De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 16

Chapter 163,687 wordsPublic domain

Tot dusver had Thebe een aantal steden vrijgemaakt, en deze waren zeer verheugd over haar hulp. Niemand twijfelde er aan, of zij was de machtigste staat in Griekenland; maar toen zij Pelopidas zond naar den koning van Perzië, om officieel mede te deelen, dat zij nu in plaats van Sparta de hegemonie had onder de steden van Griekenland, waren deze daarover verstoord, en enkelen onder de oude bondgenooten van Sparta waren bereid haar tegen Thebe te helpen. Het gevolg hiervan was, dat Epaminondas nog een aantal expedities op Peloponnesisch gebied moest uitrusten. Ten slotte beraamde hij het plan, Sparta zelf aan te vallen. Xenophon verhaalt, dat hij de stad zoo gemakkelijk als een vogelnestje zou hebben kunnen nemen, als niet koning Agesilaus, die uitgetrokken was, om den vijand tegemoet te trekken, langs een korteren weg was teruggekeerd, om de "vuurbrakende" Thebanen slag te leveren. Epaminondas wist, dat de Spartanen hun stad zouden verdedigen als in het nauw gejaagde wolven, en zeer verstandig trok hij daarom terug naar Arcadië. De Spartanen vervolgden hen, en er werd een slag geleverd in de vlakte van Mantinea. Hier speelde Epaminondas het oude spel der Spartanen bij Aegos-Potamos, en misleidde hen even volkomen als deze de Atheners hadden misleid. Hij beval zijn manschappen, hun wapenen bijeen te zetten, en schijnbaar te gaan kampeeren. Toen daardoor zijn vijanden volstrekt niet op hun hoede waren, stelde hij plotseling zijn gelederen op en stormde op hen aan. De Spartanen en hun bondgenooten waren even onthutst als de Atheners in den zeeslag geweest waren. Zij liepen wild door elkander, de één was bezig zijn borstharnas vast te maken, een ander zijn paard te toomen, in één woord zij allen gedroegen zich, niet zooals de Spartanen van ouds, die gewoon waren opgewekt, doch kalm en bedaard, ten strijde op te trekken, maar, zooals Xenophon verklaarde "meer als mannen, die op het punt stonden een zwaar nadeel te lijden, dan aan een ander nadeel toe te brengen." Epaminondas had een deel van zijn ruiterij in een phalanx gerangschikt, en zij sloegen zich door de Spartaansche gelederen heen, "als een oorlogsschip, met zijn sneb tegen den vijand gericht," zooals Xenophon schrijft, misschien wel met dienzelfden slag bij Aegos-Potamos in de gedachte. Epaminondas bevocht een volkomen overwinning, maar sneuvelde zelf. Zijn laatste gedachten waren voor zijn vaderland. Pelopidas was twee jaren te voren in den oorlog gesneuveld, en als Epaminondas nu telkens een ander noemde, die hem als opperbevelhebber zou kunnen vervangen, luidde voortdurend het antwoord: "Hij is gesneuveld." "Dan moet gij met den vijand vrede sluiten," sprak hij, en sloot stervend zijn oogen.

De glorie van Thebe had in de handen van één man gelegen. Het was Epaminondas, die haar groot had gemaakt. Hij was haar aanvoerder, haar leidsman, haar raadgever geweest. Nu was hij verdwenen, en op dienzelfden dag was Thebe afgedaald van haar hoogen rang als de leidende staat van Griekenland.

HOOFDSTUK XIX.

PHILIPPUS VAN MACEDONIË.

Zoo kwam het, dat eerst Argos, daarna Athene, Sparta, Thebe, beurtelings de leidende staten van Griekenland werden. Hun zelfzucht en afgunst jegens elkander hadden hun rijkdom uitgeput, het geluk hunner burgers verwoest en een groot gedeelte der bevolking aan den dood prijs gegeven, en zij waren daarbij totaal uitgeput. Er kon geen betere tijd worden uitgekozen, om zich van het geheele land meester te maken, als er maar een vermetel, sluw man gevonden werd, die wist, hoe met voorzichtigheid en bekwaamheid te handelen.

