De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 15

Chapter 153,683 wordsPublic domain

Een ander volgeling van Socrates was Xenophon, die niet alleen wijsgeer, maar ook geschiedschrijver en legeraanvoerder was. Toen Socrates gevangen zat, was Xenophon juist teruggekeerd van een merkwaardige expeditie, die door den Perzischen Cyrus was op touw gezet. Nadat de Peloponnesische oorlog geëindigd was, zond Cyrus afgezanten naar Sparta, om de Spartanen te vragen, dat zij zich jegens hem niet anders zouden gedragen dan hij zich jegens hen had gedragen. Daarmede bedoelde hij, dat hij wat Grieksche soldaten wilde leenen. Zijn broeder, Artaxerxes II, was nu op den troon van Perzië, maar er waren velen, die van oordeel waren, dat die van rechtswege aan Cyrus toekwam, en deze had een leger van 100000 man bijeengebracht, om dien te vermeesteren. Hij wist, hoe goed de Grieken vochten, en het is niet te verwonderen, dat hij zeer begeerde, Grieksche troepen te huren. Er waren in Griekenland duizenden mannen, die ten gevolge van den langen oorlog slechts weinig afwisten van een ander beroep dan dat van soldaat, en zij waren bereid voor iedereen te strijden, die hun soldij wilde betalen. Zij zouden er echter niet in hebben toegestemd, tot in het binnenste van Azië door te dringen; daarom werden zij bedriegelijk verlokt den tocht te ondernemen door de mededeeling, dat Cyrus hen noodig had, om enkele opstandelingen in Pisidië te onderwerpen, welk land gelegen was aan de zuidelijke kust van Klein-Azië. Zij trokken de Aegeïsche Zee over, landden in de nabijheid van Samos, en gingen met de grootste opgewektheid op weg naar Pisidië. Maar Pisidië scheen heel ver af te liggen, en ten slotte begonnen zij te vermoeden, dat er bedrog in het spel was. Na verloop van tijd kwam Cyrus hen met zijn troepen te gemoet, en ten slotte erkende hij, dat zij op weg waren naar Babylonië, en niet tegen enkele opstandelingen hadden te strijden, maar tegen den koning van het Perzische rijk. Zij waren reeds in Perzië en het was bijna even gevaarlijk te trachten den terugtocht te aanvaarden als vooruit te trekken. Cyrus beloofde hun een hooge soldij en zij stemden er in toe, verder te trekken.

Op zekeren dag, juist vóór het aanbreken van den middag, kwam een man in volle vaart naar het leger galoppeeren, die eerst in het Perzisch, en daarna in het Grieksch uitriep: "De Koning komt, de Koning komt, met een groot leger, volkomen ten strijde toegerust." Vroeg in den namiddag zag men over de vlakte een lage, witte wolk liggen. Dit was het stof, dat door het leger van den koning werd opgejaagd. De stofwolk werd hoe langer hoe donkerder; daarna kon de flikkering van een speer of van een metalen wapenrusting gezien worden. Ruiterij, met een sneeuw-witte wapenrusting, kwam te voorschijn; Egyptische troepen met lange houten schilden; boogschutters; wagens met zeisen, die van de wagenassen afhingen; volken na volken, ieder een samengedrongen en op zich zelf staande troep. De gelederen van Cyrus werden gevormd, en hij zelf inspecteerde die, toen hij een zacht gemompel door de gelederen hoorde gaan van rechts naar links en van links naar rechts. "Wat is dat?" vroeg hij. Xenophon was juist komen aanrijden, om te vragen, of hij ook eenige bevelen had gegeven, en hij antwoordde, dat dit het wachtwoord beteekende: "Jupiter de Redder, en overwinning." "Ik neem dit aan als een goed voorteeken," zeide Cyrus, "en moge het zoo zijn."

