De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 10
Themistocles was een hoogst bekwaam man, en veel heeft hij gedaan voor Athene en voor Griekenland; maar zelfs in de dagen van zijn grootsten roem vertrouwden hem de Grieken nooit zóó, als zij Aristides hadden vertrouwd. Eens vertelde hij de Atheners, dat hij een plan had beraamd, om hun stad de machtigste in Griekenland te maken, maar dat hij dat plan niet in een zoo groote vergadering kon vertellen. "Vertel het Aristides," zeide het volk. "Als hij het plan goedkeurt, zal het worden uitgevoerd." Aristides rapporteerde, dat het plan inderdaad Athene de eerste plaats onder de Grieken zou geven, maar dat het een schandelijk verradelijk plan was; men liet het toen oogenblikkelijk varen.
Toen Pausanias werd teruggeroepen, werd Aristides met het opperbevel der vloot belast. Hij stichtte den beroemden Bond van Delos, die zoo heette, omdat de vergaderingen te Delos werden gehouden, en daar ook de bondskas werd bewaard. Het doel van dien Bond was, de Grieksche steden te bevrijden, die nog steeds in de macht der Perzen waren, en om de Aegeïsche Zee vrij te houden van zeeroovers. Bijna alle steden op de eilanden en op de noordelijke en oostelijke kusten der Aegeïsche Zee sloten zich bij den Bond aan. Athene zou aan het hoofd van den Bond staan, maar zou niet meer macht hebben dan de overige leden. Aan Aristides werd de beslissing gelaten, te bepalen, hoeveel iedere staat had bij te dragen. Een andere zaak, die Aristides voor Athene deed, was, dat hij den invloed van den vierden stand in Athene uitbreidde. Door zijn invloed werd een wet uitgevaardigd, die leden van dien stand toestond tot magistraten te worden gekozen. Een paar jaar na de stichting van den bond te Delos stierf Aristides. Hij had iedere gelegenheid, door omkooperij een rijk man te worden, toch stierf hij arm. De staat bouwde zijn graftombe en zorgde voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij was een verstandig staatsman en een bekwaam veldheer, maar grooter titel dan deze is die, waarbij hij altijd in de herinnering zal voortleven: "De Rechtvaardige".
Toen Aristides het opperbevel over de vloot neerlegde, kwam het in handen van iemand naar zijn eigen hart, Cimon, den zoon van Miltiades. Het gerucht liep in Griekenland, dat de Perzen schepen en manschappen in grooten getale bijeen brachten bij de monding van den Eurymedon in Pamphylië. Dit deed vermoeden, dat zij van plan waren een nieuwen inval in Griekenland te doen. Cimon zeilde recht op Pamphylië af en zag, dat de Perzische vloot zich bij de monding van de rivier ophield. Zij verwachtten nog tachtig schepen meer, en waren er volstrekt niet op gesteld te vechten, voordat die schepen waren aangekomen. Ongelukkig voor hen vroeg Cimon niet, wat zij liever wilden, maar viel hij hen onmiddellijk aan. De manschappen vluchtten uit de schepen, en ijlden aan land. Daar lag het kamp van het Perzische leger; maar Cimon en zijn manschappen stormden daar op los als een wervelstorm. Na een tijd van heftigen strijd behaalden de Grieken de overwinning. Zij hadden tweehonderd schepen bemachtigd en hadden nu de overhand zoowel te land als ter zee. De meeste mannen zouden zich tevreden hebben gesteld met twee overwinningen op één dag, maar Cimon was niet van plan naar huis terug te keeren, zoolang hij de overige tachtig schepen niet had ontmoet. Hij trok weg, vond ze, viel ze aan en had spoedig zijn derde overwinning behaald. De Perzen hadden bij hun vlucht een onmetelijk bedrag aan schatten achtergelaten. De Grieken pakten die in hun schepen, en keerden naar huis terug. "Ik houd er van, mijn vaderland te verrijken ten koste van zijn vijanden," zeide Cimon eens, en Athene werd inderdaad met al die schatten verrijkt.
