De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 14
Maar Alcibiades begon langzamerhand genoeg te krijgen van Sparta, en in weerwil van alles wat hij voor hen gedaan had, begonnen ook zij genoeg van hem te krijgen. Toen hij naar hun land ging, had hij zijn zwaren baard afgeschoren, zich als een Spartaan gekleed, was hij steeds rustig en ernstig in zijn optreden geweest, leefde hij even eenvoudig als wie onder de Spartanen ook, en beweerde zelfs dol te zijn op hun zwarte soep. Daardoor won hij de harten der Spartanen, maar na eenigen tijd begon hij dingen te doen, die niet alleen in strijd waren met hun zeden en gewoonten, maar ook met de wetten, en zelfs pleegde hij een misdaad tegenover den koning zelf. Hij verwachtte, dat de Spartanen evenals de Atheners zouden verdragen wat hij verkoos te doen; maar toch lette hij nauwlettend op hen. Er kwam een tijd, dat hij grond had voor de meening, dat zijn leven in gevaar was. Toen sloop hij weg naar den Perzischen satraap Tissaphernes. Toen hij eenmaal op Perzisch grondgebied was, vergat hij zijn voorliefde voor zwarte soep; hij liet zijn baard groeien; hij droeg de rijkste en kostbaarste kleederen, die er maar te krijgen waren; hij sliep op de zachtste rustbedden en bedekte de vloeren van zijn vertrekken met de dikste tapijten; hij bezat de kostbaarste paarden, zijn eigen parfumeurs, zijn eigen bekwame koks en een langen stoet bedienden. De satraap Tissaphernes was niet erg op de Grieken gesteld, maar hij werd volkomen verblind door de vleierijen en de schitterende gesprekken van zijn nieuwen vriend. Hij bezat prachtige tuinen, en den grootsten van alle, met frissche groene weiden, heerlijke stroomen en koninklijke tuinhuizen noemde hij den Tuin van Alcibiades,
Maar Alcibiades dacht er geen oogenblik aan, een Pers te worden. Hij droomde van een terugkeer naar Athene, en hij maakte nu plannen, dit te verwezenlijken. Hij begon met Tissaphernes te overreden, de Spartanen niet zoo kwistig te helpen. "Indien gij Sparta Athene laat vernietigen," zoo sprak hij, "moet gij later Sparta weer beoorlogen. Waarom laat gij de twee staten elkander niet onderling bevechten, totdat zij elkander hebben uitgeput? Dan zal het voor u een gemakkelijke zaak zijn, beiden in uw macht te brengen." Er was nooit sluwer man geboren dan de betooverende Alcibiades. Hij had de Perzen een raad gegeven, waarvan zij moesten toegeven, dat deze zeer verstandig was; hij kon de Atheners zeggen, dat hij hen bij de Perzen een grooten dienst had bewezen; en door de Spartanen te beletten, Athene te vernietigen, had hij zich er tegen verzekerd, dat hij ooit in hun overwinnende handen kon vallen--en hij was doodelijk beangst, dat hij weer in hun macht viel. Zijn volgende zet was, dat hij boden zond naar zijn vrienden te Samos. "De Perzen hebben een afschuw van een democratie," zeide hij, "maar als Athene slechts werd bestuurd door een oligarchie, zou ik hun vriendschap voor u kunnen winnen, en zouden zij u van geld willen voorzien. Ik zou gaarne naar mijn eigen vaderland willen terugkeeren en mijn lot met het uwe willen verbinden." De vrienden van Alcibiades zonden heimelijk mannen naar Athene, en op zekeren dag was het leger te Samos stom verbaasd, toen het vernam, dat het bestuur in handen was van een raad van edelen, de Vier Honderd, zooals zij werden genoemd. Toen redeneerden de soldaten aldus: "Alcibiades verklaart, dat hij absoluut niet heeft medegewerkt tot dit nieuwe bewind. Hij kan vrienden en geld voor ons van de Perzen verkrijgen; laten wij hem tot aanvoerder kiezen." Zoo geschiedde het, dat Alcibiades, terwijl hij openlijk zeide, dat hij een vriend was van de Spartanen en de Perzen, de aanvoerder werd van een Atheensch leger. Nog een vreemder feit geschiedde korten tijd later. Enkele Atheensche schepen werden door de Spartanen verslagen, en Euboea viel in handen van Sparta. De Atheners waren ontsteld en verontwaardigd. Zij wierpen de schuld op hun nieuwe regeering en schaften onmiddellijk den raad van Vier Honderd af. Daarna begonnen zij er over te denken, wien zij tot hun aanvoerder zouden kiezen. Alcibiades was reeds aan het hoofd van het leger te Samos; hij was een voorspoedig aanvoerder, en hij had gezegd, dat hij verlangde thuis te komen naar zijn eigen landgenooten. In weerwil van alles wat hij had misdreven, schonken zij hem vergiffenis en bevalen hem terug te keeren.