Het voorteeken bleek echter valsch te zijn. Wel is waar wonnen de dappere Grieken den strijd, maar Cyrus werd verslagen. "Levert al uw wapenen in," beval de koning. "Overwinnaars leveren hun wapenen niet in," antwoordden de Grieken. De koning was er niet op gesteld, het gevecht te hervatten. Hij wilde veel liever van die lastige vreemdelingen bevrijd worden, en hij dacht, dat het verstandig zou zijn hen te laten vertrekken, om rond te zwerven in het land en van honger om te komen. Hun aanvoerders werden door bedrog en list gedood; en de Grieken werden achtergelaten in het land van een vijand, op minstens zestienhonderd kilometers van huis. Zij hadden geen gidsen, geen aanvoerders en weinig kennis van het land, behalve dat zij wisten, dat er veel rivieren en bergen waren. Zij waren wanhopig. De nacht brak aan, en zij lagen op den grond, verlangend naar hun gezin en hun eigen vaderland. Xenophon was met het leger naar Perzië getrokken, niet als soldaat en volstrekt niet van plan tegen den koning te strijden, maar alleen om onder Cyrus een hooge betrekking te krijgen. Toen hij op den grond lag, kwam hij tot het besluit, dat, nu niemand anders de leiding nam, het op zijn weg lag iets te doen. Hij aarzelde eenigen tijd, omdat er zoovelen waren, die ouder waren dan hij; daarna zeide hij tot zichzelf, "Ik zal zeker nooit ouder worden, als ik mij heden aan den vijand overgeef." Dit geschiedde kort na middernacht. In de duisternis riep hij de kapiteins bijeen en zij maakten zoo goed mogelijk plannen. "Vertel gij het zelf aan het leger," zeiden zij; en bij het eerste aanbreken van den morgen trok Xenophon zijn beste wapenrusting aan en zijn schoonste kleederen, en ging voor de tienduizend man staan. Hij verhaalde hun, hoe dapper hun voorouders geweest waren, en dat zij ongetwijfeld hun weg konden terugvinden. Zij moesten hun bagage verbranden, behalve wat er noodig was van vleesch, drinkwaren en wapenen. "Als wij overwinnaars zijn, moeten wij den vijand als onze bagagedragers beschouwen," zeide hij.

De soldaten vergaten hun moedeloosheid. Zij verbrandden al de bagage, die zij konden missen, kozen nieuwe aanvoerders, waaronder natuurlijk Xenophon behoorde, en begonnen één der meest merkwaardige terugtochten. Zij zwoegden voort over brandende vlakten, doorwaadden snelstroomende rivieren, klommen over ruwe rotsen, trokken door bergpassen, waar de jachtsneeuw een vadem diep was opgestapeld en de felste winterstormen hun gezicht teisterden. Somtijds hadden zij voedsel, somtijds niet. Somtijds mochten zij in vrede door een provincie trekken, somtijds werden zij van alle kanten aangevallen. Als zij slechts de zee konden bereiken! dachten zij, want dan zou de weg naar huis en naar hun vrienden gemakkelijk zijn. Eindelijk hoorde Xenophon luide kreten van zijn voorhoede. Die kreten herhaalden zich en werden hoe langer hoe luider. Het geleek volstrekt niet op een oorlogskreet, en toch kon het zijn, dat er een vijand vóór hen stond--niemand wist hoe of wat. Hij sprong op zijn paard en vloog den heuvel op. En zie, aan den horizon, ver in het noorden, lag een streep helder schitterend water, de Pontus Euxinus. "Thalatta, thalatta," (de zee) riepen de soldaten. Die ruwe krijgers barstten in tranen los, zij wierpen hun armen om elkanders hals, zij omhelsden hun aanvoerders en kapiteins. De inboorling, die hen naar den top van den heuvel had gevoerd, stond er naast. Zij gaven hem een paard, een zilveren beker, een Perzisch kleed, en tien gouden munten. Zij richtten een heuvel op, zooals dit bij Marathon was geschied, en legden daarop ossenhuiden en stokken en schilden, op den vijand veroverd. In drie dagen tijds waren de Tienduizend Grieken bij de Grieksche stad Trapezos, (thans Trebizonde). De burgerij verwelkomde hen en gaf hun ossen en wijn en gerstemeel, en vierde feesten uit dankbaarheid voor de welwillende gezindheid der goden. Xenophon schreef zelf het verhaal van dien terugtocht der Tienduizend, die zich onder de grootste moeilijkheden een weg hadden gebaand naar zee, over een uitgestrektheid van zestienhonderd kilometers.