Een zoodanig iemand was op den troon van Macedonië, het land dat in het noorden en noordoosten van Griekenland gelegen was. De Macedoniërs hadden geen kunstenaars, geen talentvolle schrijvers, geen schitterende redenaars, geen scholen voor wijsbegeerte. De Grieken uit het zuiden gaven wel toe, dat zij Grieksch bloed in de aderen hadden, maar lachten om hun ruwe, onbeschaafde vormen en hun grove, weinig gemanierde wijze van spreken. De vorst, die toen op den troon gezeten was, Philippus II, was diep overtuigd van al die verschilpunten. Hij was nog slechts een jongen van vijftien jaar oud, toen Pelopidas in Macedonië kwam en hem als gijzelaar mede naar Thebe nam. Daar was hij drie jaar gebleven, waarschijnlijk in de woning van den vader van Epaminondas. Hoe dit ook moge zijn, hij had zeker de gelegenheid gehad, na te gaan, hoe de Grieken leefden, hoe zij oorlog voerden, en hoe somtijds de oorlog door diplomatie kon worden vermeden. Hij leerde Grieksch spreken en schrijven als een Thebaan; zijn taal werd niet alleen zuiver maar ook welsprekend. Hij wist, dat het niet onmogelijk was, dat hij mettertijd heerschen zou over Macedonië, en hij hield blijkbaar zijn oogen en ooren open, om alles te hooren wat voor hem van waarde kon zijn en hem kon helpen, om een verwonderlijk plan uit te voeren, dat hem waarschijnlijk reeds toen voor den geest stond.

Toen de tijd voor hem was aangebroken, om de kroon van zijn vader te dragen, begon hij met een staand leger te vormen, en zeer verstandig noodigde hij zijn lastigste onderdanen uit, zich daarbij te voegen, en wel de half-beschaafde stammen, die verder af in de heuvelachtige terreinen woonden. Tot nu toe had Macedonië geen pogingen in het werk gesteld, om machtig te worden. Het was nauwelijks iets anders geweest dan een stuk land, waardoor legers konden marcheeren tusschen Griekenland en Azië. Indien er een oorlog uitbrak, had het steeds de zijde gekozen van die partij, die waarschijnlijk het machtigst zou zijn. Het eerste gedeelte van het plan van Philippus was, Macedonië zóó krachtig te maken, dat andere landen begeerig zouden zijn vriendschap er mede te sluiten. Daartoe oefende en drilde hij zijn soldaten zóó, dat zij het beste leger van de wereld vormden. Hij had in Thebe geleerd, hoe de zoo beroemde Thebaansche phalanx werd gevormd; maar hij was zelfs niet tevreden met een uitvinding, die werkelijk als iets buitengewoon bewonderenswaardigs werd beschouwd; hij dacht een eenigszins andere rangschikking voor het voetvolk uit. Volgens die rangschikking werden de mannen geplaatst in zestien rijen achter elkander, met een tusschenruimte van drie voet tusschen de gelederen. De speren waren een-en-twintig voet lang, en iedere soldaat hield zijn wapen vast op vijftien voet afstand van de punt. De speren van het vijfde gelid staken dus drie voet vóór het eerste gelid uit; die van het vierde gelid zestien voet, en zoo voort. Het was niet gemakkelijk, de phalanx in orde te houden op een ruwen, oneffen grond, maar op een vlak terrein konden geen troepen aan haar aanval weerstand bieden.

Toen het leger van Philippus gereed was, begon hij met zijn veroveringen, niet echter door Griekenland binnen te trekken,--daarvoor was hij te verstandig. Eerst sloeg hij het oog op Thracië en Chalcidice. Op de grens tusschen Thracië en Macedonië lag de stad Amphipolis, en hij nam zich voor, die in te nemen. Athene en Olynthus zouden zich hebben vereenigd om die te verdedigen, maar Philippus dacht er geen oogenblik aan, meer te vechten dan noodig was; daarom beloofde hij Amphipolis aan Athene te geven. Op die wijze nam hij de stad zonder dat òf Athene òf Amphipolis tusschen beide kwam. Hij hield Amphipolis voor zich zelf, in plaats van de stad aan Athene af te staan, maar hij gaf een andere stad aan Olynthus. Zoo wist hij elk verbond af te breken, dat anders tusschen Athene en Olynthus zou kunnen worden gevormd. Philippus II van Macedonië was een zeer sluw man. Natuurlijk hield hij niet op bij Amphipolis. Een klein eind over de Thracische grenzen lagen enkele rijke goudmijnen. Wat stond hem in den weg, die te nemen? Hij marcheerde op met zijn onoverwinnelijk leger, en spoedig had hij al het geld, dat hij noodig had. Hij kon soldaten huren, om een stad aan te vallen, of--immers er waren minstens in iedere stad twee partijen--hij kon de ééne partij omkoopen, om hem de stad in handen te leveren. Er is een verhaal bekend, volgens hetwelk hij eens informeerde, of een bepaalde vesting kon worden ingenomen. "Zij is ontoegankelijk" was het antwoord. "Is zij zelfs zóó ontoegankelijk, dat ook niet een ezel met goud beladen, haar kan beklimmen?" was zijn wedervraag.