De Spartanen waren niet blind geweest. Spoedig hadden zij opgemerkt, dat Tissaphernes wel schoone beloften aflegde, maar dat hij die nooit hield. Een andere satraap, Pharnabazus, die in het noordelijk deel van Klein-Azië regeerde, had lang hun hulp gezocht om de Grieksche steden in zijn provincie te veroveren, en vooral die, welke in de nabijheid van den Hellespont lagen. Zijn wenschen vielen samen met die der Spartanen, immers als zij ook maar eenigszins de wacht aan den Hellespont hielden, kon Athene niet langer koren krijgen uit de landen aan de Zwarte Zee. Nu Athene geen voedsel uit Euboea kon krijgen, was haar eenige hoop, het uit die streken te verwerven. De Spartaansche en de Perzische troepen vereenigden zich bij den Hellespont. Daar kwam ook de Atheensche vloot. Deze behaalde eerst één overwinning, daarna een tweede en een derde. Alcibiades spande zich uitermate in voor het land, dat hij in het verderf had gestort. Nog weer eens vielen goud, zilver, wapenen, gevangenen en schepen in handen van de Atheners. Nog weer eens smeekten de Spartanen om vrede, nog weer eens weigerden dit de Atheners, opgeblazen door de voordeelen, die zij weder hadden behaald. Alcibiades zette zijn overwinningen voort. Byzantium was in de handen van den vijand, hij nam het in, en evenzoo Chalcedon, aan de Aziatische zijde van den Bosporus. De weg naar de Zwarte Zee was nu vrij, en als de schepen der Atheners hem niet in den steek lieten, behoefde er geen gebrek aan koren te zijn.
In weerwil van het bevel, om naar Athene terug te keeren, had de sluwe en voorzichtige Alcibiades het niet voor verstandig gehouden, zich in zijn geboortestad te vertoonen, maar nu hij in de volle glorie van zijn overwinning was, dacht hij, dat hij het er wel op kon wagen. Zijn schepen waren alle bekleed met vlaggen en schilden, die hij op den vijand had veroverd; maar toch durfde hij niet te landen, voordat hij zóóveel vrienden zag op de werf aan den Piraeus, dat hij niet alleen zeker was van een hartelijk welkom, maar ook van bescherming, voor het geval dit noodig mocht zijn. Het zou al wreed geweest zijn van ieder land, als het een veldheer niet welkom heette, die zulke tropheeën van zijn overwinning medebracht; maar bovendien was het de innemende, schitterende, welsprekende Alcibiades, en het volk was uitgelaten van vreugde. Zij letten in het geheel niet op de overige veldheeren, maar riepen luide: "Alcibiades! Alcibiades! Alcibiades is gekomen!" Zij wezen hem aan hun kinderen aan. "Ziet," zoo zeiden zij, "daar hebt gij Alcibiades"; en dan verhaalden zij van zijn roemrijke overwinningen. Zij bekransten hem met bloemen; zij weenden van droefenis, als zij zich alles herinnerden, wat zij hadden verloren; maar zij weenden ook van vreugde, nu zij dachten aan alles, wat hij voor hen zou terug winnen. "Als hij slechts het opperbevel gehad had, zouden wij Sicilië niet hebben verloren," zoo jammerden zij; "maar hij zal Athene wel weer machtig maken." Er werd een bijeenkomst gehouden van den Raad, en Alcibiades hield een redevoering. Hij was bedroefd, maar bereid vergiffenis te schenken. "Zij hadden hem wel wat onvriendelijk bejegend," zoo sprak hij, maar dat was zijn noodlot, en het moest door den één of anderen kwaden geest veroorzaakt zijn. Hij sprak over hun vijanden en legde uit, hoe hij verwachtte, hen te zullen ten onder brengen. De Raad kon nauwelijks spoedig genoeg besluiten nemen. Zij gaven hem zijn vaste goederen terug; zij bestelden voor hem gouden kronen en plaatsten hem aan het hoofd van al hun troepen.