Athene werd dan voortdurend krachtiger, gedeeltelijk ook ten gevolge van den Bond van Delos. Deze nam dagelijks in kracht toe, immers zoodra een stad bevrijd was, werd zij lid van den Bond. Toen de Bond was gesticht, was afgesproken, dat de kleinere staten hun aandeel in geld, de grootere in schepen zouden betalen. Langzamerhand vonden ook vele der grootere steden het gemakkelijker hun aandeel in geld te betalen. De stad Athene had daar niet het minste bezwaar tegen. Zij nam het geld, bouwde de schepen en voegde die bij haar vloot. Eindelijk werd de schatkist van Delos naar Athene overgebracht, onder voorwendsel, dat deze te Delos niet veilig was voor de barbaren. Het duurde eenigen tijd, voordat de overige leden tot de overtuiging kwamen, dat zij in weerwil van de bescherming van Athene hoe langer hoe armer en zwakker werden, terwijl Athene voortdurend rijker en machtiger werd. De ééne staat vóór, de andere na, trachtte den Bond te verlaten, maar Athene wilde dit niet toestaan, en verplichtte hen, een nog grootere schatting te betalen. Zoo kwam het, dat de Bond, die oorspronkelijk een vereeniging van Staten geweest was, een machtig rijk was geworden met Athene tot despotischen heerscher.
Natuurlijk behaagde dit Sparta niet, en gaarne zou die staat een leger hebben willen zenden tegen zijn Attischen buurman. Doch in plaats daarvan moest zij afgezanten zenden en onderdanig vragen: "Ach, Athene, wilt gij ons niet komen helpen?" Sparta was dan ook in groote zorg en verlegenheid. In de eerste plaats was de stad zóózeer geteisterd door aardbevingen, dat slechts vijf huizen in de stad waren blijven staan, en duizenden der inwoners gedood waren. Dit was een uitnemende gelegenheid voor de Heloten om op te staan, en zij vielen dan ook Sparta aan. Zij werden wel is waar teruggeslagen, maar nu stonden de Messeniërs op, en deze werden niet zoo gemakkelijk onderdrukt. Zij sloten zich op te Ithome in Messenië, in welke plaats hun voorvaderen eens opgestaan waren tegen hun Spartaansche meesters. De Spartanen waren niet op de hoogte van de kunst van belegeren, evenmin als de overige steden op den Peloponnesus, terwijl daarentegen de Atheners daarin groote oefening bezaten; daarom besloot Sparta Athene te hulp te roepen. De Atheners hadden den tijd niet vergeten, toen zij Sparta om hulp hadden gevraagd en die stad hun zoo weinig deelneming had betoond in hun moeilijkheden. "Laat ons weigeren," zeide de ééne partij in Athene. De andere partij echter verdedigde met kracht de tegenovergestelde meening: "Neen, laat ons zorgen, dat Griekenland niet verlamd worde en Athene beroofd worde van haar lotgenoot." Cimon was de aanvoerder van de laatste partij. Het kwam hem in het belang der Grieksche staten veel verstandiger voor, Perzië te bestrijden dan met elkander te twisten. De Atheners waren trotsch op Cimon, zoodat het hem niet veel moeite kostte hen te overreden, hem naar Messenië te zenden, ten einde de Spartanen te hulp te komen. Doch toen de Spartanen de strijdmacht van vierduizend man zagen met den grootsten Atheenschen veldheer aan hun hoofd, begonnen zij de zaak te wantrouwen, en meenden zij, dat er de ééne of andere list achter zat. Ithome viel niet onmiddellijk, zooals zij hadden verwacht, en toen kregen zij de overtuiging, dat Cimon met de Messeniërs had samengezworen, om Sparta te overweldigen. Kortaf deelden zij hem mede, dat zij hem en zijn troepen niet noodig hadden en dat hij naar huis kon terugkeeren, hoewel zij de troepen der overige steden vroegen te blijven en hen te helpen. De Atheners waren over zulk een beleediging ten hoogste verontwaardigd. Zij gevoelden de behoefte, iemand, wien ook, de schuld te geven, en hun woede koelde zich op den populairen aanvoerder. "Hij bewonderde altijd de Spartanen," zeide de één. "Eén van zijn kinderen noemde hij Lacedaemonius," zeide een ander. "En als er één der bondgenooten iets deed, dat hem mishaagde, zeide hij altijd, dat de Spartanen zoo niet zouden gedaan hebben," voegde een derde er aan toe. Ten slotte werd Cimon door het schervengericht verbannen, zooals dit ook met Aristides en Themistocles het geval was geweest. Sparta bracht eindelijk de Messeniërs ten onder en verjoeg hen uit den Peloponnesus, doch Athene schikte het zóó, dat zij te Naupactus konden wonen. Het was voor de Atheners geschikt, een bevriende volkplanting aan de noordelijke zijde van de Golf van Corinthe te hebben; maar de zaak droeg er niet toe bij, Sparta welwillend jegens Athene te maken.