Xenophon had, evenals Plato, Socrates lief, en schreef alles op, wat hij zich kon herinneren omtrent het onderwijs van zijn meester. Nadat hij hem zoo op de warmste wijze had geprezen, eindigde hij met de volgende woorden: "Indien iemand het niet met mij eens is, laat hem dan het gedrag van anderen met dat van Socrates vergelijken, en daarna, in overeenstemming daarmede, zijn gevolgtrekkingen maken."

De tocht der Tienduizend maakte het voor de Grieken duidelijk, dat het ontzaglijke Perzische rijk een groot, lomp en log rijk was, zonder leven of energie; en Sparta was er niet rouwig om, dat de Grieksche kuststeden om hulp tegen Tissaphernes vroegen, die zich gereed maakte iedere stad te straffen, welke jegens Cyrus welwillend gezind was geweest. Na eenige kleine gevechten tusschen de Spartanen en Tissaphernes, vormde de Spartaansche koning Agesilaus het plan, zich door Perzië een weg te banen, en het uit zijn kracht gegroeide rijk te veroveren. Hij slaagde in het begin zóó goed, dat het er werkelijk op begon te gelijken, dat hij in staat zou zijn, zijn plan ten uitvoer te brengen; doch de sluwe Perzen konden goed intrigeeren, al konden zij niet vechten. Zij wisten, dat de overige Grieken Sparta haatten wegens haar tyrannie en haar egoïsme, en daarom boden zij schepen en manschappen aan, en slaagden er in, Corinthe, Athene, Thebe en Argos er toe te brengen, zich tegen haar te verbinden. Dit was het begin van den Corinthischen Oorlog, die acht jaren duurde. Een groot gedeelte van den oorlog werd in Corinthe gevoerd, maar eindelijk was er een groote zeeslag bij Cnidus in Klein-Azië. Toen kwam er een treurige dag voor Sparta, want haar geheele vloot werd vernield. Eenigen tijd later was er meer vreugde in Athene dan er in langen tijd geweest was, immers met behulp van Perzisch geld werden de eerste steenen gelegd voor het opbouwen der muren en der versterkingen van den Piraeus.

De Atheners waren gelukkig, maar hun bondgenooten waren afgunstig. "Waarom zouden wij vechten, als uitsluitend Athene er voordeel van zal hebben?" zoo vroegen zij. Sparta begon eveneens ongerust te worden. "Waarom zouden wij trachten de Grieksche koloniën te beschermen, als al ons werk er op neerkomt, Athene te helpen?" morden zij. Er was geen andere uitweg dan vrede te sluiten, en met hun gewone zelfzucht sloten de Spartanen een verdrag, naar den afgezant, de vrede van Antalcidas genoemd, volgens welk verdrag de Grieksche steden in Azië aan de Perzen werden gegeven. Bijna nog ongunstiger was een bepaling, dat de koning der Perzen en de Spartanen iederen staat den oorlog zouden verklaren, die weigerde het verdrag te gehoorzamen. Dit beteekende, dat Sparta bereid was zich met Perzië te vereenigen tegen ieder deel van haar eigen land.

Sparta sloot niet alleen een schandelijk verdrag, maar de stad gedroeg zich nog schandelijker bij de uitvoering. Nog steeds deed zij het voorkomen, alsof zij de Grieken vrijheid schonk, en zij maakte er niet alleen haar werk van, iedere stad, die over een andere heerschte, te dwingen, die heerschappij op te geven, maar zij zorgde tevens, dat iedere vriendschappelijke verbintenis van steden, waarvan zij meende, dat deze ter eeniger tijd haar vijandig kon worden, verbroken werd. Zij geloofde, dat de bevolking van Mantinea in Arcadië zich niet met haar wijze van optreden kon vereenigen, en daarom sloopte zij de muren dier stad, en dwong zij de burgers uit elkander te gaan en zich in vijf dorpen te vestigen. De regeering van Griekenland was een soort tyrannie en Sparta was de tyran. Een Spartaansch veldheer marcheerde door de bevriende stad Thebe, toen een Thebaan hem heimelijk zeide: "De andere partij haat de Spartanen, maar onze partij is u gunstig gezind. Ik zal u naar de citadel voeren; dan zal Thebe in uw macht zijn, en gij zult ons niet vergeten." Het was het middaguur van een heeten zomerdag, en er waren in de straten slechts weinig menschen die weerstand konden bieden, zoodat de Spartaansche veldheer spoedig meester was van Thebe. Toen het bericht hiervan de Spartanen bereikte, waren zij verontwaardigd, niet, omdat hun bevelhebber een zoo laaghartige daad had verricht, maar, omdat hij het had gedaan zonder het bevel daartoe van de Spartaansche overheid te hebben gekregen. Doch koning Agesilaus zeide: "Het hangt er van af, of hij Sparta voordeel of nadeel heeft berokkend. In het laatste geval dient hij gestraft te worden; maar anders mag hij zelfstandig optreden. Zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het in het voordeel van Sparta was, en daarom behielden zij de citadel in hun macht.

