De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 12

Chapter 123,459 wordsPublic domain

Dit was de wijze, waarop de Atheners hun barmhartigheid uitoefenden. Hetzelfde jaar openbaarde zich de barmhartigheid der Spartanen bij Plataea. Deze waren uitgetrokken om Plataea te veroveren, daar die kleine stad een zoo trouwe vriend van Athene was. "Maar de Spartanen, in vereeniging met de overige staten, legden een plechtigen eed af, dat onze stad voor eeuwig onafhankelijk zou zijn," zoo spraken de inwoners van Plataea. "Wat gij zegt, is waar," antwoordden de Spartanen. "Geniet van uwe onafhankelijkheid, maar helpt ons de staten te bevrijden, die nu door Athene worden geregeerd." Plataea echter wilde de Atheners niet in den steek laten, en het beleg begon. Thucydides schreef de geschiedenis van den Peloponnesischen Oorlog, en daarin wordt een verhaal gegeven van het beleg van Plataea op zijn gewone heldere, nauwkeurige, belangwekkende wijze van schrijven. Eerst hakten de Spartanen boomen om, en maakten een palissade rondom de stad, zoodat niemand de stad in of uit kon gaan. Zij hadden een verschansing noodig, hoog genoeg, om hen in staat te stellen de stad te beschieten, en zij begonnen zulk een verschansing bij den muur op te richten, door houtblokken dwars over elkander te stapelen, en de leege ruimten op te vullen met steen, aarde en stukken hout. Dag en nacht werkten zij tien weken lang door. Zij merkten echter, dat op de ééne of andere wijze de verschansing niet zoo snel voltooid werd als zij zich hadden voorgesteld, en eindelijk ontdekten zij, dat de Plataeërs een gat hadden gegraven onder in den muur, en kalm de losse aarde van de verschansing in de stad brachten. Ondertusschen maakten zij ook den muur hooger, door dien op te bouwen met steenen en hout van hun eigen huizen. De Spartanen zouden dit alles in brand hebben kunnen steken met brandende pijlen, maar de Plataeërs waren verstandig genoeg, zware gordijnen van huiden en vellen daarvoor te hangen. De belegeraars waren besloten, dat er van hun verschansing niet meer zou worden gestolen, en daarom gebruikten zij in plaats losse modder, groote hoeveelheden klei en riet, aan elkander gebonden. Toch werd de verschansing niet hooger. De belegeraars verbaasden er zich over, hoe dit mogelijk was. Eindelijk ontdekte iemand, dat die slimme Plataeërs een tunnel hadden gegraven van de stad naar de verschansing, en op hun gemak de bundels klei en riet naar binnen haalden. En dit alles was nog niet alles, immers zij bouwden ook een binnenmuur in den vorm van een halve maan. De havens raakten den buitenmuur en de kromming was naar de stad gericht. Indien dus de Spartanen den buitenmuur hadden genomen, zouden zij nog altijd den binnenmuur moeten vermeesteren, maar dit zou nog niet zoo gemakkelijk zijn met de Plataeërs tegenover zich en aan beide vleugels. De Spartanen begrepen natuurlijk de moeilijkheid ook, en brachten daarom ontzaglijke stormrammen aan; doch de Plataeërs hadden twee manieren om die rammen onschadelijk te maken. Eén manier was, om een strik daarover neer te laten en ze zoo op te trekken. Een tweede manier was, om zware balken daarover neer te hangen en loodrecht daarop. Als de machine goed was opgesteld en op het punt was, een vreeselijken stoot tegen den muur te geven, ging de balk naar beneden en werd de kop van den ram afgestooten. Daarna besloten de Spartanen de stad te verbranden. Zij wierpen groote hoeveelheden hout over den muur en stapelden massa's hout op tusschen de verschansing en den muur. Zij smeerden stokken in met pik en zwavel, staken die in brand en wierpen die het hout achterna. Thucydides zegt, dat nooit zulk een brand door menschenhanden was aangestoken. Er zou voor de Plataeërs geen redding mogelijk zijn geweest, indien niet een plotselinge storm de vlammen had gedoofd. Toen bouwden de Spartanen twee muren, op een afstand van elkander van zestien voet, en die de geheele stad omsloten. Tusschen die muren waren de verblijfplaatsen der soldaten; zoodat, als het werk gedaan was, het geleek op één zeer dikken muur met aan beide zijden een gracht. Zoodra dit werk voltooid was, ging het hoofdleger weg, met achterlating van een sterke wacht.

