De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 17
Toen de Grieken de tijding vernamen, dat Philippus gestorven was, en wisten, dat een jonge man van nauwelijks twintig jaar den troon had bestegen, waren zij uitgelaten van vreugde. "Griekenland zal weer vrij zijn," riepen zij juichend. Zij zouden niet zoo zeker van hun vrijheid geweest zijn, als zij geweten hadden, wat voor een jongeling het was, die hun meester was geworden. Wel wisten zij, dat hij twee jaren te voren, in den slag bij Chaeronea, de phalanx had aangevoerd, die de beste troepen der Thebanen had verslagen. "Maar," zoo zeiden zij, "dat beteekende niets; de oudste en meest bekwame aanvoerders waren om hem heen geschaard om toezicht te houden, dat alles goed ging." Zij hadden kunnen hebben vermoed, dat hij geen zwakkeling was, als zij gehoord hadden, hoe hij, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, eenige Perzische afgezanten tijdens de afwezigheid van zijn vader had ontvangen. Zij kwamen hem, zooals natuurlijk was, met den noodigen eerbied te gemoet, maar zij verwachtten, dat hij sprak en redeneerde evenals ieder ander kind. Maar zie, de jeugdige knaap begon hen over hun vaderland te ondervragen. "Wat voor een man is uw koning?" zoo vroeg hij. "Hoe behandelt hij zijn vijanden? Waarom is Perzië krachtig? Komt het, omdat het land veel grond bezit, of een groot leger?" De Perzen staarden hem met de grootste verbazing aan, en zeiden tot elkander: "Philippus is niets, met dezen vergeleken." Een ander verhaal wordt omtrent hem gedaan, hoe hij het beroemde paard Bucephalus had getemd. Dat paard was bij zijn vader op proef gebracht, maar het had gesnoven, gebeten en getrapt, zoodat Philippus bevolen had, dat het weer werd weggevoerd. Toen riep de jonge Alexander: "Wat een prachtig paard laten zij zich ontglippen bij gebrek aan verstand en moed, het in bedwang te houden!" "Jonge man," antwoordde zijn vader, "gij maakt aanmerkingen op uw ouderen, alsof gij zelf het paard beter in bedwang kunt houden." "En dat zou ik ook zeker kunnen," antwoordde de jonge, stoutmoedige knaap. "Als gij er niet in slaagt, welke boete wilt gij dan betalen?" "Den prijs van het paard."
Waarschijnlijk was de jongen van tien of twaalf jaar niets bekwamer in het behandelen van paarden dan de rijknechts, maar hij had opgemerkt, dat zij het paard van uit de richting der zon wegvoerden, en dat het verschrikt en gehinderd werd door zijn eigen schaduw, die over den grond heentrok. Alexander draaide den kop van het paard naar de zon, aaide het en sprak er vriendelijk mede, en sprong toen op zijn rug. De hovelingen en de koning hadden zich zeer vermaakt met de stoutmoedigheid van den knaap, maar nu werden zij ongerust. Alexander bleef echter stevig zitten, en nadat hij het paard zooveel had laten steigeren en galoppeeren als het verkoos, reed hij naar den koning. De vader weende van vreugde. "Zoek naar een ander rijk, mijn zoon," zoo sprak hij, "immers het rijk, dat ik u zal nalaten, is u niet waardig."
Philippus had gezorgd voor leermeesters voor zijn zoon, maar hij zag nu, dat hij met een knaap te doen had, die niet tevreden zou zijn met gewone leermeesters. De beroemdste wijsgeer in die dagen was Aristoteles. Hij was een Macedoniër, maar was gedurende een geruimen tijd een leerling geweest in de school van Plato te Athene. Philippus zond hem den volgenden brief:
"Laat mij u mededeelen, dat ik een zoon heb, en dat ik de goden niet zoozeer dankbaar ben dat hij geboren is, als wel dat hij tijdens uw leven geboren is; immers als gij u met zijn opvoeding zult willen belasten, ben ik er zeker van, dat hij zijn vader waardig zal worden, en ook het koninkrijk, dat hij later zal erven."