Een aantal Thebanen van de tegenpartij vluchtten uit de stad uit vrees voor hun leven. Onder dezen was ook een zekere Pelopidas. Hij placht tot de weinige ballingen te zeggen: "Het is oneervol er mede tevreden te zijn, dat wij ons eigen leven hebben gered; wij moeten ons best doen, de stad te bevrijden. Eindelijk wist hij hen met nieuwen moed te bezielen, en er werd een plan beraamd om Thebe te bevrijden. Pelopidas en eenige andere jongelingen vermomden zich als boeren, en drongen heimelijk langs verschillende wegen de stad binnen. Het sneeuwde zóó hard, dat de meeste menschen binnen 's-huis waren, maar enkele vrienden der ballingen stonden op den uitkijk, om hen naar de plaats van samenkomst te voeren. Toen de avond was aangebroken, trokken zij kleeren over hun wapenrusting en zware kransen van bladeren over hun voorhoofd, om hun gebaard gelaat te bedekken. Aldus vermomd trokken zij naar de plaats, waar de aanvoerders der partij, die de stad hadden verraden, een feestmaal hielden, en doodden de voornaamsten onder hen. Pelopidas wierp de deuren der gevangenissen open, om hen te bevrijden, die trouw aan Thebe waren geweest. Nu begonnen de lichten te schijnen aan de vensters der huizen; de straten waren vol menschen; er was overal verwarring en geschreeuw, want niemand wist nauwkeurig, wat er was geschied. Toen de morgen was aangebroken, riepen de trouw gebleven Thebanen het volk samen. Toen stonden Pelopidas en de overige ballingen, zijn vriend Epaminondas en de priesters der tempels voor de vergadering. "Staat op," riepen de priesters, "voor de goden van uw vaderland." De geheele vergadering sprong als één man op en schreeuwde van vreugde. Zij marcheerden recht op de citadel aan. De Spartanen, die de citadel bezetten, gaven zich onmiddellijk over. De ééne plaats na de andere volgde het voorbeeld van Thebe. De Spartanen straften wel de stedehouders, die zich overgaven, maar zonder resultaat.

Toen begon Athene te droomen van een herstel van haar vroegere grootheid. Zij stichtte een nieuw bondgenootschap van staten, dat veel beter was dan de Bond van Delos; immers de staten zouden onderling in rang gelijk zijn en het bijeengebrachte geld zou dienen ten nutte van allen. Dit was een zóó eerlijk bondgenootschap, dat het een onbeperkten tijd zou hebben kunnen voortduren, ware niet weer de ééne staat afgunstig op den anderen. Het waren nu de Atheners, die besloten met Sparta vrede te sluiten.

Sparta hield nog steeds vol, dat zij de Boeotische steden bevrijdde, maar op zekeren dag was het Spartaansche leger ten hoogste verbaasd, toen het een Thebaansch leger zag uittrekken, om tegen hen slag te leveren. De Spartanen schaarden hun manschappen op de gewone wijze, die zij reeds gedurende verschillende geslachten hadden toegepast, en trokken den vijand te gemoet in een lang gelid, twaalf rijen diep. Epaminondas, die de Thebanen aanvoerde, redeneerde aldus: "De beste soldaten zullen rondom den koning geschaard zijn, en indien wij deze kunnen verslaan, zal het overige een gemakkelijke zaak zijn." Daarom maakte hij de gelederen tegenover den koning vijftig rijen diep. Het kon niet verwacht worden, dat een gelid van twaalf man diep, een aanval van een gelid van vijftig man zou kunnen weerstaan, en hoewel het leger van Sparta veel talrijker was, leed het de ernstigste nederlaag, die in de geschiedenis van Sparta bekend was, daar het door een veel kleinere troepenmacht in een eerlijken strijd werd verslagen. Dit was de beroemde slag bij Leuctra, in het jaar 371 vóór Christus.

