De Geschiedenis van het Grieksche Volk
Chapter 1
Produced by the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
E. M. Tappan Ph. D.
De geschiedenis van het Grieksche volk
Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit
Zutphen, W. J. Thieme & Cie.
VOORREDE.
De bedoeling van dit boek is niet alleen om een eenvoudige schets te geven van de voornaamste gebeurtenissen in de geschiedenis van het oude Griekenland, maar evenzeer om de zeden van het volk te schilderen en een inzicht te geven in hun wijze van leven, denken en gevoelen. Voor zoover de opzet en de grootte van dit boekwerk het toelaten, worden de namen van hen, die meesters waren op het gebied van kunst en letteren, niet ingevoerd in afzonderlijke hoofdstukken, louter als toevoegsels bij de politieke geschiedenis, maar in hun natuurlijke betrekking tot de annalen van hun tijd, en steeds in overeenstemming met het gezegde van Plutarchus: "Dikwijls zal een onbeduidende daad, een kort gezegde of een kwinkslag iemands waren aard meer doen kennen dan de beroemdste belegeringen en de belangrijkste veldslagen."
Bij de behandeling van de oorlogen der Grieken heb ik die zoo kort mogelijk geschetst, maar de ruimte, die dikwijls beschikbaar wordt gesteld voor bijzonderheden van gevechten, besteed aan het mededeelen van karakteristieke verhalen omtrent enkelen der beroemdste aanvoerders, of aan een beschrijving van de ééne of andere militaire onderneming, die het verschil duidelijk maakt tusschen de oude en de moderne wijze, waarop dergelijke zaken worden volbracht. Om kort te gaan, ik heb de oorlogen alleen gebruikt, om het volk te doen kennen, en niet het volk, om de bijzonderheden der oorlogen te beschrijven.
De teekeningen in den tekst hebben ten doel, den lezer een blik te doen slaan in den geest van de Grieksche wereld, en om de verbeelding te hulp te komen bij de verklaring van den tekst. Zij zijn ontleend aan een groote verscheidenheid van bronnen, die voor het meerendeel de Grieksche kunst in den vorm van bouwkunst, beeldhouwkunst, bas-reliefs, beschilderde vazen en munten leeren kennen, waardoor iets geopenbaard wordt van het kunstgenie en de bewonderenswaardige veelzijdigheid van dat volk.
De nooit falende bekoring en betoovering, die uitgaan van het bestudeeren van het Grieksche volk, van hun schitterenden geest, hun vaderlandsliefde, hun ontzaglijke veelzijdigheid, ja zelfs ook van hun fouten, moeten ieder aangrijpen, die, al is het in nog zoo geringe mate, daarmede kennis maakt.
Indien dit boekwerk den lezer evenveel genot verschaft als de vervaardiging de schrijfster heeft geschonken, dan is de uitgave van dit werk volkomen gerechtvaardigd.
De Schrijfster.
INHOUD.
Bladz. I. In de dagen der mythen 1 II. In de dagen der mythen (vervolg) 13 III. Hoe de oude Grieken leefden 26 IV. Hoe de Spartanen macht verkregen 39 V. De eerste dagen van Athene: de wetten van Solon 55 VI. De regeering van Pisistratus en de Alcmaeoniden 67 VII. De Olympische spelen 77 VIII. De Grieksche koloniën: De tyrannen 83 IX. De eerste en de tweede Perzische tocht 91 X. De groote Perzische inval 103 XI. De groote Perzische inval (vervolg) 115 XII. Na den Perzischen oorlog 127 XIII. De eeuw van Pericles 144 XIV. De strijd tusschen Athene en Sparta, of de Peloponnesische oorlog 161 XV. De krijgstocht tegen Sicilië 178 XVI. De val van Athene 191 XVII. De hegemonie van Sparta 202 XVIII. De hegemonie van Thebe 218 XIX. Philippus van Macedonië 223 XX. Alexander de Groote 236 Belangrijke jaartallen in de Grieksche geschiedenis 254 Register van eigennamen 257
Kaarten.
Griekenland en aangrenzende eilanden 1 Marschroute der tienduizend Grieken 208
HOOFDSTUK I.
IN DE DAGEN DER MYTHEN.
