaeërs en de Joniërs waren niet sterk genoeg, om de Doriërs te verdrijven; van daar, dat velen van hen hun vaderland verlieten en kolonies stichtten op de kusten van Klein-Azië en de in de nabijheid daarvan gelegen eilanden. Dit geschiedde niet in eens; het proces duurde een reeks van jaren voort. Ten slotte kwamen berichten uit Griekenland terug, dat de landen, waar de kolonisten heengegaan waren, zelfs nog vruchtbaarder waren dan de Peloponnesus; en van dien tijd af begonnen zelfs sommige Doriërs koloniën te stichten op de kust van Klein-Azië en in Creta.

Toen de Doriërs in den Peloponnesus kwamen, bevonden zij zich in een vrij moeilijken toestand. Zij waren krachtig, onverschrokken en oorlogszuchtig, en zij slaagden er in, een groot aantal koloniën te stichten; maar het aantal oorspronkelijke kolonisten was tienmaal zoo groot als hun eigen getal. De voornaamste stad der Doriërs was Sparta in Laconië, maar zelfs nadat zij het land hadden veroverd, waren zij in voortdurend gevaar voor de oude bewoners. Er waren van deze twee soorten: de Perioeki, wien wel werd toegestaan hun bezittingen te houden, maar die niets hadden in te brengen op het gebied van wetgeving; en de Heloten, of slaven. Men zegt, dat de Heloten behoord hadden tot de stad, die het langst den strijd tegen de Spartanen had volgehouden, en dat de veroveraars in hun toorn verklaard hadden, dat de Heloten ten eeuwigen dage slaven zouden zijn. Die Heloten haatten hun meesters zóózeer, dat de bevolking van Sparta placht te zeggen: "Een Heloot zou met alle genoegen een Spartaan rauw willen opeten." De Spartanen waren van hun kant blijde, dat zij slaven voor hun werk hadden; maar zij waren altijd eenigszins bevreesd, dat de Heloten zich tegen hen zouden vereenigen, en zij aarzelden geen oogenblik, iedereen ter dood te brengen, van wien zij meenden, dat hij een leider van het volk zou kunnen worden.

Laconië was een land, dat gemakkelijk kon worden verdedigd, immers er waren bergen aan de oost- noord- en zuidzijde. Aan de oost- en de noordzijde waren er slechts twee of drie passen, waardoor een leger zonder groote moeilijkheid kon worden gevoerd, en aan de westzijde lag het veroverde land Messenië. Sparta was dus een natuurlijke vesting. Toch waren de Spartanen slechts een kleine volksstam te midden van vijanden, en de vraag was, hoe zij er voor konden zorgen, dat zij zeker waren, nooit door hun naburen te kunnen worden overvallen. Zij kwamen tot de overtuiging, dat daartoe slechts één weg openstond, en wel als zij den geheelen volksstam tot één leger maakten. Natuurlijk hadden de Grieken, wier verbeeldingskracht zoozeer ontwikkeld was, een verhaal, hoe dit in zijn werk was gegaan. Zij zeiden, dat in den eersten tijd hunner geschiedenis een zekere Lycurgus benoemd was tot voogd over hun koning, die toen nog in de kinderjaren verkeerde. Het volk bewees hem zóó hooge eer, dat zijn vijanden ijverzuchtig werden en het gerucht verspreidden, dat hij voornemens was de kroon te bemachtigen. Hij was daarover verontwaardigd en zeide tot het volk: "Ik zal het land verlaten en wegblijven totdat de koning volwassen is." Hij had zijn vaderland echter lief, en gedurende al de jaren, die zijn ballingschap duurde, bezocht hij verschillende rijken, om na te gaan hoe zij hun macht hadden verkregen of waardoor zij verzwakt waren. Telkens weder, en wel met korte tusschenpoozen, zonden de Spartanen boden naar hem toe, die er op aandrongen, dat hij zou terugkeeren; ten slotte gaf hij aan dien aandrang gehoor, zijn geest vol plannen, hoe hij zijn land machtig zou kunnen maken. Onderweg was hij ook in Delphi geweest en had hij Apollo gevraagd, of hij wel bekwaam genoeg was om voor zijn volk verstandige wetten te maken. Het antwoord luidde: "De wetten, die gij van plan zijt te maken, zullen de beste zijn in de geheele wereld." Natuurlijk hield hij dit niet geheim, en toen hij Sparta bereikte, vond hij daar een groot aantal menschen, die bereid waren alles wat hij voorstelde goed te keuren. De koning, die bij zijn vertrek nog een kind was, was volwassen geworden en had den troon in bezit genomen, of liever de helft van den troon; immers het was bij de Spartanen de gewoonte, twee koningen te hebben. Deze instelling schijnt niet veel practisch nut te hebben gehad; de ééne koning toch was veel te zachtzinnig en te toegevend, en kon er niet toe komen, misdadigers te straffen; het gevolg was, dat beide koningen het nooit met elkander eens waren, en zoo werd hun macht met den dag geringer. Zij hoopten, dat Lycurgus die macht zou versterken, en daarom heetten zij hem hartelijk welkom. Het geheele stadje was daarna in gespannen verwachting, wat de wijze man zou doen.