Toen de winter aanbrak en het voedsel schaarsch begon te worden, trok een groot aantal Plataeërs in een donkeren, stormachtigen nacht, de binnenste gracht over, die vol was met ijsschotsen, zetten ladders overeind, en slaagden er in, den muur over te komen en de buitenste gracht over te steken. "De Spartanen zullen verwachten, dat wij zullen trachten naar Athene te ontkomen," zeiden zij, "laat ons dus in de richting van Thebe trekken." Toen zij haastig door de duisternis omkeken naar den weg naar Athene, konden zij de fakkels hunner vervolgers zien. Na korten tijd slopen de vluchtelingen naar de heuvels en daarna langs nauwe paden naar beneden, en spoedig werden zij te Athene verwelkomd door de vrouwen en kinderen, die daarheen waren gezonden voordat het beleg begonnen was.

Er waren nu enkele vrouwelijke bedienden en twee honderd vijf en twintig mannen binnen de muren van Plataea; deze waren door gebrek aan voedsel te zwak, om langer de stad te verdedigen. De Spartanen zouden haar door bestorming hebben kunnen innemen, maar als de oorlog ophield, zouden steden, die door bestorming waren genomen, waarschijnlijk aan haar vroegere heerschers worden teruggegeven, terwijl die, welke zich hadden overgegeven, door de overwinnaars zouden gehouden worden. "Wilt gij u overgeven, als wij u een eerlijke kans laten?" vroegen de Spartanen, en de uitgehongerde bevolking gaf het op. De Thebanen haatten de Plataeërs, en de Spartanen wenschten de Thebanen een genoegen te doen; daarom bestond de "eerlijke kans" hoofdzakelijk uit de vraag: "Hebt gij den Spartanen of hun bondgenooten in dezen oorlog diensten bewezen?" Daar ieder Plataeër ten antwoord gaf "Neen," werd hij weggevoerd en ter dood gebracht. Iedere mannelijke inwoner van Plataea werd gedood, en de vrouwelijke bedienden werden als slavinnen verkocht. Dit was de barmhartigheid der Spartanen.

Een oorlog tusschen mannen van eenzelfde ras is altijd erger dan andere oorlogen, daar iedere partij overtuigd is, dat de tegenpartij moet begrijpen, dat zij ongelijk heeft; en deze oorlog werd hoe langer hoe wreeder. In bijna iedere stad waren er twee partijen,--de ééne partij was van oordeel, dat het volk als één geheel moest regeeren, zooals in Athene; de andere meende, dat de regeering moest zijn in handen van enkelen. Die beide partijen twistten en streden met elkander. Zonen doodden hun vaders, vaders doodden hun zonen. Indien twee personen elkander vijandig gezind waren, was het zeker, dat één van beiden een moordenaar zou worden. Als iemand geld schuldig was, bevrijdde hij zich van zijn schuld, door zijn schuldeischer te dooden. De geheele Grieksche wereld scheen wel krankzinnig te zijn geworden, niet alleen het vasteland van Griekenland, maar ook de eilanden en zelfs ook de koloniën in Italië en Sicilië. De beide partijen in dezelfde stad trachtten elkander te dooden; Atheensche schepen voeren de zee over, om de ééne of andere stad te helpen, en men kon er zeker van zijn, dat Spartaansche schepen met den meest mogelijken spoed de vijanden der stad te hulp kwamen. Zes jaren lang hield de strijd te land en ter zee onafgebroken aan.

In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder, Demosthenes, [1] immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige aanvoerders. "Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75 kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen, en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen." De overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. "Indien gij het openbare geld wilt weggooien," zoo spraken zij, "dan zijn er een menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kunt versterken." De storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn, eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel; en zoo werd het fort gebouwd.

