De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 13

Chapter 133,644 wordsPublic domain

De Atheners hadden maar één wensch, en wel hun rijk te vergrooten; al het andere liet hen onverschillig. Zij schenen te voelen, dat, indien zij een groote hoeveelheid land bezaten, of een aantal steden konden dwingen hun schatting te betalen, zij machtig moesten zijn. Zij heerschten over de eilanden tot aan het oosten van Griekenland--waarom zouden zij ook niet in westelijke richting trekken en het machtige eiland Sicilië veroveren? Wel waren zij overtuigd, dat de Peloponnesische oorlog nog volstrekt niet geëindigd was, en dat Pericles hun gezegd had, dat het hun ondergang zou zijn, als zij zouden trachten hun rijk te vergrooten, zoolang de oorlog nog woedde; maar zij waren begonnen te gelooven, dat de denkbeelden van Pericles ouderwetsch waren. De bekwame veldheer Nicias herinnerde er zijn landgenooten aan, hoeveel menschen zij door den oorlog en de pest hadden verloren, en drong er bij hen op aan, geen troepen naar Sicilië te zenden, zoolang het misschien noodig was, dat alle soldaten binnen enkele dagen naar huis moesten worden ontboden. "Een krijgstocht naar Sicilië is een gevaarlijke onderneming," zeide hij, "en zeker niet een tocht, die door een nog jongen knaap kan worden op touw gezet, en zoo maar onvoorbereid kan worden ten uitvoer gebracht." Zoo sprak Nicias, maar de Atheners begonnen Nicias voor langzaam en al te bedachtzaam aan te zien, en letten daarom niet op zijn woorden. De "jonge knaap" was een jonge man, Alcibiades genaamd. Hij was rijk, schoon en van een aanzienlijke familie. Hij was de welsprekendste redenaar van Athene, en van een zóó schitterend vernuft, dat de verstandige en welwillende wijsgeer Socrates hem zeer lief had en zijn best deed te zorgen, dat hij niet bedorven werd. Dit was werkelijk geen gemakkelijke taak, want er was iets in Alcibiades, dat de menschen verblindde en hen deed vergeten verstandig en practisch te zijn. Hij won de gunst van de menigte, door te betalen voor het vertoonen van schouwspelen ten einde hen te vermaken, door renpaarden te houden, door prijzen te winnen bij de Olympische spelen met het wagenrennen, en door een moed en vermetelheid, die hen betooverde. Tegenover bijna iedereen behalve Socrates was hij ruw en onbeschaamd, en toch schonk het volk hem gewoonlijk vergiffenis. Zij zeiden dan: "O, dat is zoo de wijze van doen van Alcibiades," en wachtten dan geduldig af, wat zijn volgende streek zou zijn. Hij bedankte eens voor een uitnoodiging tot een feest; doch toen de overige gasten aan tafel waren, kwam hij plotseling aan de deur voor den dag met zijn bedienden, en veegde de helft van de gouden schotels weg; toch bleef de gastheer zijn bewonderende vriend. De woeste makkers van Alcibiades zetten hem voortdurend aan, de meest onbeschaafde en brutale daden te verrichten. Een van die daden was, dat hij op straat op één der meest waardige burgers van Athene afging en hem een klap om de ooren gaf. Die man kon het gedrag van den aanzienlijken jongeling niet goedkeuren, en weigerde een zoo groote onbeschoftheid en lompheid als een uitgelaten grap te beschouwen; maar den volgenden morgen vroeg verscheen Alcibiades aan zijn deur, wierp zijn slepend purperen bovenkleed af, en zeide toen: "Ik ben hier gekomen, opdat gij mij afranselt. Kastijd mij, als gij wilt"; en hem werd vergiffenis geschonken. Als al zijn grillen alleen maar even zot en onbeschoft geweest waren als deze, zou men hem misschien vergiffenis hebben geschonken; maar in weerwil van het onderwijs en de opvoeding van Socrates was hij in de hoogste mate onbetrouwbaar en oneerlijk. Het verstandige deel van Athene zag dit; maar de groote menigte schiep behagen in iedereen, die haar aangename oogenblikken bezorgde.