Zoo geschiedde het, dat Aristoteles de leermeester werd van den jeugdigen Alexander en ongeveer drie jaar bij hem bleef, misschien zelfs wel, totdat hij koning werd. Philippus gaf hem een vorstelijke belooning, immers hij liet de geboorteplaats van den wijsgeer, de stad Stagira, opbouwen, die hij vroeger had verwoest, en bracht de inwoners terug, die òf gevlucht waren, òf als slaven verkocht. Aristoteles hield er van, met zijn leerlingen te spreken, als zij samen op de wandeling waren; daarom maakte Philippus als schoolvertrek een ruimen en prachtigen tuin gereed, met steenen banken en koele, schaduwrijke paden. Alexander hield niet alleen van wijsbegeerte, maar hij hield er ook van, de oude tooneelspelen en geschiedenisboeken te lezen, en placht ze van de verste afstanden te ontbieden. Het meest van alles hield hij van de gedichten van Homerus. Zijn moeder had hem dikwijls verteld, dat hij afstamde van Achilles, den held van de Ilias; en toen hij nog een kleine jongen was, had hij er innig behagen in, dat één van zijn leermeesters hem met den naam Achilles aansprak. Philippus zag, dat zijn zoon kon worden vertrouwd, en daarom liet hij, toen hij naar Byzantium ging, het rijk in handen van den zestienjarigen knaap. Bij zijn terugkomst schepte hij er vermaak in, en was hij volstrekt niet boos, toen hij hoorde, dat de Macedoniërs hem "den generaal" noemden, maar van zijn zoon spraken als van "den koning".
Dit was de jonge man, die nu de heerscher was over Macedonië en geheel Griekenland. Demosthenes noemde hem een "knaap"; maar veel moeite zou er zijn gespaard, indien al zijn onderdanen geweten hadden, wat een buitengewone knaap hij was. Sommigen van hen, de woeste bergbewoners, meenden, dat dit een voortreffelijke tijd was, om het koninklijke gezag af te werpen; maar Alexander trok, zonder een oogenblik te vertoeven, tegen hen op. Hij merkte, dat hij een moeilijken bergweg zou moeten opklimmen, op welks top de opstandelingen stonden met zware wagens, gereed om op hem neer te rollen. Het vereischte heel wat meer dan een paar wagens, om dien scherpzinnigen jeugdigen aanvoerder tegen te houden. Hij beval zijn troepen, zich te verdeelen en een open pad midden tegenover de wagens vrij te laten. Waar de weg te smal was, beval hij zijn manschappen, op den grond te gaan liggen, met hun schilden over hun hoofden. De wagens begonnen eerst langzaam te rollen, daarna hoe langer hoe sneller, raakten de schilden met een vreeselijk gekletter en gekraak, maar gingen over hen heen als over een goed geplaveiden straatweg, en tuimelden zoo, zonder schade te hebben berokkend, in de diepte. Het duurde niet lang, of de opstandelingen vonden het maar het verstandigst zich over te geven.
Ook sommige Grieksche staten hadden gemeend, dat de dood van Philippus hun een goede gelegenheid zou verschaffen op te staan, maar Alexander trok met de grootste snelheid naar Thessalië op. Op zijn weg was een berg, maar hij deed trappen hakken langs de afgronden, en trok voorwaarts. De staten onderwierpen zich, en nu noemde Demosthenes hem een "aankomend jongeling". Terwijl Alexander onder de bergstammen was, daagde het gerucht op, dat hij dood was. Thebe en de bevriende steden meenden, dat het nu een gunstige gelegenheid was, van het Macedonische garnizoen te worden verlost. "Ik zal Demosthenes voor de muren van Athene laten zien, dat ik een man ben," zoo sprak Alexander, terwijl hij naar het zuiden optrok. Thebe wilde zich niet overgeven, totdat de stad gedwongen werd zich te onderwerpen. Athene had wapenen naar de Thebanen gezonden, maar durfde een aanvoerder geen weerstand te bieden, die kon marcheeren met een snelheid van meer dan dertig kilometers per dag door een woest en ruw land, en over gekartelde bergkammen. "Wat moet de straf van Thebe zijn?" vroeg Alexander het statencongres te Corinthe. Hetzij omdat zij bang voor Alexander waren, hetzij omdat Thebe vele vijanden onder de Grieksche staten had, besloten zij, dat Thebe zou worden verwoest. De muren werden met den grond gelijk gemaakt, en alle huizen afgebroken, behalve het huis van den vroegeren dichter Pindarus. Zelfs te midden van den heftigsten strijd had Alexander nog de oude Grieksche poëzie lief, en herinnerde hij zich de eer, die hij den dichter verschuldigd was. De afstammelingen van Pindarus bleven eveneens ongedeerd, hoewel dertigduizend Thebaansche burgers als slaven werden verkocht. De Thebaansche landerijen werden verdeeld over de armere steden van Boeotië.
