De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Chapter 11

Chapter 113,341 wordsPublic domain

Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied, en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen, wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden, die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept, dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook zijn lezers het gaarne hooren.

De overlevering--die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist was--zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympische spelen voorlas, en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud, Thucydides genaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: "Ook ik wil geschiedschrijver worden." Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus; maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren, op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.

Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen, die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en scheepsladingen wijn, glas, huiden, zoutevisch, specerijen, papyrus, tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn, en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen en standbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven, en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten, als anders het geval zou geweest zijn.

Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten 's huis door, dat een huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de deuren naar buiten opengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden; en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.

De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsen noodig, behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen, of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad, dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.

Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch, ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker, maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed, dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met water vermengd, te drinken.

In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, was een ruime plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen, van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten, schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde, zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich op straat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken, en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje, met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee, sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen, springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt, dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen, waarvan de Grieken uit den schoonsten tijd hunner geschiedenis meenden, dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was, werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven, het beter achter te laten dan hij het had gevonden.

De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat, niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren, het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië, Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos, Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.

HOOFDSTUK XIV.

DE STRIJD TUSSCHEN ATHENE EN SPARTA, OF DE PELOPONNESISCHE OORLOG.

Terwijl Athene rijk was geworden en in kracht en schoonheid was toegenomen, had Sparta haar oude, eenvoudige en ruwe levenswijze volgehouden. Er waren daar geen luisterrijke gebouwen, geen standbeelden, geen prachtig snijwerk, geen kunstig borduurwerk. De overweging, dat een volk, dat belangstelde in zulke dwaze dingen, aanspraak zou maken op de leiding of hegemonie van Griekenland, wekte hoe langer hoe meer de verachting en den haat van hun mededingers op. Zij waren overeengekomen, den vrede gedurende dertig jaren te handhaven, maar zij hadden er geen spijt van, dat een daad der Atheners hun een voorwendsel bood, dien vrede te verbreken.

De strijd begon niet in Athene of in Sparta zelf, maar op grooten afstand, in de Jonische Zee in de nabijheid van het eiland Corcyra. Er waren moeilijkheden ontstaan tusschen Corcyra en de moederstad, Corinthe, en in een zeeslag had het eiland de overwinning behaald. Toen de bewoners van Corcyra zagen, hoeveel schepen Corinthe bouwde, werden zij beangst en vroegen, zich aan het Atheensche Verbond te mogen aansluiten. Het was een moeilijk punt voorde Atheners, te beslissen, welk antwoord zij zouden geven. De bewoners van Corcyra zeiden, dat de Vrede van Pericles iedere stad, die niet reeds tot een bond behoorde, toestond, zich bij de Atheners of de Peloponnesiërs te voegen. "Maar," zoo weerlegden dit de Corinthiërs, "niet met de uitdrukkelijke bedoeling, een lid van den anderen bond schade te berokkenen." De Atheners waren in een lastige positie. Zij waren overtuigd, dat er vroeger of later een oorlog zou uitbreken tusschen hen en de Spartanen. Corinthe was een bondgenoot van Sparta, en als zij Corcyra overwon en haar vloot bij die van Corinthe voegde, zou zij te water veel krachtiger zijn dan de Atheners aangenaam was. Daarbij kwam, dat Corcyra een niet te verwerpen bondgenoot was, niet alleen omdat zij een groote vloot had, maar ook omdat het eiland een uitnemend geschikte pleisterplaats was op weg naar Italië, en bovendien ook, omdat, als de Spartanen ooit een aanval op de kust zouden doen, het heel wat waard zou zijn, een bondgenoot zoo dicht in de nabijheid te hebben. De Atheners konden evenmin besluiten die schepen of de vriendschap van het eiland te verliezen, als brutaal het verdrag te verbreken. Zij besloten ten slotte in de zaak iets toe te geven, en die zóó te regelen, dat zij er in toestemden tien schepen in de Jonische Zee te zenden, "niet om te vechten met de Corinthiërs, maar om Corcyra te beschermen," zoo noemden zij het. Toen een tweede zeeslag geleverd werd tusschen Corinthe en Corcyra, trachtten de Atheners in het begin alleen de Corinthische schepen te hinderen, zonder ze feitelijk aan te vallen; maar toen de Corcyreërs begonnen het onderspit te delven en zich begonnen terug te trekken, vergaten de Atheners alle bepalingen van den vrede van Pericles, en vochten zij even verwoed, alsof zij nooit iets van een dergelijken vrede hadden vernomen.

Sparta en de overige staten van den Peloponnesus waren verontwaardigd, en spoedig hielden zij dan ook een soort van terechtszitting om over de stad te vonnissen. Verschillende steden verhaalden, hoe onrechtvaardig Athene haar had behandeld. Zij zeiden, dat Athene oneerlijk was en voortdurend trachtte het oppergezag uit te oefenen over telkens meer staten. Er waren toevallig enkele Atheensche afgevaardigden in Sparta om andere zaken te behandelen, en zij vroegen verlof in de vergadering het woord te mogen voeren. Zij gaven een overzicht van wat Athene in den Perzischen oorlog had gedaan, en toonden aan, dat zij werkelijk de redster van geheel Griekenland was geweest. "Onze bondgenooten kwamen uit eigen beweging," zoo spraken de afgevaardigden, "en vroegen ons, hun leidslieden en beschermers te zijn. Ons werd een rijk aangeboden; kan het u verwonderen, dat wij het aannamen en weigerden het weer af te geven?" Nadat de afgevaardigden en de vreemdelingen vertrokken waren, begonnen de Spartanen de zaken te bespreken. Zij beslisten, dat de Atheners het verdrag hadden verbroken. Daarna begonnen beide landen zich voor den oorlog toe te rusten.