Toen de Spartanen van dien zoo eigenaardigen bouw hoorden, lachten zij. "Het zal gemakkelijk zijn, dit, zoodra wij willen, neer te halen," zeiden zij, "zelfs als de Atheners niet wegloopen, als zij ons zien naderen." Toch kwamen zij tot het besluit, dat het in ieder geval het best was, zoo spoedig mogelijk zich van het fort te bevrijden, en eveneens van de Atheensche schepen, die op wacht lagen; daarom zonden zij een vloot en een flink aantal soldaten. De soldaten werden aan land gezet op een lang, smal eiland, Sphacteria genaamd, dat bijna de haven van Pylos insloot. De Spartaansche schepen zeilden de haven binnen, en trachtten gedurende enkele dagen het ruwe, kleine fort te veroveren. Toen kwam de Atheensche vloot op hen aanvliegen, daar zij verzuimd hadden de haven af te sluiten. De Spartanen op de kust waren wanhopend, daar hun vrienden op Sphacteria hulpeloos waren. Gewapend als zij waren, sprongen zij te water en trachtten hun ledige schepen van de Atheners weg te trekken. Thucydides drukt dit zoo uit: "De Spartanen leverden van het land af een zeegevecht, en de Atheners leverden van hun schepen af een gevecht te land." Er waren een zóó groot aantal van hun voortreffelijkste mannen op het eiland, dat de Spartanen besloten, de Atheners om vrede te vragen. De Atheners zouden daarin waarschijnlijk hebben toegestemd, indien Cleon zich daartegen niet had verzet. Na den dood van Pericles had Cleon alles gedaan om het volk genoegen te doen en hen er van af te houden, den raad van verstandiger mannen te volgen. Hij overreedde nu de Atheners, te weigeren vrede te sluiten, tenzij op zóódanige voorwaarden, als hij wist, dat de Spartanen niet zouden aanvaarden. Hij deed dit, daar hij meende, dat er voor hem beter gelegenheid was, zijn macht te doen toenemen in oorlogstijd, dan als er vrede was.

De Atheners waren altijd wispelturig en veranderlijk, en spoedig wendden zij zich boos tegen Cleon. "Waarom hebt gij ons afgeraden vrede te sluiten?" vroegen zij. "Onze manschappen in Pylos zullen van honger omkomen. Wij kunnen nu reeds nauwelijks voedsel voor hen krijgen, en als de winter aanbreekt, zullen zij zich zeker moeten overgeven. De Spartaansche soldaten op het eiland zijn veilig en hebben het goed. De Spartanen betalen een ruime som aan iedereen, die de blokkade verbreekt en hun voedsel brengt. Als hij een Heloot is, maakt één korte tocht hem onmiddellijk vrij. Honderden Heloten duiken en zwemmen naar de overzijde, en trekken achter zich aan huiden met fijngestampt lijnzaad en papaverzaad, met honig vermengd. Zoo dikwijls er een krachtige zeewind is, zeilen zij 's nachts uit en komen met het aanbreken van den dag aan de zeezijde van het eiland plotseling te voorschijn. De Atheners op Sphacteria hebben overvloed van meel en wijn en kaas, terwijl de Atheners in Pylos van honger omkomen. [** " verwijderd] Het is uw schuld; waarom hebt gij geweigerd vrede te sluiten?"

Cleon kon niets anders tot zijn verdediging aanbrengen dan te morren over de legeraanvoerders. "Zij zouden gemakkelijk naar Sphacteria kunnen zeilen en de Spartaansche soldaten gevangen nemen," zoo luidde zijn antwoord. "Dat zou ik ten minste doen, als ik legerbevelhebber was." Eén der legeraanvoerders, Nicias, was tegenwoordig. "Voor zoover de legeraanvoerders betreft, kunt gij zooveel soldaten nemen als gij wilt en het beproeven. Hier, in tegenwoordigheid van deze vergadering, sta ik u het opperbevel af." "Neem het, neem het," riep het volk. "Wij stellen u tot aanvoerder aan. Zeil nu weg naar Pylos." De wispelturige Atheners hadden alles vergeten omtrent het lijden van hun soldaten, en hadden er groot genot in, te zien, hoe Cleon in angst zat. Hij begreep, dat hij zich òf voor goed op den achtergrond moest plaatsen, òf het opperbevel moest op zich nemen. Hij trachtte zich zoo moedig mogelijk voor te doen en wendde zich tot de Atheners: "Ik ben niet bang voor de Spartanen," antwoordde hij. "Binnen twintig dagen zal ik ze op de plaats zelf dooden of ze levend naar u toebrengen." Het grauw barstte in lachen uit, en de meer verstandigen onder de menigte verheugden zich evenzeer als het grauw juichte. "Wij zullen Cleon niet meer terugzien, als hij niet inderdaad de Spartanen gevangen neemt."