Dit was nu de leider, dien de Atheners bereid waren te volgen op de krankzinnigste expeditie, die ooit door een volk werd ondernomen. Nicias deed nog eens zijn waarschuwende stem hooren en vertelde de verzamelde menigte, dat de steden van Sicilië rijk waren en een groote troepenmacht bezaten. "Indien gij besluit, dien inval te ondernemen," zoo sprak hij, "moet gij minstens driehonderd triremen hebben, een groot aantal soldaten, een grooten voorraad voedsel en een groot bedrag aan geld." Hij had gehoopt, dat zij er niet zoo spoedig toe zouden besluiten, indien zij inzagen, welke ontzaglijke voorbereidselen moesten worden gemaakt; maar het tegenovergestelde had plaats, het heethoofdige, licht ontvlambare volk was half buiten zich zelf van genoegen, omdat zij een zoo reusachtige onderneming gingen beginnen. Zij hadden wel is waar enkele steden in Thracië en Macedonië verloren, maar waarom zouden zij zich de moeite geven die terug te winnen, als zij zoo spoedig reeds de meesters zouden zijn van een schitterend nieuw rijk in het westen? Zij zouden eerst Sicilië veroveren; maar dit was slechts een begin, maar zij zouden dan verder gaan en Italië en Afrika trachten te vermeesteren. Er zouden avonturen en schatten en roem voor iedereen zijn. Het was als het ware een expeditie om de Gouden Vacht te halen, en zij twijfelden er geen oogenblik aan, of zij zouden den draak verslaan.

In Sicilië hadden zich kolonisten uit verschillende landen gevestigd. Slechts weinigen van hen, die uit Griekenland afkomstig waren, waren Atheners, maar er waren een groot aantal Doriërs. Syracuse was gesticht door Doriërs uit Corinthe, en was nu de grootste en rijkste van alle Grieksche steden, met uitzondering van Athene. De steden van Sicilië hadden somtijds getwist, en de Atheners hadden eens een vloot uitgezonden, om een stad van Euboea tegen Syracuse te helpen. Het voorwendsel, dat zij gebruikten, om weer een inval op het eiland te doen, was, dat een nietiger stad, Egesta genaamd, Athene om hulp had gevraagd bij haar twist met een ander nietig stadje, dat door Syracuse werd geholpen. De inwoners van Egesta zeiden, dat zij bereid waren alle kosten te betalen, als Athene hen slechts met haar vloot en haar troepenmacht wilden helpen. De Atheners deden ten minste één verstandige daad, zij zonden afgezanten om op de plaats zelf te onderzoeken, of Egesta werkelijk zooveel schatten had, als waarop zij pochte. Toen de afgezanten terugkeerden, brachten zij genoeg geld mede om de bemanning van zestig triremen gedurende een maand te onderhouden, en zij wisten de meest wonderlijke verhalen te vertellen omtrent de prachtige zilveren kommen en flacons en andere offergaven, die zij in de tempels hadden gezien. "Voortdurend werden wij feestelijk onthaald," zeiden zij, "en op ieder feest werden wij bediend uit prachtige gouden en zilveren drinkbekers." Zij waren niet opmerkzaam genoeg geweest, om er zich over te verbazen, waarom al de bewoners van Egesta volkomen dezelfde tafelversieringen en dezelfde soort van tafelservies hadden, en het was absoluut niet tot hen doorgedrongen, dat die ondernemende kolonisten dit alles zeker van elkander en van de naburige steden geleend hadden, ten einde bij de Atheners den indruk te wekken, dat zij bijzonder rijk waren.