Pericles wist, dat de Spartanen Attica zouden plunderen en verwoesten; daarom overreedde hij de Attische landbouwers, binnen de muren der stad te komen. Er werden toen lange rijen diep bedroefde mannen, vrouwen en kinderen gezien, die langzaam naar Athene optrokken. Hun rug was gebogen onder zware lasten; zij wisten immers zeer goed, dat alles wat zij achterlieten, zou worden vernield. Van de Acropolis konden zij hun woningen zien en hun akkers met rijpend koren. Een tijd later zagen zij den rook opstijgen uit de brandende huizen, zij zagen de korenvelden vertrapt, afgesneden en vernield door de Spartanen. Het is dus niet te verwonderen, dat zij uitriepen: "O Pericles, voer ons naar buiten om te strijden; voer ons naar buiten, zooals een veldheer betaamt." Maar Pericles zeide: "Neen". Reeds lang te voren had hij gezegd: "De Spartanen zijn krachtig te land, maar onze kracht ligt op zee." Daarom had hij schepen gezonden, om rondom den Peloponnesus te kruisen en alle mogelijke schade aan te richten, maar hij wilde niet buiten de muren van Athene gaan, om den vijand in een veldslag te land te ontmoeten. De Spartanen keerden naar huis terug, na de velden te hebben verwoest. Zij hadden even gemakkelijk naar de maan kunnen vliegen als door de stevige muren van Athene heen te breken. In een volgend jaargetijde hadden zij echter een helper, die niet op de lijst van hun bondgenooten had vermeld gestaan; immers de pest brak uit in de stad, waarin een zoo groote menschenmassa was opgehoopt, en een groote menigte menschen kwam om. De pest brak ten tweeden male uit; en nu verloor Athene den eenigen man, die haar had kunnen redden, immers spoedig lag Pericles op zijn sterfbed. Zijn vrienden zaten om zijn bed, treurend en samen over zijn overwinningen sprekend. Plotseling opende de stervende zijn oogen en zeide: "Gij legt den nadruk op die door mij verrichte daden, hoewel heel wat andere veldheeren hetzelfde hebben gedaan; maar gij vergeet het meest eervolle gedeelte van mijn persoonlijkheid, en wel dit, dat nooit door mijn toedoen één Athener in rouw is gedompeld."

Nu brak de tijd aan, dat Athene wel had mogen wenschen, dat haar bondgenooten ook haar vrienden waren geweest, want haar bereikte de tijding, dat Mytilene, een stad op het eiland Lesbos, in opstand was gekomen; Mytilene had een groote vloot, en daarom zou het verlies van Mytilene van groot gewicht zijn. Atheensche troepen werden onmiddellijk weggezonden, om de stad te belegeren, de Spartaansche troepen, die beloofd waren, kwamen eerst zeer traag ter hulp, zoodat Mytilene ten slotte genoodzaakt was zich over te geven. Zij was in handen gevallen van een wreeden meester, want de Atheners waren niet alleen verontwaardigd over den opstand, maar bovendien in groote vrees, dat er nog andere steden in opstand zouden komen. Zonder één oogenblik van ernstig nadenken besloten zij, dat alle volwassen mannen in Mytilene gedood zouden worden en iedere vrouw en ieder kind als slaaf zou worden verkocht. Als Pericles nog in leven ware geweest, zou een zoo onmenschelijk besluit nooit zijn genomen, maar de Atheners stonden nu sterk onder den invloed van een zekeren Cleon. "Weest toch niet barmhartig jegens hen," zeide hij, "straft hen zooals zij u zouden hebben gestraft, als zij hadden overwonnen." Weest vergevensgezind en deugdzaam, als gij wilt, maar wacht totdat vergevensgezindheid en deugd niet langer gevaarlijk zijn." Het besluit werd dus genomen, hoewel het betere gedeelte der Atheners er zich zóózeer over schaamde, dat zij den volgenden dag een tweede vergadering uitschreven en het besluit vernietigden. Maar het schip met drie rijen roeibanken, dat het besluit moest overbrengen, was den vorigen nacht uitgezeild. Zou het mogelijk zijn, het nog in te halen? "Wij zullen wijn en gerst voor de bemanning verschaffen," riepen de afgezanten der Mytileners uit, "en ieder van hen zal een ruime belooning ontvangen, als zij het eerst het eiland bereiken." De roeiers sprongen op hun zetels. De helft van hen roeide over dag, de andere helft des nachts, en zij aten hun gerstebrood, met wijn en olie gekneed, onder het roeien. Toch had het eerste schip een te grooten voorsprong. Het besluit was reeds voorgelezen, en reeds was men op het punt, het bevel te geven het uit te voeren, toen het tweede schip landde. Een afgezant holde van het strand naar den aanvoerder, en de Atheners werden verlost van de schande, een zoo barbaarsche slachting aan te richten. De straf, die zij oplegden, was nog streng genoeg, immers zij doodden duizend der opstandelingen, die het meest op den voorgrond waren getreden, namen de schepen der bewoners van Mytilene, en gaven hun land aan de Atheensche burgers, om daar een volksplanting te stichten.