Velen onder de Atheners waren tot de gevolgtrekking gekomen, dat het volstrekt geen nut had, te trachten op vriendschappelijken voet te staan met Sparta, dat op den één of anderen dag tusschen beide staten een oorlog zou uitbreken, en dat het voor Athene het verstandigst zou zijn, zich zoo sterk mogelijk te maken. Het hoofd van die partij heette Pericles. Hij werd nu de meest populaire man van Athene, en de Atheners waren bereid alles te doen wat hij aanraadde. Zij sloten een verbond met Argos en vervolgens met Megara, totdat hun invloed zich uitstrekte tot voor de poorten van Sparta. De bewoners van den Peloponnesus zagen dit met leede oogen aan, maar het liet de Atheners absoluut koud, hoe de Spartanen er over dachten. Zij hielden vol met het sluiten van verbonden en het winnen van veldslagen, zoodra het tot veldslagen kwam, totdat de invloed van Athene zich uitstrekte van de Thermopylae tot den Isthmus; en als hoofd van den Bond van Delos, of juister gezegd van het Rijk van Delos, strekte haar macht zich ook uit over de steden en eilanden der Aegeïsche zee. Athene was oppermachtig te land en evenzoo ter zee. Zij had een stad, met een stevigen muur omringd, en had een uitnemend beschermde haven. Er was nog slechts één ding te doen over, en dat was het maken van een veiligen weg, om van de stad naar de haven te gaan. Daartoe werden twee reusachtige muren gebouwd tusschen de stad en de zee, die niet alleen de haven van den Piraeus maar ook de oude haven van Phalerum omsloot. Na verloop van tijd werd nog een derde muur gebouwd tusschen Athene en den Piraeus. Dit waren geen gewone muren, immers zij waren zestig voet hoog en zóó breed, dat twee wagens gemakkelijk daarover naast elkander konden rijden. Zoolang Athene die muren bezat, kon zij nooit van de zee worden afgesloten. Haar schepen konden haar van voedsel voorzien, en het scheen, alsof nu eindelijk een stad gemaakt was, zóó sterk, dat zij onmogelijk kon worden ingenomen.
De macht van Athene was nu op het toppunt, doch spoedig geraakte zij in moeilijkheden. Bijna op hetzelfde oogenblik kwamen verscheidene staten, die aan haar onderworpen waren, in opstand, en een Spartaansch leger waagde zich in Attica, en begon te moorden, te branden en te vernielen. Het was gelukkig voor Athene, dat de stad een zoo verstandigen leider had als Pericles. Hij begreep, dat, hoe machtig Athene ook was, die opstanden niet konden worden onderdrukt en te gelijker tijd tegen Sparta kon worden oorlog gevoerd. Hij sloot met Sparta een vrede, die dertig jaren moest duren, welke vrede naar hem de Vrede van Pericles werd genoemd, maar ten einde de Spartanen er toe te brengen, daarin toe te stemmen, moest Athene van haar kant er in toestemmen, alles op te offeren, wat zij in den Peloponnesus had gewonnen. Zoo kwam er een einde aan de mogelijkheid, dat Athene ooit te eeniger tijd geheel Griekenland in haar macht zou hebben. Al was haar vloot ook nog zoo sterk, het was duidelijk, dat zij nooit over de Grieken van het moederland dezelfde macht zou kunnen uitoefenen als die, welke zij uitoefende over die in de Aegeïsche Zee.
HOOFDSTUK XIII.
DE EEUW VAN PERICLES.
Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was, waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen, dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet, omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, en bovenal zoo volkomen onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.
Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer, welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom, immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen, ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren, die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt, dat dit den kunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze, die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries, of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden, en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden, blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopen van het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden, waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was, den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.
De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische brons, dat bij Marathon veroverd was.
De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis te danken is, was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen, had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te Olympia geweest was, plachten te zeggen: "Die man was inderdaad ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te hebben gezien." Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen, zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt, hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.
Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels, die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde, om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die konden bijwonen. Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den staat moest worden betaald.
Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon, Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan, of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven, droeg Sophocles een gedeelte voor uit één van zijn tooneelspelen; en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig, dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één van zijn blijspelen, De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk gelachen hebben, als één der spelers zeide:
"Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang, Te tjilpen op een tak; maar de Athener Zit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar, En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs."
De "Stad in de wolken" was een geestigheid ten koste der Atheners, immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht ondernomen, die totaal mislukt was.