Toen het bericht Sparta bereikte, dat haar leger door een veel kleiner aantal was verslagen, begrepen de ephoren zeer goed, dat nu de Grieken de Spartanen nooit meer zouden vreezen; zij hadden de hegemonie van hun land verloren. Als de Spartanen Atheners geweest waren, zouden zij geweend en geweeklaagd hebben, maar daar zij Spartanen waren, droegen zij hun lot op de oude echt Spartaansche wijze. "Laat de spelen voortgang hebben," bevalen de ephoren; zij waren namelijk midden in een feest. Al de gebruikelijke ceremoniën werden in acht genomen, en de ephoren zelf bleven daarbij tegenwoordig, totdat de laatste wedstrijd en de laatste dans geëindigd waren. Het was bij de Spartanen het gebruik, dat iedere soldaat, die uit een slag gevlucht was, op alle mogelijke wijze te schande werd gemaakt. Hij werd genoodzaakt de helft van zijn baard af te scheren en de andere helft niet te knippen. Hij moest havelooze kleeren dragen, bedekt met verschillende gekleurde lappen. Hij mocht nooit eenig staatsambt bekleeden; en een Spartaansch meisje, dat met hem huwde, maakte zich onmogelijk Er waren zóóvelen uit den slag gevlucht, dat de Spartanen die gewoonte niet durfden handhaven; maar de bloedverwanten van hen, die gestorven waren, liepen over de straat met een trotsche houding, en traden de tempels binnen om dank te zeggen aan de goden voor den moed, door hun vrienden betoond. De bloedverwanten van hen, die waren gevlucht, hadden een treurige gelaatsuitdrukking, en liepen met gebogen hoofd of sloten zich zelfs samen op, zooals in Sparta in tijden van de diepste smart gebruikelijk was. Zoo droeg Sparta de nederlaag, die haar droom, de heerscheres van Griekenland te worden, verstoord had.

HOOFDSTUK XVIII.

DE HEGEMONIE VAN THEBE.

De steden, die door Sparta zoo tyranniek waren behandeld, zagen even spoedig als Sparta zelf in, dat de macht der Spartanen was vernietigd. De inwoners van Mantinea verlieten hun onbeduidende volksplantingen op het platte land, gingen onmiddellijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats, en begonnen de muren weder op te bouwen. Ware dit kort te voren geschied, dan zouden de Spartanen onmiddellijk een leger hebben gezonden, om een zoodanige vermetelheid te straffen, maar nu was het eenige wat zij durfden doen, iemand naar de Mantineërs te zenden, dien zij altijd op hoogen prijs hadden gesteld, en die hen moest vragen, nog een tijd te wachten. "Wacht nog een tijd," zoo bepleitte hij zijn zaak, "de Spartanen zullen spoedig formeel hun toestemming geven. Als gij wilt wachten, zullen zij zelfs bijdragen in de kosten van het opbouwen der muren." "Dit is onmogelijk," antwoordden de overheidspersonen, "want er is reeds een besluit genomen, ze onmiddellijk weer op te bouwen." "Wilt gij mij ten minste niet toestaan, in de algemeene vergadering het woord te voeren?" vroeg de afgevaardigde; maar de overheden zeiden "neen", en het bouwen der muren werd voortgezet.