Alcibiades nam die eerbewijzen goedgunstig aan, maar tevens alsof hem niets meer werd geschonken dan hem toekwam. Hij wist, hoe gemakkelijk de Atheners van meening veranderden, en hij was van plan, hen nog eens onder zijn invloed te krijgen. Zijn vijanden zouden misschien nog eens de oude beschuldiging kunnen voor den dag halen omtrent zijn gedrag ten opzichte der Eleusinische Mysteriën, daarom stelde hij zich voor, de schepen en het leger op hun aanvoerder te laten wachten, totdat hij weer op goeden voet was gekomen met de priesters, door hen in staat te stellen de Mysteriën met den geheelen vroegeren luister te vieren. Sedert de Spartanen Decelea bezet hadden, was de reis over land niet veilig geweest, en er was alleen maar een haastige zeereis naar Eleusis afgelegd. Alcibiades zond nu een sterke wacht mede, en de optocht van priesters en anderen, die het beeld van Dionysus droegen en die de dieren voor de offers medevoerden, marcheerden langzaam den weg naar Eleusis op. De heilige dansen werden uitgevoerd, geen enkel onderdeel der oude ceremoniën werd verwaarloosd, en de deelnemers aan de Mysteriën keerden veilig terug. "Onze edele Alcibiades is niet alleen een groot veldheer, maar hij heeft heden ook de taak van een hoogepriester vervuld," zeiden de Atheners, en toen hij weer uit den Piraeus uitzeilde, volgden zij hem met de oogen, totdat hij geheel uit het gezicht verdwenen was, terwijl zij spraken over de overwinningen, die hij zou behalen en den roem, dien hij zeker over Athene zou brengen.
Het duurde niet lang, of die zoo zeer aan hem gehechte Atheners luisterden met ergernis naar iemand, die van het oorlogsterrein was gekomen, en die vertelde, dat eerst kort geleden een slag was verloren en dat het geheel de schuld was van Alcibiades. De waarheid was, dat de aanvoerder verplicht was geweest het leger gedurende een korten tijd te verlaten, teneinde geld te krijgen om zijn troepen te betalen. Hij had strenge orders gegeven, dat er tijdens zijn afwezigheid niet mocht worden gevochten, maar de plaatsvervangende opperbevelhebber had zich aan dat bevel niet gestoord en was in een kleine schermutseling verslagen. De Atheners deden echter niet de minste moeite, de ware toedracht te vernemen, en misschien zelfs waren zij, hoezeer zij hem hadden geprezen en verheerlijkt, in hun hart niet volkomen zeker van zijn trouw. Zij riepen een zitting van den Raad bijeen en benoemden nieuwe legeraanvoerders. Alcibiades vreesde voor zijn leven, verliet het leger en bouwde voor zich een kasteel in Thracië. Hij kon niet blijven stilzitten. Hij zocht hier en daar manschappen bijeen, totdat hij voor zich zelf een klein leger had verzameld. Daarna voerde hij oorlog tegen de Thraciërs, die geen koning hadden. Indien hij lang genoeg had geleefd, zou hij misschien wel aan het hoofd van een staat gekomen zijn.