Er is een overlevering, dat de wijsgeer Diogenes toen in Corinthe leefde, en dat Alexander zeer verlangde, hem te leeren kennen, wat niet te verwonderen is, als slechts de helft der verhalen, omtrent Diogenes verteld, waarheid bevatten. Een van die verhalen is, dat men hem eens op klaarlichten dag zag loopen met een lantaarn in de hand en blijkbaar naar iets zoekend. "Waar zoekt gij naar?" vroeg men hem, en hij antwoordde: "Naar een rechtschapen man." Een ander verhaal is, dat, toen Plato een weelderig gastmaal gaf, Diogenes zich den toegang tot het eetvertrek vrijmaakte, en over de tapijten liep met bloote en modderige voeten. "Zoo trap ik op den trots van Plato," bromde hij. Waarop Plato antwoordde: "Maar met nog veel grooter trots, o Diogenes." Toen de koning met zijn gevolg eens naderbij kwam, lag Diogenes in de zon, en deed nauwelijks eenige moeite, om maar één blik te werpen op den beheerscher van zijn vaderland. "Is er iets, waarmede ik u van dienst kan zijn?" vroeg Alexander. De onvriendelijke wijsgeer antwoordde: "Alleen dat gij voor mij de zon niet onderschept." De hovelingen lachten, maar Alexander zeide, wat werkelijk zijn innige overtuiging was: "Als ik Alexander niet was, zou ik Diogenes willen zijn."
Hij was echter Alexander, en was nog veel meer begeerig, veroveringen te behalen, en hij was daar zelfs nog veel feller op dan zijn vader geweest was. Twee jaren waren voorbijgegaan sedert den dood van Philippus. Macedonië was rustig, Griekenland was onderworpen. Er was geen reden, waarom hij niet de expeditie zou ondernemen, die ten doel had, den inval van Xerxes te wreken, het koninkrijk Perzië te veroveren, en geheel Azië in zijn macht te krijgen. Hij maakte niet dezelfde fout, die Xerxes gemaakt had, om een zóó groot leger bijeen te brengen, dat het moeilijk was, dit te voeden en voort te bewegen; hij voerde niet meer dan tusschen de vijf en dertig duizend en acht en dertig duizend man over den Hellespont, maar zij waren zóó gedrild en geoefend, dat zij bijna onoverwinnelijk waren. Bij al zijn voorbereidingen voor den inval had Alexander nooit vergeten, dat hij een afstammeling was van Achilles, en hij ging eerst naar de plaats, waar Troje gestaan had, om zijn voorvader eer te bewijzen. Hij bracht een offer aan Athene en hing een krans aan een zuil van de graftombe van Achilles. "Hij was een gelukkig man," zeide de koning, "dat hij een trouwen vriend bij zijn leven had gevonden, en een dichter als Homerus, om zijn lof te bezingen na zijn dood."
Al had echter Alexander geen Homerus om zijn lof te verkondigen, hij had ten minste den beroemdsten schilder uit de oude tijden, om zijn portret te schilderen, en bovendien nam hij den schilder met zich mede naar Azië. Het was Apelles, en men zegt, dat Alexander met zijn werk zóózeer ingenomen was, dat hij door niemand anders wilde geschilderd worden. Apelles trad even onafhankelijk op als de koning zelf, en als wij geloof mogen hechten aan de oude verhalen, was hij veel minder hoffelijk dan zijn vorst. Men vertelt, dat toen een ander schilder pochte op de snelheid, waarmede hij werkte, Apelles antwoordde: "Het is alleen maar te verwonderen, dat gij in denzelfden tijd niet nog meer van zulk prulwerk afmaakt." Een ander verhaal is, dat hij een schoenmaker zeer hartelijk dankte, omdat deze hem een fout aanwees in een schoenriem op één van zijn schilderijen. De man was er zóó trotsch op, dat zijn raad door den grooten Apelles was opgevolgd, dat hij voortging, met nog andere aanmerkingen te maken. Daarop zeide Apelles met groote minachting: "Schoenmaker, blijf bij je leest." Dit is de oorsprong van het bekende spreekwoord.