De drukte bij de voorbereiding was bijzonder groot. Voedsel, wapenen, schepen, geld, troepen, dat alles moest gereed gemaakt worden. Te midden van die vroolijke en opgewekte drukte ontwaakten de Atheners op zekeren morgen in de grootste ontsteltenis. Het bleek, dat iemand door de stad was getrokken en de Hermen of de Hermesbeelden had vernield, op de steenen palen, die aan de deuren van huizen en tempels waren opgericht. "Dit is een vreeselijke beleediging van de goden, en zij zullen dit op ons wreken," zoo fluisterden de Atheners, ten zeerste bezorgd. Daarna ging hun bezorgdheid in woede over. Wie zou een zoo groot schandaal hebben veroorzaakt? Zij herinnerden zich, dat er slechts één man was, die ooit dergelijke dwaze streken had uitgericht. "Het moet zeker Alcibiades geweest zijn," riepen zijn vijanden stoutmoedig uit. "Hij hoopte op een omwenteling, die het staatsbestuur zou brengen in de handen der aanzienlijken." "Geef mij een eerlijke gelegenheid mij te verdedigen," vroeg Alcibiades; maar zijn vijanden drongen er op aan, dat de expeditie niet langer zou worden uitgesteld, en de schepen zeilden weg. De geheele bevolking van Athene liep samen naar den Piraeus, om hen te zien vertrekken, immers dit was de kostbaarste expeditie, ooit door eenigen staat van Griekenland uitgezonden. Er waren mannen aan boord uit iedere stad, die aan de Atheners onderworpen was. De schepen waren uitnemend uitgerust, de bemanning was de beste, die ooit kon worden gevonden. De soldaten wedijverden onderling in de voortreffelijkheid van hun wapenen en uitrusting. Toen alles gereed was, werd door trompetgeschal stilte gelast, en al die duizenden stonden doodstil en onbewegelijk. Daarop zeide een heraut een gebed op voor de goden; de geheele vloot en de menigte op het strand bad hardop mede. Op ieder schip werd wijn, met water vermengd, geplengd als offer aan de goden, uit zilveren of gouden kommen. De bemanning zong een lofzang ter eere van Apollo. Daarna gingen de schepen achter elkander in één rij in zee, en zeilden en roeiden zoo snel mogelijk naar Corcyra.

Toen zij Rhegium bereikten, de Italiaansche stad, die het dichtst bij Sicilië gelegen was, landden zij en zonden zij afgezanten naar Egesta. Nicias had nooit geloof gehecht aan den grooten rijkdom der inwoners van Egesta, en toen kwamen hun pocherijen en leugens voor den dag. De drie bevelhebbers hielden een krijgsraad. "Laat ons de inwoners van Egesta dwingen, te betalen wat zij hebben beloofd, laat ons Selinus dwingen tot een vergelijk te komen, en daarna naar huis terugkeeren," was het advies van Nicias. "Laat ons onmiddellijk een aanval doen op Syracuse, voordat de stad zich kan voorbereiden voor den oorlog," zoo luidde de raad van Lamachus. "Laat ons eerst een aantal bondgenooten op Sicilië trachten te verwerven en daarna Syracuse aanvallen," was de meening van Alcibiades. Dit laatste plan werd goedgekeurd.

Plotseling kwam een schip uit Athene, met het bevel, dat Alcibiades onmiddellijk zoude terugkeeren voor de verdediging, die men hem had geweigerd, voordat de vloot uitzeilde. Zijn vijanden hadden die verdediging weten uitgesteld te krijgen, totdat de troepen in Sicilië waren, daar zij wisten, dat een zoo populair vlootvoogd zeker zou worden vrijgesproken, als hij in Athene was. Hij werd nu tevens nog van een andere misdaad beschuldigd, en wel, dat hij met sommigen onder zijn woeste makkers de heilige Eleusinische Mysteriën in een belachelijk daglicht had gesteld. Dit waren de heiligste en meest geheime der godsdienstige plechtigheden bij de Grieken; deze te openbaren of te bespotten werd als een misdaad beschouwd, die den dood verdiende. Alcibiades dacht er niet aan, onder deze omstandigheden als beschuldigde voor het gerecht te verschijnen. Men had hem toegestaan, in zijn eigen schip naar huis te vertrekken, bewaakt door het schip, dat de boodschap had overgebracht. Het was voor hem niet moeilijk te ontsnappen; en het andere schip was gedwongen zonder hem naar Griekenland terug te keeren.