Philippus nam nog andere plaatsen in het noorden, en niemand verzette zich tegen hem. Athene was de sterkste van de Grieksche staten, en Athene had haar handen vol met de steden van den nieuwen Bond, die gevormd was, nadat Thebe zich van Sparta had vrijgevochten. Zij toch verzetten zich er even sterk tegen als de steden van den ouden Bond van Delos, om door Athene behandeld te worden, als waren zij haar onderworpen; en Athene had, in weerwil van alles wat zij had meegemaakt, nog niet geleerd, dat het verstandiger zou zijn, hen op een andere wijze te behandelen. Zij waren opgestaan, en nu volgde de oorlog, bekend als die der Bondgenooten.

En nog nadat de Oorlog der Bondgenooten geëindigd was, schenen de Atheners blind te zijn voor wat zich in het noorden afspeelde. Er was echter één man in de stad, die de oogen geopend hield: maar in weerwil van al zijn welsprekendheid kon hij de Atheners er niet toe brengen, het gevaar in te zien, dat hen bedreigde. Die man was Demosthenes, één der grootste redenaars van de geheele wereld.

Toen Demosthenes nog een kind was, was hij wel de laatste knaap, dien men zou hebben uitgekozen, om tot redenaar te ontwikkelen. Hij stotterde, had een zwakke stem, was spoedig buiten adem en kon de letter r niet behoorlijk uitspreken. Daarbij was hij verlegen, trok voortdurend zijn linker schouder op, en als hij opgewonden werd of zijn belangstelling was gaande gemaakt, trok hij de meest dwaze en leelijke gezichten. Toch had hij zich vast voorgenomen, een even groot redenaar te worden als de spreker, naar wien hij eens had geluisterd, en even hartelijk als deze te worden toegejuicht. Toen hij ouder was geworden, greep hij de eerste de beste gelegenheid aan, om in het publiek te spreken. Wel werden zijne toehoorders niet overtuigd, maar zeker werden zij aangenaam onderhouden; immers zij moesten uitbundig lachen om den jongen man, die zulke dwaze gezichten trok, zijn lichaam zoo gek bewoog, zijn verschillende argumenten door elkander haalde, en telkens zóó buiten adem was, dat zij zelfs niet altijd konden verstaan wat hij trachtte te zeggen.

Demosthenes was zóózeer ontmoedigd, dat hij de stad verliet en een wandeling maakte naar den Piraeus, er over peinzend, of het hem ooit zou gelukken, zijn stadgenooten te boeien en te overtuigen. Hij herhaalde zijn eerste poging, maar ook deze mislukte. "Hoe komt het," zoo sprak hij tot een vriend, die van beroep tooneelspeler was, "dat het volk, hoe hard ik ook voor mijn redevoeringen werk, nog liever luistert naar een dronken matroos of den eersten den besten onbeduidenden medeburger, dan naar mij"? Het eenige antwoord, dat zijn vriend hem gaf, luidde: "Wilt gij mij een stuk uit een drama van Euripides of Sophocles voordragen"? Demosthenes gehoorzaamde; daarna droeg de redenaar hetzelfde stuk voor, maar met een zóó groote waardigheid, met gebaren, zóózeer in overeenstemming met de woorden, en met een zóó blijkbaar inzicht in iedere gedachte, dat het iets geheel anders werd. Toen begreep Demosthenes, wat zijn vriend bedoelde, namelijk, dat niemand, onverschillig hoe diep hij zijn onderwerp had bestudeerd, of hoe uitmuntend zijn redevoering was in elkander gezet, zijn hoorders kon overtuigen, als de redevoering niet tevens goed werd voorgedragen.