Natuurlijk had Darius III, de Koning der Perzen, gehoord, wat Alexander voornemens was te doen; hij had daarom een groot leger naar Klein-Azië gebracht. De meest geschikte plaats om den vermetelen jongen man te ontmoeten, was aan den Hellespont, die den toegang leverde naar Azië. Toen dan ook Alexander aan de kleine rivier den Granicus kwam, zag hij, dat de overzijde bezet was met Perzische soldaten. De rivier was blijkbaar diep en stroomde snel, terwijl de oevers even glibberig als steil waren. De Macedonische krijgsoversten maakten bezwaar, zonder voorbereiding, reeds nu de rivier over te steken; zij zeiden, dat het te laat op den dag was, en bovendien, dat het de ongunstige maand was, zoodat zij ongetwijfeld ongelukkig zouden zijn. Maar Alexander sprong in de rivier, en op zijn bevel volgde de ruiterij de groote witte pluimen op zijn helm. Zij klommen tegen den glibberigen oever op, recht in het gezicht der Perzische pijlen. Intusschen trok de phalanx de rivier over, en daarna volgde het voetvolk. Alexander won den slag. Van den buit, bij zijn eerste overwinning in Azië behaald, gaf hij veel geschenken weg. Maar het allereerst beval hij, dat een koperen standbeeld gemaakt zou worden ter eere van iedereen, die in den slag was gesneuveld. Hij gaf rijke geschenken aan de Grieken, en aan de Atheners, die zijn bijzondere gunstelingen schenen te zijn, zond hij nog een afzonderlijk geschenk van driehonderd schilden. Aan zijn moeder, die in Macedonië was achtergebleven, zond hij de purperen gewaden en kleeden, en de gouden en zilveren schotels, die in grooten getale in de tenten der Perzen werden gevonden.
Alexander marcheerde in zuidelijke richting, volgde een kort eind weegs de kustlijn, en marcheerde toen in noordelijke richting naar Phrygië, terwijl hij op zijn tocht steden veroverde. Er was niet veel echt oorlogvoeren noodig, want de meeste steden in de nabijheid van de kust gaven zich onmiddellijk over, zoodra zij bericht kregen, dat hij naderde. In één der tempels van Gordium in Phrygië vond hij een beroemden knoop, gemaakt van touwen, gesneden uit de schors van een boom. Er was een profetie, dat de heerschappij over de wereld den man zou te beurt vallen, die dien knoop kon losmaken. Reeds menigeen had zijn geluk beproefd, maar hij was zóó kunstig inééngestrengeld en vastgeknoopt, dat het nog nooit iemand was gelukt. Alexander beproefde het eveneens een korten tijd, trok toen zijn zwaard en hakte den knoop door. Zoo komt het, dat men, als iemand een kort, stoutmoedig middel heeft gevonden, om een moeilijkheid uit den weg te ruimen, zegt: "hij heeft den Gordiaanschen knoop doorgehakt."
Alexander trok weer met zijn manschappen naar zee, marcheerend door Klein-Azië. Bij Issus ontmoette hij de legerdrommen der Perzen, die nog altijd van meening waren, dat een leger zeker was van de overwinning, als het slechts groot genoeg was. Maar zij zouden het bij Issus wel anders ondervinden. Darius had zeer onverstandig Alexander in de gelegenheid gesteld, hem in een nauwe vlakte te ontmoeten, waar geen voldoende ruimte was voor zijn leger. De Perzen sloegen op de vlucht, met hun koning vooraan. Darius wierp zijn schild, zijn boog en purperen mantel weg, en sprong zelfs van den koninklijken wagen en besteeg een paard, om sneller te ontkomen. Niemand behalve de Koning had het recht bevelen te geven, en het geheele Perzische leger tuimelde over elkander in hun woest opdringen om te ontsnappen.
Nadat de slag was geleverd, werd een prachtig gouden kistje naar Alexander gebracht, afkomstig van den buit, op Darius gemaakt. "Wat is het meest waardig, er in te leggen?" vroeg hij zijn vrienden. De één stelde dit voor, de ander dat, maar de koning schudde het hoofd. Eindelijk zeide hij: "Het is de Ilias, die het meest een dergelijk kistje waard is." De moeder en het gezin van Darius waren gevangen genomen door de Macedoniërs. Alexander zond hun een boodschap, dat zij van hem niets hadden te vreezen, en behandelde hen met de grootst mogelijke beleefdheid en de meeste oplettendheid. Darius wenschte ze los te koopen en bood zijn bondgenootschap aan; maar Alexander verzocht den Perzischen monarch hem "niet als een gelijke, maar als heerscher over Azië" te betitelen; in dit geval zou hem alles verleend worden, wat hij verkoos te vragen.