De Spartanen zonden nu een hoogst bekwaam veldheer uit, Lysander genaamd, en de koning van Perzië zond zijn even bekwamen zoon Cyrus uit in de plaats van Tissaphernes. Hij was tot het besluit gekomen, dat het ongetwijfeld het verstandigst was, de Spartanen flink te helpen. Er kwam dus veel geld in het Spartaansche leger. De soldaten kregen hooge soldij, en schepen werden gebouwd. De Spartanen en Perzen kampeerden aan de Aziatische zijde van den Bosporus, de Atheners aan de Europeesche zijde, bij Aegos-Potamos. Iederen morgen zeilden de Atheners uit en daagden de vijanden uit tot een zeeslag. De Spartanen gingen daar echter niet op in. Dan keerden de Atheners terug naar hun kant van de landengte en brachten den dag door met rondwandelen, ten einde den tijd te dooden, of met te gaan fourageeren in Sestos, op drie kilometers afstand. Alcibiades was niet ver verwijderd, en wachtte de gebeurtenissen aan den Bosporus af. Hij reed naar het kamp en zeide de Atheensche aanvoerders, dat hij niet dacht, dat het veilig was, de matrozen hun schepen te doen verlaten en te doen rondslenteren op de kust; en dat het evenmin verstandig was, om te kampeeren waar geen stad was en geen goede haven voor hun schepen, en om hun levensmiddelen zoover verwijderd te houden. Hij raadde hen aan, zich naar Sestos terug te trekken. Geen veldheer behoefde zich te schamen, raad te ontvangen van een zoo voortreffelijken legerbevelhebber, maar de aanvoerders antwoordden kortaf: "Wij geven thans bevelen, en gij niet. Ga heen."
Alcibiades ging heen, de Spartanen weigerden nog steeds te vechten, en de Atheners werden hoe langer hoe zorgeloozer. Plotseling kwamen de Spartaansche en Perzische schepen de zeeëngte over. Slechts één der scheepsbevelhebbers hield wacht. Hij gaf het signaal, de schepen te bemannen, maar het scheepsvolk was naar Sestos gegaan, en slechts negen van de honderd tachtig schepen konden ten volle worden bemand. Er werd nauwelijks een poging gedaan, om weerstand te bieden. De Spartanen hadden bijna niets anders te doen, dan de veroverde schepen over de zeeëngte heen te sleepen. Acht of tien schepen ontsnapten; het overige gedeelte van de vloot en duizenden manschappen werden gevangen genomen. Alle Atheners onder hen, ongeveer vierduizend, werden ter dood gebracht.
Toen dit ontzettende nieuws Athene bereikte, begreep iedereen, dat het rijk in duigen was gevallen en dat Athene zelf ook moest vallen. De schepen van Lysander blokkeerden den Piraeus. De troepen van de Spartanen en van hun bondgenooten omringden de stad. Enkele weken gingen voorbij; toen kwam er hongersnood en moest de stad zich onvoorwaardelijk overgeven.
Wat moest het lot der Atheners zijn? De bondgenooten bespraken dit punt ernstig. "Maakt de stad met den grond gelijk en verkoopt alle mannen, vrouwen en kinderen tot slaven," dit was de wensch van de verontwaardigde Thebanen en Boeotiërs. "Nooit zullen wij er in toestemmen, dat één der oogen van Griekenland wordt uitgestoken," antwoordden de Spartanen. Dit klonk barmhartig, maar er waren sommigen, die mompelden, dat de Spartanen meer slim dan edelmoedig waren; immers als Athene geheel verwoest was, zouden hetzij Thebe hetzij Corinthe naar alle waarschijnlijkheid machtiger worden dan Sparta zelf. Eindelijk werd besloten, dat de Lange Muren en de vestingwerken van den Piraeus zouden worden geslecht, dat aan de veroverde stad niet meer dan twaalf schepen zouden worden gelaten, en dat zij er in zoude moeten toestemmen, de bevelen van Sparta te land en ter zee te gehoorzamen.
In Athene heerschte een hartverscheurende droefenis. Uit iedere woning waren beminde bloedverwanten omgekomen. Er was armoede, de grootste ellende, uitputting en hongersdood. Aan den Piraeus daarentegen waren vrouwen aan het fluitspelen, daar was gezang en dans en alle soorten van vreugdeteekenen; immers de machtige muren werden neergehaald. "Is Griekenland vrij? De Grieken hebben de vrijheid herwonnen!" riepen zij vroolijk en uitgelaten. En hoog boven op de Acropolis stond het Parthenon, sterk en schoon. En daarbij stond het standbeeld van Athene, kalm en statig. En daaromheen lag een land in puinhoopen, een rijk omvergeworpen.
HOOFDSTUK XVII.
DE HEGEMONIE VAN SPARTA.