Het duurde nog eenige maanden, voordat het plan, om het beleg voor Syracuse te werpen, kon ten uitvoer worden gebracht, maar beide partijen waren druk bezig met de voorbereidselen. De Atheners ontboden geld en ruiterij van huis, en sloten bondgenootschappen met zooveel stammen van Sicilië als slechts mogelijk was. De Syracusanen bouwden om de stad nieuwe versterkingen en versterkten de oude. Evenzoo zonden zij afgezanten naar Corinthe en Sparta om hulp te vragen en Sparta te smeeken, nog eens den oorlog tegen Athene te beginnen, ten einde de Atheners te dwingen, hun soldaten weer uit Syracuse terug te roepen. Toen die afgezanten Sparta bereikten, ontmoetten zij daar een welsprekenden, beminnelijken en betooverenden jongen verrader, die gaarne bereid was, de Spartanen ter wille van de Syracusanen toe te spreken. Het was Alcibiades zelf. "Ik ken de geheimen der Atheners," zoo sprak hij. "Ik heb een ondankbaar vaderland verloren, maar ik heb niet de macht verloren, u diensten te bewijzen, als gij naar mij wilt luisteren." Het was geen oogenblik twijfelachtig, of zijn toehoorders stonden met gespannen aandacht naar hem te luisteren; immers hij vertelde de Spartanen en de afgezanten uit Syracuse alles omtrent de plannen der Atheners, hoe zij eerst op Syracuse en daarna op Carthago zouden losstormen, om ten slotte Sparta en haar bondgenooten aan te vallen. "De veiligheid, niet alleen van Sicilië, maar van den Peloponnesus staat op het spel," zoo zeide hij met evenveel ernst, alsof hij een Spartaan van geboorte was. Daarna gaf hij hun eenigen practischen raad. In de eerste plaats drong hij er bij hen op aan, troepen naar Syracuse te zenden, en wel onder bevel van een bekwaam Spartaansch aanvoerder; in de tweede plaats, dadelijk Athene den oorlog te verklaren. "Gij dient Decelea onmiddellijk te versterken;" zeide hij: "de Atheners zijn daar voortdurend bevreesd voor." Vervolgens ging hij verder, en legde hij hun uit, dat indien de Spartanen Decelea in hun macht hadden, de Atheners de jaarlijksche schatting, de inkomsten van de landbouwproducten en van de zilvermijnen zouden verliezen; en daar de plaats niet meer dan ongeveer twintig kilometers van Athene verwijderd was, was er geen twijfel aan, of een aantal slaven zouden van Athene naar Decelea ontsnappen. De Spartanen besloten, dien raad op te volgen. Zij begonnen hun vloot gereed te maken en namen bezit van Decelea.

In Sicilië zelf liep alles zóózeer ten voordeele van de Atheners af, dat de Syracusanen op het punt waren alles voor de overgave gereed te maken. Plotseling verscheen een Corinthisch schip in de haven van Syracuse. "Er komen schepen uit Sparta," zeide de bevelhebber. "Gylippus, de bekwaamste Spartaansche aanvoerder, is op weg om u te hulp te komen." Spoedig daarna verscheen Gylippus met schepen en manschappen. De Atheners waren met groote opgewektheid bezig een muur om Syracuse op te bouwen, maar zij moesten plotseling dit werk staken, daar Gylippus eveneens een muur oprichtte. De Atheners zonden meer schepen en een nieuwen aanvoerder, Demosthenes, die het fort bij Pylos had gebouwd. Zij deden aanvallen te land en ter zee, maar zij konden Syracuse niet nemen. Het Atheensche kamp was op een ongezonde plaats gelegen, en een groot aantal soldaten waren zieken. "De stad kan onmogelijk worden ingenomen," beweerde Demosthenes. "Laat ons terugtrekken, zoolang dit nog mogelijk is." Het was volle maan, maar plotseling werd deze verduisterd. "Wat beteekent dit?" vroeg Nicias angstig aan de waarzeggers. "Dat beteekent, dat het leger gedurende driemaal negen dagen moet blijven stil liggen," antwoordden zij. Nicias hechtte onbepaald geloof aan de waarzeggers. Het leger wachtte en verloor dus zijn eenige kans om te ontsnappen.