Er was niet veel hoop voor Demosthenes, dat hij ooit in zijn pogingen zou slagen, maar hij had veel te veel energie, om de zaak op te geven. Hij bouwde een kamer onder den grond, waar hij herhaaldelijk een tijd verblijf hield, om zijn stem te oefenen en zijn gebaren te verbeteren. Uit vrees, dat hij in de verleiding zou komen, uit te gaan, schoor hij somtijds de helft van zijn hoofd kaal, zoodat hij niet in het publiek kon verschijnen. Om zijn stotteren te verbeteren, sprak hij met steentjes in zijn mond. Om zijn stem zóó te versterken, dat hij het leven der volksvergaderingen kon overschreeuwen, hield hij redevoeringen voor zich zelf aan het strand der zee, waarbij hij zijn best deed het geraas der zee te overstemmen. Hij oefende er zich in, zijn ademhaling te beheerschen door redevoeringen op te zeggen, terwijl hij ruwe en steile heuvels beklom. Hij hing een ontbloot zwaard zóó op, dat de minste beweging van den niet voldoende in bedwang gehouden linker schouder hem zou prikken. Hij oefende zich voor den spiegel, om te leeren, niet met de oogen te knippen of dwaze gezichten te trekken. Hij overwon zelfs de moeilijkheid, die voor hem gelegen was in de lastige letter r. En bij dit alles verzuimde hij toch niet, om zich meer dan ooit toe te leggen op een uitnemende samenstelling zijner redevoeringen. Hij schreef zelfs herhaaldelijk de redevoeringen van Thucydides over, en trachtte even goede redevoeringen te vervaardigen. En zoo werd hij een zóó voortreffelijk redenaar, dat hij nu reeds tweeduizend jaar lang genoemd wordt onder de beste redenaars der wereld.

Dit was nu de man, die de Atheners vertelde, dat Philippus van Macedonië voornemens was, Griekenland te veroveren. Zijn redevoeringen tegen Philippus werden "Philippicae" genoemd. Zij waren zóó bitter en heftig, dat nog in onze dagen een bijzonder heftige en onmeedoogende redevoering tegen een persoon dikwijls een "philippica" wordt genoemd. In die redevoeringen deed Demosthenes al het mogelijke om zijn landgenooten tegen Philippus wakker te schudden. "Welken gunstigen tijd van het jaar, welke betere gelegenheid dan de tegenwoordige wacht gij af, of wanneer zult gij uw krachten beter kunnen inspannen dan nu, mijn landgenooten? Heeft niet die man alle plaatsen in bezit genomen, die de onze waren? Moet hij nu ook meester worden van dit land, moeten wij dan niet afdalen tot den laagsten trap van eerloosheid? Worden niet diegenen, die wij beloofd hebben te hulp te komen, zoo dikwijls zij in een oorlog betrokken zijn, nu zelf aangevallen? Is hij niet in het bezit van onze volksplantingen? Is hij geen barbaar? Is zijn karakter niet zóó laag, dat woorden het niet kunnen uitdrukken? Als wij voor dat alles ongevoelig zijn, als wij zelfs als het ware zijn plannen in de hand werken--O hemel! Kunnen wij dan nog vragen, wie de schuld draagt van de gevolgen?"