Het scheen voor den jeugdigen veroveraar geen verschil te maken, waar een stad gelegen was of hoe zij werd verdedigd. Tyrus lag op een eiland, maar hij verbond het eiland spoedig met het vasteland, door een dijk te leggen met groote aardhoopen, ten einde van daar uit met zijn machines de stad aan te vallen. Nadat Tyrus gevallen was, gaven bijna alle steden ten oosten van de Middellandsche Zee zich over, alleen om Gaza had hij strijd te leveren. Van die stad uit, zond hij een vroegeren leermeester groote hoeveelheden wierook en myrrhe. Men verhaalt, dat zijn leermeester hem, toen hij nog een knaap was, gezegd had, niet zooveel wierook te verbranden, voordat hij het land had veroverd, waar de specerijen groeiden. Nu schreef hij: "Ik heb u ruim wierook en myrrhe gezonden, opdat gij niet langer een vrek tegenover de goden zult zijn."
Tot nu toe had Alexander slechts met zijn inval een begin gemaakt. Hij had zich voorgenomen, ver in oostelijke richting op te trekken; maar hij wilde zich eerst er van vergewissen, dat hij geen vijanden meer achter zich liet. Daarom was hij door Klein-Azië heen en weer getrokken, totdat hij er zeker van was, dat er in dat gedeelte van het land geen verzet meer zou zijn. Voordat hij voor goed een tocht naar het oosten aanvaardde, wilde hij zich verzekeren van Egypte, en trok hij daarheen. Egypte verheugde zich in de hoop, van Perzië te worden bevrijd. De Egyptenaren wierpen hun poorten wijd open en kwamen hem in grooten getale welkom heeten. Dicht bij de monding van den Nijl koos hij een terrein, om er een stad te stichten, Alexandrië, waarheen goederen uit het oosten en het westen zouden kunnen worden gebracht. Hij beval zijn manschappen, een streep te trekken op den zwarten grond, ten einde het plan voor de nieuwe stad aan te duiden. Zij hadden geen krijt, en daarom wezen zij het terrein aan met meel. Plotseling kwam op de juist uitgeteekende stad een zwerm vogels neerdalen, die het meel oppikten. Alexander was verontrust, daar hij vreesde, dat dit ongeluk zou beteekenen; maar de waarzeggers zeiden: "Neen, dit is een teeken, dat de stad gezegend zal zijn met een zóó grooten overvloed, dat zij een voorraadschuur zal zijn voor allen, die daarheen zullen komen"; toen was de koning gerustgesteld.
Ondertusschen had Darius menschen verzameld uit het noorden, zuiden, oosten en westen, om zich tegen den inval te verzetten. De besten onder hen waren een aantal Grieken, die hij gehuurd had. Hij had eveneens vijftien olifanten en twee honderd seiswagens, wagens, die er vreeselijk angstwekkend uitzagen met degenklingen, die uitstaken uit het juk en de naven der wielen. De twee legers stootten te Arbela op elkander. Den avond vóór den slag stelde één der veldheeren Alexander voor, de Perzen gedurende den nacht aan te vallen. "Perzische legers zijn des nachts bijna hulpeloos," zeide hij. Maar Alexander was daartoe te trotsch. "Ik wil niet op slinksche wijze een overwinning behalen," antwoordde hij. "Ik kan Darius in het volle daglicht verslaan, en ik zal dat doen." En hij deed het ook. Weder leidde Darius den terugtocht. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, en wierp zóóveel stof op, dat hij in de verwarring ontsnapte. Voor dien slag had Darius het grootst mogelijke aantal troepen bijeengebracht, ze zoo goed als hij kon gedrild, en toch was hij verslagen. Hij kon niets meer doen dan hij gedaan had, om de Grieken te verdrijven. Hoewel er nog een aantal groote marschen moesten worden gedaan, en bovendien niet weinig gevechten door Alexander moesten worden geleverd, kan men dus toch wel verklaren, dat zijn overwinning bij Arbela besliste over het lot van Perzië.