Niemand verwachtte zelfs maar één oogenblik, dat het den pocher zou gelukken, te volbrengen, wat hij had beloofd, maar toch bracht hij werkelijk binnen twintig dagen omstreeks driehonderd gevangenen naar Athene. Dit was aldus in zijn werk gegaan. Toen Cleon het eiland Sphacteria bereikte, bleek het hem, dat het bosch, dat het grootste gedeelte van het eiland had bedekt, verbrand was. Het land was schoon geveegd, en de opperbevelhebber was juist op het punt een aanval te doen op de gevangenen. Cleon had geen vast plan, en sloot zich dus maar hierbij aan. Er werd een hardnekkig gevecht geleverd, maar eindelijk lieten de Spartanen hun schilden zakken en zwaaiden zij hun handen; zij onderwierpen zich. Geheel Griekenland was nu in verbazing. Kon dit hetzelfde ras zijn, dat bij de Thermopylae had gestreden totdat de laatste man gesneuveld was? De Atheners konden nauwelijks gelooven, dat het mogelijk was, dat de Spartanen zich hadden overgegeven. Zij juichten over hun overwinning, en toen de Spartanen weer om vrede smeekten, weigerden zij dit.

Zoo duurde de oorlog voort, en aan weerszijden werden de troepen hoe langer hoe wreeder en ruwer. De aanzienlijken uit Corcyra begunstigden Sparta en spanden samen tegen het gemeene volk, dat op de hand van Athene was. Door een list werden de aanzienlijken gevangen genomen en werden toen met ontzettende wreedheid ter dood gebracht. Tot nu toe waren de Atheners in hoofdzaak de winnende partij geweest. Zij hadden getracht Delium in Boeotië in te nemen, doch dit was hun niet gelukt; maar zij hielden Pylos bezet, welke plaats de sleutel voor Messenië was, en Cythera, dat een krachtige steun voor Laconië was geweest; en honderd van de meest op den voorgrond tredende Spartanen waren hun gevangenen. De Spartanen hadden jaarlijks een strooptocht in Attica gedaan, en hadden ook heel wat in andere streken gevochten, maar zij waren geen stap nader gekomen tot hun doel dan zeven jaren te voren: het overwinnen der Atheners. Gelukkig voor hen trad een nieuwe veldheer op het tooneel, Brasidas. Hij was zoo vastbesloten als eenig Spartaan, en zoo helder van oordeel en zoo snel van opvatting als eenig Athener. Hij overdacht de zaken en redeneerde aldus: "Als wij weer een nieuwen strooptocht in Attica doen, zullen de Atheners onze honderd burgers ter dood brengen. Het beste wat wij kunnen doen, is ons naar Thracië te begeven, en wij kunnen er zeker van zijn, dat meer dan één Thracische stad ons welkom zal heeten. Thracië is rijk en heeft uitgestrekte bosschen. Met Thracië als vrienden kunnen wij schepen bouwen, en wij behoeven dan niet bevreesd te zijn, als wij met de Atheners op zee handgemeen worden."

Zoo sprak Brasidas. De Spartanen meenden, dat dit een onredelijk, ondoordacht plan was; maar één zaak was sterk in het voordeel van Brasidas: hij bezat omstreeks duizend manschappen, die hij in verschillende plaatsen van den Peloponnesus had gehuurd, en het eenige wat hij Sparta vroeg, was, hem zevenhonderd Heloten te geven. "Laat het hem in ieder geval beproeven," zeiden de Spartanen. "De Heloten staan op het punt in opstand te komen, en het is niet kwaad, dat er onder hen een opruiming komt. Laat hem een paar steden innemen, en als de oorlog is afgeloopen, kunnen wij die tegen Pylos inruilen."

Zoo vertrok Brasidas naar Thracië en Macedonië. Hij was niet alleen een sluw en geslepen man, maar hij wist ook te spreken, te redeneeren en te overtuigen. Hij bracht zelfs stammen, die met de Atheners bevriend waren, er toe, hem verlof te geven door hun gebied te trekken; en half door overreding, half door bedreigingen wist hij verschillende steden in Thracië en Chalcidice er toe te brengen, zich aan hem te onderwerpen. De Atheners hadden gehoord wat hij deed, en nu kwamen zij op hem af. Cleon was hun aanvoerder, en hij was zóó opgeblazen door zijn overwinning bij Pylos, dat hij het als de natuurlijkste zaak ter wereld beschouwde, dat hij zou overwinnen. Hij had flinke soldaten, maar zij hadden geen vertrouwen in hun aanvoerder. Bijna de helft van de manschappen van Brasidas waren Heloten, en hoewel zij slaven waren, wantrouwde hij hen geen oogenblik en had hij den moed, hun zijn volle vertrouwen te schenken. Even vóór den aanval op Amphipolis, de krachtigste Atheensche volksplanting in Macedonië, deelde hij hun mede, hoe hij van plan was den aanval uit te voeren. Zijn laatste woorden tot hen waren: "Laat den moed niet zinken, denkt aan alles wat op het spel staat, en ik zal u laten zien, dat ik niet alleen anderen kan raadgeven, maar ook zelf kan vechten." De slag eindigde met de overwinning der Spartanen. Zoowel Cleon als Brasidas sneuvelden. Thucydides voerde zeven schepen aan, die in de nabijheid lagen, maar hij kwam niet spoedig genoeg aan, om de Spartanen de overwinning te betwisten. De Atheners hadden er behoefte aan, iemand de schuld te geven, en zoo werd hij de zondebok. Hij werd veroordeeld tot een ballingschap van twintig jaar. In dien tijd schreef hij zijn geschiedenis van den oorlog. Aan de Heloten, die zoo dapper onder Brasidas hadden gevochten, werd de vrijheid geschonken.