Het moet voor de knapen en meisjes, die voor drieduizend jaar in Griekenland leefden, een bijzonder genot geweest zijn, dat zoovele van de vragen, door hen gedaan omtrent natuurverschijnselen of omtrent aardrijkskundige benamingen, met een boeiend verhaal of een pakkende mededeeling konden worden beantwoord. Indien bij voorbeeld een jongen vroeg naar den naam van een berg, welks top ver in het noorden werd gezien, zou zijn moeder kunnen antwoorden: "Dit is de berg Olympus. Op zijn top is het schoonste paleis, dat men zich kan voorstellen. Het is gebouwd van witte, rooskleurige en gouden wolken, en het is de woonplaats van Zeus, den Koning der Goden. Dikwijls ontbiedt hij de andere goden naar zijn paleis; en dan gaan zij op reis van de aarde, het water en de onderwereld, en komen samen in de groote zaal van het paleis. Daar worden zij gespijzigd met ambrosia en drinken zij nectar, de Muzen zingen en Apollo tokkelt de lier. Als de zon ondergaat, verlaten zij weder het paleis door de uit wolken bestaande poorten en keeren zij naar hun woningen terug. De zon is een schitterende gouden wagen. Apollo ment dien wagen iederen morgen hoog in de lucht naar boven, en iederen avond weer naar beneden. Hij schittert in het schelste licht door de fonkelende diamanten, waarmede hij bezet is, en het is daardoor, dat de zon uw oogen verblindt, wanneer gij er in wilt zien."
"Ik zou den wagen wel willen mennen" zou misschien de jeugdige Grieksche knaap hebben geantwoord; en dan zou zijn moeder hem kunnen vertellen van den tijd, toen eens een jeugdige knaap den zonnewagen wilde mennen, en van het lot, dat hij toen onderging.
"Hij werd geacht de zoon van Apollo te zijn," zoo luidde het verhaal, "en hij heette Phaëthon. Op zekeren dag werd een speelmakker boos op hem en riep uit "Gij zijt van lage afkomst! Het is niet waar, dat gij de zoon van Apollo zijt!" Phaëthon antwoordde met geen enkel woord, maar vertrok onmiddellijk naar het uiteinde van Indië, en liep stoutmoedig naar het paleis van Apollo. De zoldering was van ivoor en de deuren waren van zilver. Aan het andere uiteinde der lange zaal stond een troon, die schitterde en glinsterde en licht verspreidde als de zonnestralen, die fonkelden in het water. Op dien troon zat de Zonnegod zelf. Deze droeg een karmozijnkleurig kleed, en op zijn hoofd droeg hij een kroon, gemaakt van lange stralen van gouden licht, die nog veel schitterender flikkerde en lichtte dan de zon op het midden van den dag. Phaëthon doorschreed de geheele lengte der zaal en stond voor den troon. Apollo zag vriendelijk op hem neder en zeide: "Zeg mij wie gij zijt, en waarom gij mij hebt opgezocht." Daarop vertelde hem de knaap, hoe zijn speelmakker hem had gehoond, door te zeggen, dat hij geen kind van Apollo was. "En ik ben gekomen" zeide hij "om u te smeeken, dat gij, als ik werkelijk uw zoon ben, mij eenig bewijs daarvan zult willen geven."