Sparta was nu de leidende staat, of, zooals men het noemde, oefende de hegemonie in Griekenland uit, en alle steden, die aan haar genade waren overgeleverd, waren in angstige verwachting, wat zij zoude doen. Gedurende zeven en twintig jaar, van het begin van den oorlog tot aan het einde, had zij haar gezegd: "Athene is een tyran, en Sparta streeft er naar, u vrij te maken." Zij zagen nu in, dat Sparta met "vrijheid" bedoelde, te doen wat zij verkoos, en de overige staten te dwingen zich aan haar te onderwerpen. Het eerst wat zij in iedere stad deed, was daar een Spartaanschen stedehouder aan te stellen, met tien mannen, die zijn plannen goedgezind waren, als magistraten, en genoeg Spartaansche soldaten, om de burgers tot gehoorzaamheid te dwingen. De Aegeïsche staten waren in de eerste plaats hulpeloos. Zij hadden het reeds hard gevonden, verplicht te zijn aan Athene schatting te betalen, maar nu hadden zij niet alleen schatting te betalen, maar moesten zij zelfs bijdragen voor het onderhoud van den stedehouder en zijn soldaten.
Sparta vergat plotseling, "dat Athene één der beide oogen van Griekenland was," en behandelde haar heel wat strenger dan eenige andere stad. Tien magistraten waren niet genoeg voor de Atheners--zij moesten er dertig tellen behalven den Spartaanschen stedehouder en een groote troepenmacht van Spartaansche soldaten. De Dertig Tyrannen, zooals zij werden genoemd, kozen drieduizend man, op wie zij vast konden rekenen, en namen bovendien van de overige burgers alle wapenen mede. Zij schenen noch goden, noch menschen te vreezen. Zij brachten allen ter dood, die tijdens den oorlog tegen hen waren opgetreden, allen, tegen wie zij een wrok hadden, en zóóvelen van de meer vermogende menschen, dat zij zich ruimschoots met hun geld konden verrijken. De ongelukkige Atheners zeiden in wanhoop tot elkander: "Alcibiades zal dit niet dulden: hij zal zeker wel een middel vinden om ons te helpen;" maar het duurde niet lang, of zij hoorden, dat Alcibiades was vermoord. Toen waren zij werkelijk wanhopend, en honderden vluchtten uit de stad. De andere staten waren verontwaardigd over de zelfzucht van Sparta en waren bereid, de vluchtelingen een woonplaats te verschaffen. Zelfs de Thebanen, die zulke verbitterde vijanden der Atheners geweest waren, heetten hen welkom. Zoodra het kleine troepje ballingen groot genoeg was geworden, om een poging daartoe te wagen, trokken zij de grenzen van Attica over en kwamen zij in verzet tegen de Dertig. Xenophon, een leerling van Socrates, schreef: "De Dertig zaten samen in den Raad, volkomen eenzaam en terneergeslagen." Wel mochten zij "volkomen terneergeslagen" zijn, daar dit het begin was van het omverwerpen hunner regeering.
Er is geen enkel volk, dat op het einde van een langdurigen oorlog volkomen hetzelfde is als in het begin. Gedurende den Peloponnesischen oorlog waren de leden van iedere partij in Athene zóózeer overtuigd, dat zij het recht op hun zijde hadden, dat zij de andere politieke partijen bitter haatten, en dat zij meenden, dat, wat er ook mocht gebeuren, hun eigen wijze van handelen, de juiste was en dat daaraan dus moest worden vastgehouden. De wijsgeer Socrates had onbevreesd voor Athene gestreden en hij had zijn woonplaats lief; maar hij was van meening, dat het voor iedere partij beter was te doen wat recht was, dan te doen, wat leiden kon tot het verkrijgen van wat zij noodig achtte; en dat eerlijkheid en deugd beter was, dan de goden offers te brengen. Dergelijke leerstellingen vielen niet in den smaak van het volk, dat liever zijn eigen zin wilde volgen, wat ook mocht gebeuren. Het einde was, dat Socrates voor het gerecht werd gedaagd en beschuldigd werd, dat hij de goden niet eerde en de jeugd door zijn onderwijs op den verkeerden weg leidde. Hij werd ter dood veroordeeld, of, zooals hij het uitdrukte "te vertrekken naar een gelukkigen staat der gelukzaligen." Verscheidene van zijn volgelingen waren gedurende de laatste dagen van zijn leven bij hem, en één van hen, Plato genaamd, schreef een verhaal van de woorden en handelingen van den meester. Toen hem de giftbeker gebracht werd, dronk hij dien even kalm leeg, als ware hij met wijn gevuld. Zijn leerlingen barstten in tranen uit. Plato zegt: "Ik weende niet om hem, maar om mijn eigen lot, nu ik van zulk een vriend zou worden beroofd." Toen op het laatst allen meenden, dat het vergif zijn werking had gedaan, riep Socrates tot één der jongelieden: "Crito, wij zijn een haan verschuldigd aan Aesculapius; betaal dien dus en verzuim het niet." Aesculapius was de godheid, wien men een offer bracht, als men dankbaar was voor zijn herstel uit een ziekte; en Socrates was zóó heilig overtuigd, dat hem een edeler, gelukkiger leven wachtte, dat hij het gevoel had, alsof hij, als zijn aardsche leven eindigde, alleen maar van ziekte tot gezondheid overging.