Mantinea sloeg geen acht op de wenschen van Sparta, maar dat beteekende slechts weinig in vergelijking met wat de gevallen staat nog meer had te verduren. Sparta was zóó zelfzuchtig en tyranniek geweest, dat een groot aantal staten er bijzonder op gesteld waren, zich er van te vergewissen, dat zij hen niet langer kon onderdrukken. Na de overwinning bij Leuctra werd Thebe beschouwd als de machtigste stad, en ongetwijfeld was Epaminondas de grootste legeraanvoerder in het land. Onder hem als aanvoerder deed een groot leger een inval in den Peloponnesus, om Arcadië en Messenië te hulp te komen. Al wat Epaminondas ondernam, deed hij zoo degelijk mogelijk. Hij was er niet tevreden mede, door Arcadië te marcheeren, maar stichtte zelfs een stad. Hij koos een breede, vruchtbare vlakte als plaats, waar die stad zou gebouwd worden, maar hij bracht de Arcadiërs er toe, om hun dorpsgemeenten te vereenigen met de nieuwe stad Megalopolis of "Groote Stad". Nu de Arcadiërs een hoofdstad hadden en binnen hare muren een schuilplaats konden vinden, zou het voor de Spartanen niet zoo gemakkelijk zijn, hen ten onder te brengen, zelfs al was er geen Thebaansch leger, dat de wacht hield. Zoo werd Arcadië een onafhankelijke staat, maar Epaminondas deed zelfs meer voor Messenië. Dit land was de oude woonplaats der Heloten, voordat zij door de Spartanen onder het juk waren gebracht. Zij, die door de Atheners waren uitgenoodigd, zich te Naupactus te vestigen, waren door de Spartanen uit die schuilplaats verdreven op het einde van den Peloponnesischen oorlog. Zij waren naar Italië, Sicilië en Afrika gevlucht, overal waar zij maar een woonplaats konden vinden. Toen zij hoorden, dat Epaminondas Messenië was binnengerukt, en dat hun moederland vrij was, keerden zij onder groote vreugde naar huis terug. Te land en ter zee, in groote troepen of zelfs één voor één, kwamen zij in groote menigte in Messenië terug, nu zij weer een vaderland en een woonplaats hadden. Het land weerklonk van vreugdezangen en kreten van geluk. Er werden dankoffers gebracht aan de goden; en er was tevens zwaar werk, daar Epaminondas ook voor de Messeniërs een stad, Messene, had gesticht. Deze stad zou moeten liggen tegen de helling van den berg Ithome, en haar muren moesten nog gebouwd worden. Geen stad zonder muren kon ooit hopen weerstand te bieden aan een aanval der Spartanen; en de Messeniërs begonnen even blijde met het bouwen der muren, als Athene begonnen was met het weder opbouwen der versterkingen van den Piraeus. Een reiziger, die vijfhonderd jaar later die muren zag, verklaarde, dat het de sterkste muren waren, die hij ooit had gezien. "Zij waren van stevige steenblokken gebouwd," zoo zeide hij, "en uitstekend voorzien van torens en stutmuren."

Epaminondas had met medewerking van Pelopidas Thebe gemaakt tot den oppermachtigsten staat van Griekenland. Men zou nu verwacht hebben, dat hij, toen hij met zijn overwinnend leger terugkeerde, ten minste hartelijk zou zijn verwelkomd. Maar in plaats daarvan werd hij ontvangen met een beschuldiging, dat hij ongehoorzaam was geweest aan de wetten van het land. Het bleek namelijk, dat de overwinningen in den Peloponnesus gedurende de laatste vier maanden gewonnen waren, en de vijanden der legerbevelhebbers beweerden, dat deze het leger uit Thebe verwijderd hadden gehouden vier maanden langer dan den termijn, gedurende welken hun het opperbevel was gegeven. De straf voor zulk een overtreding was de dood. Epaminondas wachtte kalm de behandeling der beschuldiging af, en deed zelfs na zijn vrijspraak niet de minste poging, om zijn vijanden te straffen.

Pelopidas had verklaard, dat daar waar Epaminondas was, geen andere veldheer noodig was, maar er was behoefte aan een bekwaam veldheer in Thessalië, en daarheen werd Pelopidas gezonden. De moeilijkheid was daar, dat de tyran van de ééne Thessalische stad de andere steden dwong, hem te gehoorzamen. De vorst van Macedonië trachtte evenzeer in Thessalië macht te verwerven. Pelopidas was even gelukkig in het noorden als Epaminondas in het zuiden geweest was, en reeds spoedig keerde hij terug, en kon mededeelen, dat de steden bevrijd waren van den tyran, en dat hij gijzelaars had gekregen van den koning van Macedonië.