Apollo had schik in den moed van den knaap. Hij sloeg zijn armen om den nek van Phaëthon en sprak: "Gij zijt werkelijk mijn zoon, en om u dit te bewijzen, zal ik u alles schenken, wat gij maar vraagt." De jonge knaap vroeg nu in zijn onverstand, dat het hem zou worden toegestaan, één enkelen dag den vurigen wagen te mogen mennen. Apollo keek zeer ernstig. "Zelfs de andere goden kunnen dat niet doen," zoo sprak hij. "Zeus zelf zou het niet durven beproeven. Ik bid u, vraag een ander geschenk." Maar Phaëthon had nu eenmaal zijn zinnen gezet op de vervulling van dien éénen wensch; en daar Apollo zijn woord had gegeven, moest hij toegeven. De stijfhoofdige knaap sprong in den wagen en greep de teugels. Aurora wierp de oostelijke poort open, die glinsterde van purper, karmozijnrood en goud, en de paarden galoppeerden het pad op door de lucht. Iedereen kon gissen, wat moest gebeuren. De vermetele knaap zou even gemakkelijk een storm hebben kunnen in bedwang houden als die vurige paarden. Hij kon ze niet langs den voortgeschreven weg leiden, en daardoor renden zij wild door de lucht, nu eens in de ééne, dan weer in de andere richting. De lichte vracht van den wagenmenner beteekende voor hen niets, en de wagen werd heen en weer geslingerd als een schip in den storm. Phaëthon durfde niet naar beneden te zien, want hij vreesde duizelig te worden, daar de aarde zoo diep onder hem lag. Hij durfde niet naar boven te zien, daar de hemel zoo vol monsters was, zooals de Groote Beer, de Kleine Beer, de Slang en de Schorpioen. Hij liet de teugels glippen, en de paarden vlogen nog woester vooruit dan te voren. De vurige wagen bewoog zich slingerend hoe langer hoe dichter naar de aarde toe. De bergen begonnen te rooken, de rivieren trachtten zich in het zand te verbergen, de Oceaan slonk tot een meer, steden verbrandden tot asch. "Help mij, help mij, vader Zeus!" riep de Aarde. Daarna slingerde Zeus zijn bliksemflitsen naar Phaëthon, en hij viel van den wagen neer in den Eridanus-Vloed. Zijn zusters stonden aan den oever en weenden om hem, en langzamerhand werden zij veranderd in populieren; en zelfs nog heden ten dage, kunt gij, als gij naar de populieren luistert, ze zacht en droevig samen hooren fluisteren over het lot van haar verongelukten broeder Phaëthon."
Zoo ontwikkelde zich het ééne verhaal uit het andere, zoodat men zich er over moet verbazen, dat de vertellers ooit tot een einde kwamen. Als de Grieksche jongens en meisjes vroegen, wie de dikke muren gemaakt hadden, die reeds in die tijden eeuwen oud waren en uit reusachtige steenen waren samengesteld, luidde het antwoord: "de Cyclopen"; en dan volgde er een onafgebroken reeks van verhalen over die wonderlijke éénoogige reuzen. "Maar waar komen wij zelf van daan?" vroeg een kind wel eens, en dan werd ook daarover een merkwaardig verhaal medegedeeld. "In vroegere dagen was het volk op aarde zeer misdadig," zoo luidde het verhaal, "en daarom zond Zeus een ontzaglijken vloed, om hen te verdelgen. Alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha waren deugdzaam, en daarom beloofde Zeus, dat zij gered zouden worden. Nadat de vloed verdwenen was en alle andere stervelingen waren verdronken, waren Deucalion en Pyrrha eenzaam achtergebleven. "Laat ons de goden bidden, om menschen op aarde te zenden," zoo spraken zij; en zij gingen op weg naar een tempel, die nog was blijven staan. Er was geen priester meer, geen vuur brandde meer op het altaar, en de grond was bedekt met modder en steenen en met afval, dat door den vloed was binnengespoeld. Door die hindernissen heen drongen Deucalion en Pyrrha voort naar het altaar en baden, dat de aarde weder mocht worden bevolkt. Zij kregen het volgende antwoord: "Vertrekt van den tempel en werpt de beenderen uwer moeder achter u weg." "De overblijfselen van onze ouders ontheiligen!" riep Pyrrha vol ontzetting uit: "laten wij liever eeuwig alleen blijven dan dat te doen." Deucalion bewaarde het stilzwijgen, maar ten slotte zeide hij, in nadenken verzonken: "De aarde is ons aller moeder, en de steenen zouden de beenderen der aarde kunnen worden genoemd. Ik geloof, dat het bevel beteekent, dat wij steenen moeten oprapen en achter onze hoofden moeten werpen. In ieder geval kunnen wij het beproeven en zien wat er zal gebeuren." Zoo deden zij, en spoedig waren zij niet langer alleen, immers uit iederen steen, die door Deucalion geworpen werd, ontstond een man, en uit iederen steen, door Pyrrha geworpen, ontstond een vrouw. Een der zonen van het echtpaar heette Hellen, en wij, Hellenen, stammen allen van hem af. Hellen had twee zonen en twee kleinzonen. De namen der zonen waren Aeolus en Dorus, die der kleinzonen waren Ion en Achaeus. Dit is de reden, dat wij Hellenen uit vier verschillende volksstammen bestaan--de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs. De andere volkeren zijn barbaren; hun geheele taal is "baba", en niemand kan hen verstaan."