Maar de tijden waren voorbij, dat men leefde en werkte voor het belang van den staat. Men verkoos weelderige woningen boven het slagveld; men stelde liever staatsgeld beschikbaar voor de schouwburgen dan voor de soldaten. Zelfs de beeldhouwkunst veranderde van aard. De Grieken waren niet meer tevreden met standbeelden, die kracht en stoutmoedigheid uitdrukten, maar zij moesten ook liefelijk en sierlijk zijn. De beroemdste beeldhouwer uit die dagen was Praxiteles. Zijn Aphrodite, vervaardigd voor een tempel te Cnidus, was het eerste beeld van een vrouw, die niet alleen schoon was, maar er ook uitzag, alsof zij kon denken en gevoelen. De bevolking van Cnidus was zóó trotsch op het beeld, dat zij, toen een koning aanbood, de groote schuld, die Cnidus had, af te betalen, als zij hem het beeld zoude afstaan, dit aanbod afsloeg. Een aantal Grieksche standbeelden zijn alleen door copieën bekend, maar wij hebben nog het origineel van den Hermes van Praxiteles met den jeugdigen Dionysus, dat de aanraking gevoeld heeft van den beitel van den meester zelf. Die werken zijn heerlijk schoon, en dat wel in een tijd, toen de Atheners veel meer hadden moeten denken aan den toestand van hun land dan aan standbeelden. Alle pogingen van Demosthenes waren echter volkomen vruchteloos. Philippus ging voort met zijn veroveringen in het noorden, en spoedig deed zich voor hem een gelegenheid voor, om vaster voet te krijgen in Griekenland, en op te treden niet als de heerscher van een ruw, barbaarsch volk, maar als de beschermer van de rechten van Apollo. De Phocensers hadden niet steeds voldaan aan hun verplichtingen tegenover Apollo. Meer dan tweehonderd jaar te voren waren zij door de Delphische amphictyonen gestraft, omdat zij op weg naar Delphi zich hadden ingelaten met anderen. De afstammelingen nu van diezelfde Phocensers namen land in bezit, dat voor Apollo afgezonderd werd gehouden, en stalen zelfs eenige van de schatten uit zijn tempel. De amphictyonen waren niet krachtig genoeg om hen te straffen, en deden een beroep op Philippus. Dit kon men noemen "een kat opdragen, een geschil tusschen twee muizen te beslechten." Philippus strafte de Phocensers, en de amphictyonen gaven hem nu hun stemmen in den Raad der amphictyonen, en besloten, dat hij het voorzitterschap zou waarnemen bij de spelen, die te Delphi werden gevierd. Hij was nu de verdediger van Apollo; en als hij het kon doen voorkomen, alsof eenige daad van een Griekschen staat een misdaad tegen de godheid was, had hij het recht, dien staat te straffen.

De plannen van Philippus vorderden goed. Zijn volgende stap was, dat hij trachtte Byzantium te bemachtigen. Dit deed de Atheners uit hun onverschilligheid ontwaken, daar zij volstrekt niet wilden afgesneden worden van de voorraadschuur der landen aan de Zwarte Zee. Zij kwamen de bevolking van Byzantium te hulp, en Philippus trok zijn troepen terug. Hij verzette zich niet bijzonder daartegen, daar hij in Athene een vriend had, die voor hem den weg in een andere richting effende. Dit was de redenaar Aeschines, die in welsprekendheid Demosthenes het meest nabij kwam. Philippus hield er in de verschillende staten van Griekenland goed betaalde dienaren en spionnen op na, en men meent, dat Aeschines tot die spionnen behoorde. Hij overtuigde de Atheners, dat de Phocensers weer straf verdienden, daar zij eenig land gebruikten, dat aan Apollo gewijd was. Dit had uitsluitend ten doel, ten tweeden male Philippus er in te halen, en Philippus was dadelijk daartoe gereed. Maar toen hij eenmaal in Phocis was, maakte hij niet de minste haast, het eigendom van Apollo te beschermen. In plaats daarvan nam hij bezit van een stad, die zoowel Boeotië als Athene goed te stade zou gekomen zijn, en versterkte die.

Er was toen geen schitterende welsprekendheid meer noodig, om de Atheners te overtuigen van het groote gevaar, dat hen bedreigde. Zij waren bereid alles te doen, iedereen te volgen. "Maakt u gereed, een beleg te kunnen doorstaan," raadde Demosthenes aan "en ziet de hulp van Thebe te verkrijgen." Zij gehoorzaamden zonder eenig gemor, en Thebe werd hun bondgenoot. Bij Chaeronea in Boeotië geraakten de legers handgemeen; het waren de beste legers der wereld. Er werd een vreeselijke slag geleverd; en toen deze geëindigd was, had Philippus van Macedonië de oppermacht over Griekenland verkregen.