De Syracusanen waren nu niet langer meer bevreesd, hun stad te verliezen. Zij begeerden nu heftig, roem en eer te verwerven, en daarom vatten zij het plan op, de geheele vloot der vijanden te vermeesteren. Er volgde toen een ontzettende zeeslag. De Syracusaansche schepen blokkeerden den ingang van de haven; de Atheensche triremen konden niet naar de open zee ontsnappen. Tweehonderd schepen waren opeengehoopt in de nauwe ruimte. Het ééne schip stootte tegen het andere; somtijds stootten twee of drie schepen tegen één aan. "Breekt er doorheen, anders zult gij Griekenland nooit terugzien!" riepen de Atheensche aanvoerders tot hun manschappen. "Behaalt de overwinning! Verschaft uw stad roem!" riepen de aanvoerders der Syracusanen; maar het knarsen, het kraken, de angstkreten, het gekerm, het rammelen der kettingen, het geluid van harde slagen en het neersmakken van lijken op het dek--dat alles maakte een zóó helsch geraas, dat alleen zij, die in de onmiddellijke nabijheid waren, de woorden van hun aanvoerders konden hooren. Met uitzondering van de troepen aan boord der beide vloten, was geheel Syracuse verzameld op één gedeelte van het strand, en al de Grieken op het andere deel. De Grieken drongen op tot den rand van het water; zij kermden en schreeuwden in doodsangst, zoo dikwijls één van hun schepen buiten gevecht was gesteld; zij juichten als één van hun schepen ontsnapt scheen te zijn; zij zwaaiden heen en weer; zij wierpen zich op den grond; zij strekten hun armen omhoog, om tot de goden te bidden. De schepen der Syracusanen waren hier, daar, overal. De Atheners roeiden als razenden naar den ingang van de haven; doch zij werden op het strand teruggeworpen; zij sprongen uit hun schepen en waadden door het water naar het land en hun legerkamp. "Zij leden nu hetzelfde, wat zij anderen bij Pylos hadden aangedaan," schreef Thucydides. "Er is zelfs nu nog kans op redding," zeiden de Atheensche veldheeren, "wij hebben meer schepen dan de vijand. Bij het aanbreken van den dag zullen wij ons een doortocht banen." Maar de verschrikkingen van den zeeslag hadden de mannen met een panischen schrik bevangen; zij weigerden aan boord te gaan.

De eenige hoop op redding bestond voor de Grieken hierin, dat zij zich terugtrokken, en trachtten misschien een bevriende stad te bereiken; zij begonnen dan ook hun droevigen tocht. De dooden bleven onbegraven liggen; de gewonden en de stervenden riepen hun oude vrienden bij hun namen aan, als zij voorbijtrokken, en smeekten hen, dat zij hen zouden medenemen; daarna riepen zij den toorn der goden in over hun hoofden, toen zij geen acht sloegen op hun smeekingen. Het geheele leger was in tranen. Demosthenes en een deel van het leger werd van het overige gedeelte afgesneden, maar Nicias rukte voorwaarts. Het voedsel geraakte op, water kon niet worden gevonden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier. Zij waren zóózeer door dorst geteisterd, dat zij in het water sprongen en op de ondiepe plaatsen bleven staan, voortdurend op nieuw drinkend, hoewel de Syracusanen hen beschoten en pijlen en steenen op hen wierpen. Een aantal mannen werden onder den voet getrapt; zij werden door hoopen bagage geraakt en den stroom afgedreven. Een ontzaglijke menigte lijken lag opgehoopt waar het water ondiep was, en de rivier was rood van bloed. Toen gaf Nicias zich over. "Doet met mij wat gij wilt," smeekte hij "maar spaart mijn manschappen."

Nicias en Demosthenes werden beiden ter dood gebracht. Het geheele Grieksche leger werd gevangen genomen, behalve enkelen, wien het gelukt was te ontvluchten. De gevangenen, zevenduizend in aantal, werden opgehoopt in de steengroeven. De zon brandde over dag op hun hoofden; des nachts bibberden zij van de koude. Slechts een halve kan water en slecht voedsel was hun dagelijksch rantsoen. Bij honderden kwamen zij om, en de lijken lagen op elkander gestapeld. Na verloop van tien weken werden zij, die nog in het leven waren gebleven, als slaven verkocht. Zoo eindigde de expeditie, die Athene zou hebben moeten maken tot heerscheres over alle staten aan de Middellandsche Zee. Zoo is de roem en de luister van den oorlog.