Er waren bijna evenveel verhalen omtrent helden als omtrent goden. De helden waren mannen, die de ééne of andere daad van groote dapperheid hadden verricht. Gewoonlijk waren zij de zonen van een god of godin en van een sterfelijk wezen. Bijna iedere stad van Griekenland, hoe klein ook, had haar held. De lievelingsheld van Athene bij voorbeeld was Theseus; en ieder Athener, hoe jong ook, kende de geschiedenis van zijn bewonderenswaardige heldendaden en kon verhalen van de oude tijden, toen Athene jaarlijks zeven dappere jongelingen en zeven schoone maagden naar het eiland Creta moest zenden om verslonden te worden door den Minotaurus, een afschuwlijk monster met het lichaam van een man en den kop van een stier. Ten slotte drong Theseus, de zoon van Koning Aegeus, er op aan, dat hij zou gekozen worden als één der zeven jongelingen; en hij verliet Athene in het schip met zwarte zeilen, dat de met schrik vervulde jongelingen en meisjes hun afschuwlijk noodlot zou tegemoet voeren. Theseus had niet het minste plan zich door den Minotaurus of eenig ander monster te laten verslinden, als hij dat door hardnekkig vechten kon verhinderen. Hij was vast besloten het monster te dooden en zijn vrienden te redden of zelf te bezwijken; zoodra dus het schip Creta bereikte en de jongelingen en meisjes voor den koning werden gebracht, ging hij aan het hoofd van de slachtoffers staan en zeide: "Koning Minos, ik verzoek het voorrecht te mogen hebben, het eerst den Minotaurus tegemoet te gaan. Ik ben een vorst, en het is mijn recht de leidsman en aanvoerder van mijn volk te zijn." Koning Minos lachte onaangenaam en op smadelijke wijze, en zeide: "Ga, als gij wilt, gerust het eerst, en ik zal er op letten, dat de deelgenooten van uw lot u volgen; gij kunt daarop rekenen."
Theseus was een dapper strijder, en zou ongetwijfeld nooit het monster uit den weg zijn gegaan; maar het is een andere vraag, of hij ooit in staat zou geweest zijn, het monster te dooden, als hij niet onverwachts hulp had gekregen. Op ééne of andere wijze was hij in kennis gekomen met Ariadne, de schoone dochter van den koning, en zij waren in liefde voor elkander ontstoken. Gelukkig voor hem wist Ariadne, waar zij een zwaard kon vinden, dat in de handen van een dapper man den monsterachtigen kop van den Minotaurus kon afslaan; maar er was nog een tweede gevaar te overwinnen, dat zelfs nog verschrikkelijker en verontrustender was dan een ontmoeting met het monster, en dat was de doolhof, waarin de Minotaurus huisde. Die doolhof was vervaardigd door een hoogst bekwaam bouwmeester, Daedalus genaamd, en was zóó vernuftig aangelegd met zijn dwaalwegen en krommingen en wendingen en kronkelingen, dat niemand, die er eenmaal was binnengedrongen, den weg naar buiten kon terugvinden. Zelfs geen tooverwapen kon daar van eenigen dienst zijn; maar het heldere vernuft van Ariadne zelf was heel wat beter dan eenig zwaard. "Pak het ééne uiteinde van dit zijden touw stevig vast," zoo sprak zij tot Theseus, "en ik zal het kluwen vasthouden, terwijl het wordt afgewikkeld. Wanneer gij daarna den terugtocht aanvaardt, moet gij het koord weer opwinden, en het zal u recht naar mij terugvoeren." Het geschiedde volkomen, zooals zij hadden afgesproken. Theseus doodde het monster, daarna volgde hij het zijden kluwen, totdat het hem naar Ariadne terugleidde. Daarna zeilde hij met de prinses en de Atheensche jongelingen en meisjes snel naar Athene terug; en nooit meer behoefden de Atheners de vreeselijke schatting te betalen.