Ten eerste liet hij een senaat, uit dertig leden bestaande, kiezen. Zij werden genomen uit de oudere mannen en werden voor hun leven gekozen. Vijf ephoren of opzichters (dwarskijkers) werden eveneens gekozen, doch vervulden hun betrekking slechts gedurende één jaar. In hun hand was in werkelijkheid het bestuur van den staat gelegen, want zij konden zelfs de koningen tot verantwoording roepen, zoo dikwijls zij dit noodig achtten; in belangrijke gevallen traden zij als rechters op; en zij beslisten, of er oorlog of vrede zoude zijn. De koningen waren leden van den senaat, en in oorlogstijden stonden zij aan het hoofd van het leger. Zij hadden slechts weinig minder macht dan de overige senatoren, maar zij moeten een veel rustiger leven gehad hebben dan vóór den terugkeer van Lycurgus, immers nu wisten zij volkomen, wat zij konden doen, en begrepen, dat zij steun zouden krijgen, als zij dat deden.

Daarna hield Lycurgus zich bezig met een verdeeling van het land in gelijke deelen onder de burgers. Na veel onderhandelingen stemden zij daarin toe; maar toen hij voorstelde, het goud en zilver op dezelfde wijze te verdeelen, verzetten de rijkere burgers zich daartegen. Zij hadden echter een heerscher, die wist hoe hij op de ééne wijze kon verkrijgen wat hij wilde, als hij het niet op een andere wijze kon gedaan krijgen; en hij vaardigde eenvoudig een besluit uit, dat goud en zilver niet langer als geld zouden gerekend worden, maar dat daarvoor in de plaats ijzer zou worden gebruikt. Voor dat ijzer kon slechts weinig worden gekocht, immers de heerscher met zijn verzienden blik had er de hardheid aan ontnomen, zoodat het voor het dagelijksch gebruik ongeschikt was; en het was evenmin een bijzonder practische soort van schat om op te sparen, daar het zóó goedkoop was, dat men een bijzonder ruim vertrek niet volkomen kon vullen met een waarde van slechts enkele duizend guldens aan ijzer.

Daarna nam Lycurgus maatregelen, om te zorgen, dat de Spartanen aan tafel geen lekkernijen gebruikten, en daarom liet hij ze allen, zoowel koningen als gewone burgers, in het publiek eten, en werden hun dezelfde gerechten voorgezet. Zelfs de meest hongerigen konden nauwelijks gesmuld hebben van hun maaltijden, als zij daaraan niet gewoon waren geraakt; immers het hoofdvoedsel was een zekere zwarte soep, die alleen de Spartanen eetbaar achtten. Een Athener, die eens die soep had geproefd, verklaarde, dat hij nu begreep, waarom de Spartanen zoo onbevreesd waren in den oorlog. "Zij wilden liever sterven," zoo zeide hij, "dan te moeten leven van zulk een ellendig voedsel."

Ten einde te zorgen, dat de Spartanen hun huizen niet weelderig zouden inrichten met gouden bekers, helder gekleurde dekkleeden, of ledikanten met zilveren pooten, werd een wet uitgevaardigd, dat de zoldering gemaakt moest worden met geen ander gereedschap dan de bijl, en de deuren met geen ander werktuig dan de zaag. Lycurgus wist, dat de goede smaak van zijn landgenooten hen niet zou toestaan, kostbare meubels te brengen in een woning, waarvan de deuren niet goed zouden passen, en de zolderingen uit niets anders dan uit ruwe houtblokken zouden bestaan. Men verhaalt van een Spartaan, die in latere jaren gastvriendschap genoot in een schoone woning te Corinthe, en die naar de zoldering opkeek, welke uit zuiver glad gemaakte en schoon gesneden planken bestond, en die met een zekere minachting vroeg: "Groeien de boomen in uw land allemaal recht en vierkant?"

Zoo kreeg Lycurgus zijn landgenooten er toe, eenvoudig en zonder eenige weelde te leven. Dit was nu voldoende, zoo dacht hij, voor het tegenwoordige, maar de geheele bevolking was vroeger aan een zekere weelde gewend geweest, en daarom was hij overtuigd, dat zij, zoodra hij gestorven was, langzamerhand weer zouden terugvallen in hun oude weelderige gewoonten. Hij wenschte een natie te doen opgroeien, die het niet alleen zou kunnen stellen zonder weelde, maar die er een heiligen afschuw van zou hebben; de eenige weg om dit te bereiken was, om aan te vangen met de kinderen.