HOOFDSTUK XVI.

DE VAL VAN ATHENE.

De verrader Alcibiades had Athene overgehaald tot den aanval op Sicilië, hij had haar vijanden geleerd, hoe zij haar machtige vloot en haar duizenden manschappen kon overwinnen, en het was op zijn raad, dat zij Decelea hadden veroverd. Al het land om Decelea heen was even onvruchtbaar gemaakt als het zand op de kust. De schapen en de runderen waren gedood, en meer dan twintig duizend slaven waren weggeloopen. De Atheners konden nog evenals te voren voedsel krijgen van het eiland Euboea, maar dit kon nu niet meer onmiddellijk over de zeeëngte naar Decelea en van daar naar Athene gebracht worden; het moest langs een grooten omweg over zee om Sunium heen aangevoerd worden. Dit was een langzame manier, die bovendien kostbaar was, terwijl zij daarenboven groot gevaar opleverde; immers de Spartaansche schepen konden op ieder oogenblik uit den één of anderen schuilhoek te voorschijn komen, en de Atheners zouden dan nooit iets van schip of lading te zien krijgen. Hun eenige hoop was, dat de verovering van Sicilië hun ongekenden rijkdom zou brengen, en dat de terugkeer van hun leger het mogelijk zou maken, de Spartanen uit Decelea te verdrijven. Toen bereikte hun de tijding van de Siciliaansche nederlaag. De Atheners hadden geen schepen meer, geen geld, geen manschappen, en bijna ieder gezin was in rouw gedompeld. In het eerst waren zij door de ontzettende ramp verpletterd; zij waren er van overtuigd, dat de Syracusanen, de Spartanen, de Corinthiërs, de Boeotiërs, in één woord iedere stam, die afgunstig geweest was op hun roem, hen nu zouden aanvallen; de volksplantingen zouden in opstand komen en zij waren hulpeloos. Daarna raasden zij tegen iedereen, die maar één woord ten voordeele van de expeditie had gezegd; doch daarna gingen zij met een heerlijken moed en een krachtige zekerheid aan het werk, om nog zooveel mogelijk te redden. Zij brachten een leger op de been, zoo groot als zij dit in de gegeven omstandigheden konden bijeenbrengen, en riepen iedereen, die voorheen verbannen was, terug, om zich daarbij aan te sluiten; zij lieten uit Thracië en Macedonië timmerhout halen, waarmede zij oorlogsschepen bouwden, en de stedelijke uitgaven beperkten zij tot het hoogst noodige. De volksvergadering en de gedachtelooze menigte kiezers waren door en door ontsteld. Zij waren lang niet meer zoo zeker als te voren, dat alles, wat zij zich hadden voorgenomen, zoo verstandig was, en zij stelden toen mannen op leeftijd aan, om als raad dienst te doen.

De Perzen hadden nauwlettend op Griekenland acht geslagen, en juist in die dagen vaardigde Koning Darius II een proclamatie uit, waarbij hij verkondigde, dat iedere voet land, die ooit, al was het slechts een oogenblik, in handen van zijn voorvaderen was geweest, hem toebehoorde en hem schatting moest betalen. Hierin zou zelfs Attica zelf met een aantal steden en eilanden der Aegeïsche Zee zijn opgesloten, in één woord ongeveer het geheele Atheensche gebied. De wijze, waarop hij zich van de schatting wilde verzekeren, was eenvoudig en gemakkelijk; hij zond slechts een bevel aan de satrapen of bewindvoerders in Klein-Azië van de volgende strekking: "Int het geld voor mij, zoo goed gij dit kunt." De satrapen waren in den grootsten angst. Zij konden de schatting zonder hulp niet innen, en zij boden een groote som aan, als Sparta hen wilde te hulp komen. Nu had de onruststoker Alcibiades een prachtige kans. Hij hielp Chios en andere eilanden en steden, om tegen Athene op te staan, en hij bracht een verdrag tot stand tusschen de Spartanen en de Perzen. Tegen Athene traden dus de Spartanen op, en hun Grieksche bondgenooten, de Syracusanen, de Perzen en een aantal steden van den Bond van Delos. Samos bleef op hun hand.