Minos zelf was één van de helden der Grieken, hoewel hij een zoo ijselijk monster hield als den Minotaurus, dat zich voedde met de lichamen van ongelukkige jongelingen en maagden; en er zijn een aantal legenden, die getuigenis aflegden van de verstandige wetten, die hij uitvaardigde. Ook vertelden de Grieken veel van de groote gevaren, waaraan zeelieden blootstonden van de zijde van zeeroovers, en van de wijze, hoe koning Minos die zeeroovers volkomen had uitgeroeid. "Hij was een machtig koning," zoo zeiden zij, "en daarbij was hij zóó rechtvaardig, dat het niet te verwonderen is, dat hij na zijn dood werd aangesteld tot één der rechters van de onderwereld."
Koning Minos was de zoon van Zeus en Europa. Er is een verhaal, dat Europa, toen zij nog een klein meisje was, eens aan het spelen was op een weide, die rijk voorzien was van bloemen. Een prachtige witte stier verscheen, en het eerste oogenblik was zij daardoor verschrikt; maar de stier was zóó vriendelijk speelsch, dat zij al haar angst vergat. Zij hing bloemkransen om zijn nek en sprong eindelijk op zijn rug. Plotseling draaide de stier om, holde in vliegende vaart naar het strand en sprong in het water. Hij zwom ver weg tot aan het eiland Creta. Daarna hernam hij zijn vroegeren vorm, en de jeugdige Europa ontdekte toen, dat zij gespeeld had met den Koning der Goden, en dat hij haar had geschaakt en haar naar dat eiland had gevoerd, dat ver over de zee gelegen was, omdat hij haar zoo innig lief had.
Een andere held, die volstrekt niet minder beroemd was dan Theseus, heette Oedipus. Hij woonde in Thebe, en juist buiten Thebe was een monster, dat niet minder ontzagwekkend en afgrijselijk was dan de Minotaurus. Het heette de Sphinx. Het had het hoofd van een vrouw en het lichaam van een leeuw. Het lag op een hoogte ter zijde van den weg, en zoodra het een reiziger in het gezicht kreeg, kwam het niet voor den dag om een eerlijken strijd te leveren, maar gaf het den reiziger een raadsel op, en als deze het antwoord niet kon raden, sprong het monster op hem af en verslond het hem. Het raadsel luidde: "Welk dier loopt des morgens op vier voeten, des middags op twee, en des avonds op drie"? Niemand had het ooit opgelost; maar toen Oedipus het hoorde, zeide hij kalm: "Het is de mensch, die in zijn kindertijd op handen en voeten kruipt, op den mannelijken leeftijd rechtop loopt, en in den ouderdom met behulp van een stok loopt." De Sphinx was zóó vertoornd dat het raadsel was opgelost, dat hij zich van de rots neerwierp en op die wijze omkwam.
Misschien de allerberoemdste van alle Grieksche helden was Heracles, die reeds een held begon te zijn, toen hij nog een zuigeling was van acht maanden. Twee vurige slangen waren door één der godinnen op hem afgezonden om hem te dooden; maar het kind stak zijn kleine armpjes uit over den rand van zijn wieg, greep in iedere hand een slang en drukte ze dood. Dit was voldoende, om zijn roem te vestigen, maar het was slechts de geringste van de heldendaden van Heracles. Op zekeren dag kwam een bevel van Zeus tot hem: "Ga naar koning Eurystheus en gehoorzaam gedurende twaalf jaar aan ieder bevel, dat hij u geeft." Eurystheus nu was een vijand van Heracles, en zelfs een zoo stoutmoedige held als Heracles mocht wel angstig zijn, nu hij twaalf lange jaren in zijn macht moest staan. Heracles echter trok moedig naar het rijk van Eurystheus. Hij was goed gewapend, immers hij was een gunsteling der goden, en verscheidenen van hen hadden hem geschenken gegeven. Apollo had hem een boog en Hermes een zwaard gegeven. Hephaestus, de manke god, die alle mogelijke voorwerpen van metaal kon vervaardigen, had een gouden borstharnas voor hem vervaardigd. Poseidon, de beheerscher van het gebied van den oceaan, had hem een span paarden geschonken; en Athene, de godin der wijsheid en de meest bekwame weefster op de geheele wereld, had een kleed voor hem geweven. Spoedig bereikte hij Mycene, en vertelde hij aan koning Eurystheus, dat hij bereid was zijn wil te gehoorzamen. Eurystheus wist, dat zijn rijk van rechtswege aan Heracles toekwam, en daarom zond hij hem telkens weg, om hem aan de meest gevaarlijke avonturen bloot te stellen, waarvan hij kennis kon krijgen, in de hoop dat Heracles bij één van die avonturen gedood zou worden. Het allereerst zeide hij: "Ga naar het Nemeïsche woud, en dood den monsterachtigen leeuw, die mijn rijk verwoest." Heracles begaf zich naar het bosch, en keerde spoedig terug met de huid van den leeuw over zijn schouders. De koning was zóó verbaasd, toen hij ontdekte, hoe sterk Heracles was, en zóó bevreesd, dat deze zijn kracht tegen hem zou gebruiken, dat hij een klein vertrek onder den grond als schuilplaats liet graven en de muren bedekte met zware koperen platen.