Thebe en Athene waren in den Bond tegen Philippus de voornaamste staten geweest; hoe zou hij hen behandelen? Hij had nu eens vooral de gelegenheid, te laten zien, dat hij òf streng òf genadig kon zijn, en Philippus verzuimde nooit één gelegenheid. Tegenover Thebe trad hij zoo streng mogelijk op. Hij liet haar zelfs losgeld betalen voor de lijken van haar soldaten; hij bevrijdde de kleine steden van Boeotië uit haar heerschappij; en in de citadel plaatste hij een garnizoen van Macedoniërs. Jegens Athene betoonde hij zich daarentegen zeer genadig. Hij leverde de gevangenen uit zonder losgeld. Hij eerde haar dooden met begrafenisplechtigheden, en zond de beenderen der dooden naar Athene onder geleide van zijn eigen zoon Alexander. Hij behield voor zich enkele van haar meest verwijderde bezittingen, maar liet haar Attica en breidde het zelfs uit, door er een stadje aan toe te voegen op de grenzen van Boeotië, dat langen tijd een punt van twist geweest was tusschen Athene en Thebe.

Korten tijd na den slag bij Chaeronea verzocht Philippus de Grieksche staten, afgevaardigden te zenden naar een congres, dat te Corinthe zou worden gehouden. Eerst werd er een soort van statenverbond gevormd, met Macedonië aan het hoofd. Toen bracht Philippus op dat congres het ware doel der bijeenkomst ter tafel. Het was om hun hulp te vragen in een expeditie, die geen minder doel beoogde dan de verovering van Perzië.

Philippus was een slim man. Hij had de Grieksche staten doen gevoelen, dat hij hun meester was, maar voordat zij den tijd hadden op te staan, ja zelfs tot het bewustzijn te komen van hun diepen val, vroeg hij hun hulp bij een expeditie, die wel is waar moest strekken tot vermeerdering van zijn roem, maar die tevens een wraak zou zijn voor al wat de Grieken van den inval der Perzen hadden geleden. Natuurlijk konden zij toch moeilijk iets weigeren, wat hun veroveraar verkoos te vragen, maar dit was een hoogst aanlokkelijke expeditie. De schatten van Azië lagen binnen hun bereik. Zij hadden slechts den man te volgen, die zich bekwaam had betoond een verstandig en gelukkig aanvoerder te zijn. Een aanbod van rijkdom, triomf en wraak was genoeg, om iedere natie op te winden. En dit was geen hersenschimmig, onmogelijk plan; de terugtocht der Tienduizend Grieken had doen zien, wat een zwak lichaam het logge, uit zijn krachten gegroeide Perzische rijk was geworden. Zij vergaten, dat zij hun onafhankelijkheid hadden verloren, dat zij een veroverd en in onderwerping gebracht volk waren; zij vergaten alles behalve hun tocht naar Azië. Geheel Griekenland begon zich gereed te maken. Schepen werden gebouwd, levensmiddelen opgehoopt en oorlogswerktuigen vervaardigd. Sommige der troepen waren reeds weggetrokken, toen Philippus de Grieksche staten uitnoodigde, afgevaardigden te zenden bij het huwelijk van zijn dochter. De feestelijkheden hadden reeds een aanvang genomen. Er was een schitterend feestmaal met al de zeldzaamheden, die door de hulpbronnen van den grootsten koning der wereld konden worden bijeengebracht. Daarna gingen de gasten, allen getooid met de schoonste kleederen en schitterend van juweelen, uit de feestzaal naar den schouwburg. Een lange processie van Macedoniërs marcheerde langs hen heen, en vertoonde de schatten van het koninkrijk. Achteraan kwamen de beelden der twaalf groote goden. Sommigen der gasten beefden bij de heiligschennis, toen zij zagen, dat er een dertiende god aan toegevoegd was, namelijk het beeld van den Koning. Achter dat beeld liep de veroveraar. Hij droeg een krans op zijn hoofd en kleeren van het helderste wit. Achter hem liepen zijn zoon Alexander en de bruidegom. De menigte jubelde en juichte hem toe. "Philippus! Philippus!" riepen zij. "Groot is Philippus van Macedonië!" Te midden dier vreugde was er één enkele flikkering van het zwaard van een moordenaar, en de groote koning lag dood ter neder.

HOOFDSTUK XX.

ALEXANDER DE GROOTE.