Het volgende is een voorbeeld van de wijsheid van Socrates. Een zekere Antiphon trachtte de volgelingen van den wijsgeer van hem af te trekken. Daartoe kwam hij bij Socrates op zekeren dag, toen zij aanwezig waren, en zeide: "Ik dacht altijd, dat zij, die de wijsbegeerte beoefenden, gelukkiger moesten worden dan anderen; maar gij schijnt van de wijsbegeerte vruchten van geheel anderen aard te hebben geplukt; ten minste gij leeft op een wijze, waarop geen slaaf onder zijn meester ooit zou wenschen te leven; gij eet spijzen en drinkt drank van de slechtste soort; gij draagt een bovenkleed, dat niet alleen slecht is, maar dat zoowel in den zomer als in den winter hetzelfde is, en gij blijft steeds rondloopen zonder schoenen en zonder behoorlijk gewaad. Geld, dat de menschen verheugt, als zij het ontvangen, en dat hen die het bezitten, in staat stelt, aangenamer te leven en zich ruimer te bewegen, neemt gij niet aan, en als gij dus, daar leermeesters in andere beroepen er naar streven, dat hun leerlingen hen volgen, een dergelijke uitwerking op uw volgelingen hebt, moet gij u beschouwen als iemand, die onderwijst, hoe men een ellendig leven kan leiden." Socrates antwoordde kalm: "Gij gelijkt, o Antiphon, op iemand, die meent, dat geluk bestaat in weelde en in buitensporigheid, maar het is mijn overtuiging, dat hij die niets verlangt, op de goden gelijkt, en dat hij die zoo weinig mogelijk verlangt, zoo veel mogelijk de goden nabijkomt; dat de goddelijke natuur de volmaaktheid is, en dat dus de goddelijke natuur nabij te komen, is, de volmaking zoo dicht mogelijk te naderen."
De vijanden van Socrates vergaten niet, er de rechters aan te herinneren, dat Alcibiades en ook Critias, het hoofd der Dertig Tyrannen, tot zijn leerlingen hadden behoord; maar er was meer dan één van zijn verknochte volgelingen, die een eer werden voor Socrates en zijn vaderland. Plato leefde nog een halve eeuw na den dood van zijn beminden leermeester, en werd als wijsgeer zelfs nog veel beroemder. Hij schreef over de meest diepzinnige onderwerpen, maar met zóóveel humor, fantasie en frischheid, dat men hem ging beschouwen als een afstammeling van Apollo, den god der welsprekendheid. Leerlingen verzamelden zich in grooten getale om hem heen, zooals vroeger om Socrates, en hij placht met hen te spreken en hen te onderwijzen in zijn huis vlak bij de academie. Het verhaal is tot ons overgeleverd, dat sommige vreemdelingen, die hem bij de Olympische spelen ontmoetten, zóózeer met hem waren ingenomen, dat zij met vreugde zijn uitnoodiging aannamen, om hem te Athene te bezoeken. Toen het oogenblik ongeveer genaderd was, dat hun bezoek een einde zou nemen, zeiden zij: "Maar wilt gij ons niet in kennis brengen met uw beroemden naamgenoot, den wijsgeer Plato?" Zij waren ten hoogste verbaasd, toen hun gastheer eenvoudig antwoordde: "Ik ben de persoon, dien gij wenscht te zien."