Hij zond Heracles op andere avonturen uit, en dacht iederen keer, dat het nu wel de laatste maal zou zijn, dat hij hem te zien kreeg, en zoo dikwijls dan ook het volk begon te schreeuwen: "De held komt daar aan, Koning Eurystheus! Heracles is bijna hier!" sloop de teleurgestelde koning weg, om zich in zijn onderaardsche kamer te verbergen. Hij eischte twaalf heldendaden of werken van Heracles; maar ten slotte waren zij alle volbracht. De held had een hert met gouden horens, een woest wild zwijn en een woedenden wilden stier gevangen, en die medegesleept naar de poorten van Mycene. Hij had alle mogelijke soorten van monsters gedood, één met zes pooten en een ander met negen koppen, zóó geschapen, dat indien één der koppen was afgesneden, er twee voor in de plaats groeiden; en hij had uit de onderwereld een driekoppigen hond gehaald met den staart van een draak, om niet te spreken van andere ondernemingen, als het dooden van een zwerm wilde vogels, die mannen en dieren verslonden, en het dragen van de zuilen des hemels in den tijd dat Atlas, wiens taak dit was, eenige gouden appels voor hem haalde uit den tuin der Hesperiden. Waarlijk, hij verdiende wel de belooning, hem door Zeus gegeven, om naar den hemel te worden overgebracht en onder de goden te worden geplaatst.
Eurystheus vervolgde de kinderen van Heracles en verjoeg ze uit het rijk. Hij voerde zelfs oorlog tegen Athene, omdat die stad ze had opgenomen. In dien oorlog werd hij gedood; en toen viel het koninkrijk ten deel aan Hyllus, den oudsten zoon van Heracles; dat wil zeggen, het zou hem toebehooren, als hij er bezit van kon nemen. Het scheen, alsof er heel wat bloedig moest worden gestreden, voordat de zaak geregeld kon worden; maar ten slotte kwamen beide partijen overeen, dat Hyllus en de kampioen onder zijn vijanden in een tweegevecht elkander zouden ontmoeten.
Indien Hyllus de overwinning behaalde, moest hij het koninkrijk verkrijgen; maar indien de kampioen den strijd won, moesten Hyllus en zijn vrienden honderd jaar lang wachten, voordat zij weer zouden mogen trachten zich meester te maken van de kroon. Al de manschappen van beide partijen wachtten verlangend den uitslag af; maar spoedig waren de zonen van Hyllus van groote droefheid vervuld, daar Hyllus gedood werd. Zij hielden getrouw hun belofte, immers noch zij, noch hun kinderen of kleinkinderen, deden een enkele poging om het koninkrijk te bemachtigen. Eindelijk echter was er aan het tijdperk van honderd jaar een einde gekomen, en de drie achterkleinzoons van Hyllus, of, zooals zij genoemd werden, de Heracliden, trokken er met hun vrienden op uit, om de landen te herwinnen, die oorspronkelijk aan hun geslacht hadden toebehoord. Toen was de fortuin hun gunstig, en hun tocht wordt genoemd de terugkeer der Heracliden.
HOOFDSTUK II.
IN DE DAGEN DER MYTHEN, (VERVOLG).