Tien jaren achtereen had nu de oorlog geduurd. Mannen waren gesneuveld, vrouwen en kinderen tot slaven verkocht, geld was verkwist, vloten waren verloren gegaan, landen waren verwoest, steden met den grond gelijk gemaakt; en wat was met dat alles gewonnen? De Spartanen waren tot de ontdekking gekomen, dat zij heel gemakkelijk konden worden verslagen, of, wat de mannen van de Thermopylae heel wat erger zouden hebben gevonden, dat zij gedwongen konden worden zich over te geven; de Atheners hadden geleerd, dat zij in weerwil van hun vloot, hun goed beschutte haven, en hun stevige muren, slechts weinig sterker zouden zijn dan andere volkeren, indien hun schatplichtige steden in opstand kwamen. Zoowel Spartanen als Atheners waren ontnuchterd en verlangden er zeer naar, over den vrede te onderhandelen. De veldheer Nicias had heel wat werk te verrichten, om de onderhandelingen te leiden en tot een goed einde te brengen; daarom werd de wapenstilstand van vijftig jaar, die in het jaar 421 vóór Christus werd gesloten, de vrede van Nicias genoemd.

HOOFDSTUK XV.

DE KRIJGSTOCHT TEGEN SICILIË.

Het voornaamste voordeel van den Vrede van Nicias was, dat de strijd gedurende twee of drie jaren gestaakt werd. Gedurende dien tijd waren er zooveel overeenkomsten en bondgenootschappen tusschen de Grieken gesloten, dat het te verwonderen was, dat er nog een enkele staat was, die er zeker van was, wie tot zijn vrienden en wie tot zijn vijanden behoorden. De bondgenooten van Sparta waren verontwaardigd, omdat de Spartanen, zooals zij beweerden, in het verdrag wel voor zich zelf hadden gezorgd, maar geen zorg hadden gedragen voor de belangen van hun bondgenooten. Een aantal veroverde steden hadden er bezwaar tegen, weer aan hun vroegere heerschers te worden teruggegeven, zooals het verdrag had bepaald. Toen maakten Athene en Sparta een afzonderlijke afspraak, om hun bondgenooten te dwingen aan het verdrag te gehoorzamen. De staat Argolis had zich tijdens den oorlog volkomen onzijdig gehouden, en had zich dien tijd ten nutte gemaakt om rijk en sterk te worden. Argolis sloot nu een verbond met enkele van de ontevreden bondgenooten van Sparta, en wat de kroon op alles zette, ook Athene sloot zich bij dit verbond aan. Sparta zag, dat, indien dit Argolisch verbond niet werd verbroken, zij haar macht in den Peloponnesus zou verliezen, daarom viel zij de Argoliërs aan, die door de Atheners geholpen werden. Een slag werd geleverd bij Mantinea, en de Spartanen behaalden een zóó groote overwinning, dat Argolis alle hoop liet varen, ooit in den Peloponnesus de leiding te zullen hebben.

Intusschen hadden de Atheners het oog gevestigd op Melos, één der beide eilanden in de Aegeïsche Zee waarover zij de heerschappij niet uitoefenden. Zij zonden een vloot tegen Melos uit en bevalen de bewoners van het eiland, zich over te geven of hun stad te verliezen. "Wij zijn Doriërs, en ongetwijfeld zullen de Spartanen ons komen helpen," dachten de Meliërs, maar er kwam geen hulp. De stad viel. Alle volwassen mannen werden ter dood gebracht, en de vrouwen en kinderen werden als slaven verkocht. Een dergelijke barbaarschheid was niets bijzonders in die dagen, maar er was geen redelijke grond geweest, om het eiland aan te vallen, behalve dat Athene het gaarne wilde hebben, en Griekenland was over die daad ontsteld.