De hoofdsteden van het Perzische rijk waren Babylon en Susa. Alexander verwachtte een krachtigen tegenstand in die plaatsen, daar zij de schatkamers van het rijk waren. In plaats daarvan kwamen de troepen hem te gemoet, terwijl zij de sleutels der poorten droegen. De burgers strooiden bloemen op zijn weg en kwamen in grooten getale op, om hem geschenken aan te bieden. Toen hij de steden binnenkwam, werden zijn stoutste droomen nog verre overtroffen; immers alleen in Susa was er een schat van meer dan 120 millioen gulden, en in Persepolis, de stad, die hij toen veroverde, was er meer dan driemaal zooveel.
Voordat hij in Persepolis kwam, zag hij een vreeselijk schouwspel: honderden Grieksche gevangenen, van wie sommigen een been, anderen een arm of een oog hadden verloren, en anderen, die zóó zwaar hadden geleden, dat zij volkomen hulpbehoevend waren. Dit was het werk der Perzen. Een aantal van die gevangenen waren jaren lang in Perzië gevangen gehouden. Tranen kwamen Alexander in de oogen, en hij drong er op aan, dat zij naar Griekenland zouden terugkeeren. "Ik zal u naar huis zenden," zoo sprak hij, "en ik zal er voor zorgen, dat gij, zoolang gij leeft, goed verzorgd wordt." Maar zij zeiden hem, dat zij in een zoodanigen toestand niet naar hun vrienden konden terugkeeren. Daarop gaf hij hun land en slaven en veel vee. En toch had die sympathieke monarch na het beleg van Tyrus tweeduizend man doen ophangen; en na de overgave van Gaza had hij de voeten van den dapperen verdediger der stad met koperen ringen doorboord, hem aan een wagen vastgebonden, en nog levend in het gezicht van het leger voortgesleept. Op die wijze, zeide hij, had Achilles het lijk van zijn vijand Hector behandeld. Het was te betreuren, dat hij uit de Ilias geen betere lessen had geleerd. Na den val van Persepolis gaf hij de stad ter plundering aan zijn soldaten over. Hij doodde de mannen en verkocht de vrouwen als slavinnen. De verwoesting van Athene was gewroken.
Het eerste doel van Alexander was nu, Darius gevangen te nemen. De Perzische koning was op de vlucht, maar was in werkelijkheid een gevangene in de handen van zijn eigen veldheer, Bessus. Sommigen onder de Perzen dachten er over, Bessus tot koning uit te roepen; maar indien hij Darius niet gevangen kon houden, zouden anderen er toe aangemoedigd worden, hem op den troon te herstellen. Zij waren vooral beangst, dat Darius levend in de handen van Alexander zou vallen. Toen zij derhalve hoorden, dat Alexander in hun nabijheid was, en dat zij niet konden ontsnappen en Darius medenemen, wierpen de verraderlijke Bessus en zijn vrienden hun werpspiesen op hem en lieten hem voor dood liggen. Men zegt, dat een Macedonisch soldaat hem nog juist levend vond, en dat hij zijn dankbaarheid uitdrukte jegens Alexander, omdat deze zijn vrouw en zijn gezin zoo vriendelijk had bejegend. "Zeg hem, dat ik hem mijn hand heb gegeven," zeide hij. Alexander wierp zijn eigen mantel over het lijk van den koning, en eerde hem door een koninklijke begrafenis.
Alexander was meester in het Perzische rijk, maar het scheen, dat hij was aangetast door een onbluschbaren hartstocht naar verovering. Hij ging met zijn onoverwinnelijk leger voorwaarts,--in noordelijke richting naar de Caspische Zee, in zuidelijke richting naar de Arabische zee, daarna weer noordelijk, zich kronkelend en draaiend uit het land verre ten noorden van het Hindu-Kush gebergte naar Indië en de monding van den Indus. Hij maakte plannen, om voort te trekken naar het uiterste oosten; om een expeditie tegen Arabië over zee te ondernemen; om westwaarts te gaan en Italië, Spanje en Noord-Afrika te veroveren; in één woord, om de geheele wereld te vereenigen tot één rijk, onder zijn bestuur, Hij keerde naar Babylon terug, om nieuwe troepen en schepen te ontmoeten. Alle voorbereidselen waren gemaakt,....toen hij plotseling ziek werd en stierf.