Part 9
„Ik zou U gaarne vragen, door welke gedachten, door welke overpeinzingen kan men Tao weten? Door wáárin te rusten, door waar naar te richten kan men in Tao toeven. Door wàt te volgen, door welken weg kan Tao verkregen worden?”
Op deze drie vragen antwoordde Doe-Niets Zeg-Niets niets. Niet omdat hij niet antwoorden wilde, maar omdat hij ’t niet wist.
Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij om, ging hij zuidelijk van het Witte Water den Ku-Chuëh berg op, en zag Dolleman-Stotteraar, wien hij hetzelfde vroeg.
„O!” zeide Dolleman-Stotteraar, „Ik weet het. Ik zal ’t U zeggen....”
Maar juist toen hij wilde spreken vergat hij het wat hij zeggen wilde.
Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij terug naar het keizerlijk paleis. Hij ging op audiëntie bij den Gelen Keizer en vroeg het dezen.
De Gele Keizer zeide: „Door géén overpeinzingen kan men Tao weten. Niet door ergens in te rusten, noch door zich ergens naar te richten kan men in Tao toeven. Door niets te volgen, door géén Weg kan men Tao verkrijgen.”
Toen vroeg Weten den Gelen Keizer: „Gij en ik weten dit nu. Maar van die twee van zooeven, wie heeft daarvan gelijk?”
De Gele Keizer zeide: „Die Doe-Niets Zeg-Niets heeft in waarheid gelijk en Dolleman-Stotteraar ook bijna. Gij en ik zijn er verre van af. [47] Zij die (Tao) kennen spreken er niet over, zij die er over spreken kennen (Tao) niet. Daarom begaat de Wijze de Leer zonder woorden”.
(Uit Hoofdstuk XXXII)
Toen Chuang Tsz’ op het punt was van te sterven wilden zijn leerlingen hem met staatsie begraven. Chuang Tsz’ zeide: „Ik heb Hemel en Aarde voor mijn doodkist en mijn sarcophaag, Zon en Maan zullen mijn edelsteenen, de Sterren zullen mijn paarlen zijn, en de geheele creatie de rouwenden bij mijn uitvaart. Is dus alles niet reeds gereed?”
De leerlingen zeiden: „Wij vreezen dat de aasgieren onzen Meester zullen opeten”.
En Chuang Tsz’ antwoordde: „Boven den grond ben ik voedsel voor de aasgieren, onder den grond voor de krekels en mieren. Waarom den een te berooven om den andere te voeden?”
Ook uit deze weinige fragmenten van Chuang Tsz’ naderen wij uit de verte het begrip Tao—bereiken doen we het natuurlijk niet—evenzoo als uit de Tao Teh King van Lao Tsz’.
Tao, wordt herhaaldelijk gezegd, kan niet uitgevorscht of uitgelegd worden. Het heeft ook geen Bestaan in den zin dien wij aan Bestaan geven. Als wij Tao in Hemel en Aarde, in Ruimte en Tijd zoeken vinden we Het niet, en toch hebben al deze in Tao hun grond. Er is maar één Weg om Tao (niet te kennen of te weten maar) te Zijn, en dat is in het innerlijke leven. Dan heeft men Tao niet zijn eigendom of bezit, maar is men Tao, één met het Al. Tao is de Eenheid in de Veelheid, de Eeuwigheid in den Tijd.
Dat zoowel de Tao Teh King als de Nan Hwa King meestal in paradoxalen vorm geschreven zijn is een gevolg dáárvan, dat de hoogste waarheid altijd paradoxaal is als zij in termen van óns bewustzijn wordt uitgedrukt, dat zèlf gebonden is door relativiteit en tegenstellingen. Westersch definieerende zouden wij kunnen zeggen „Tao is de Eenheid in Veelheid van God, Teh is de Veelheid in Eenheid van de Natuur in den Geopenbaarden Kosmos”.
De leer, dat de objectieve en subjectieve werelden niet scheidbaar, maar één zijn, en dat Eén Alles is, is een der grondprincipes van deze Chineesche wijsbegeerte. Alle schijn van het tegendeel is maar schijn als gevolg van het zich identificeren met een of ander standpunt. Chuang Tsz’ noemt zulk een identifieeren het „Drie in den Morgen standpunt” en geeft daar het volgende, zéér treffende voorbeeld van:
„Een baas die apen hield zeide met betrekking tot hun rantsoen van kastanjes dat iedere aap er „drie in den morgen” zou krijgen en „vier in den nacht”. Toen werden de apen erg boos en daarom zeide de baas dat ze er vier in den morgen zouden krijgen en drie in den nacht, en dezen maatregel vonden ze toen allen prachtig. Het werkelijke getal bleef hetzelfde, maar er was een aanpassing aan de neiging en den afkeer van de betrokkenen.”
Alzoo is het principe van het zich zelf met uitwendige dingen in subjectieve betrekking stellen. „Waarom de ware Wijze, tegenstellingen als identiek beschouwend, zich aanpast aan de wetten van den Hemel”.
Chuang Tsz’ wijst in zijn werk ook herhaaldelijk op het foutieve en gebrekkige van wat wij kennen, of eigenlijk erkennen noemen. Er is geen erkentenis in de Ruimte, omdat we enkel relatieve ruimte kennen. Een grashalm is eigenlijk even groot als een toren. Een krekel begrijpt de vlucht niet van een adelaar. Een berg is een zandkorrel. Dit illustreert hij in verscheiden voorbeelden.
Er is geen erkentenis in den tijd omdat voor ons duur alleen een verhouding is. Geen wezen heeft een hoogeren ouderdom dan een eendagsvlieg of een kindje dat in den wieg sterft.
Er is geen erkentenis in Waarde omdat wij geen absoluut richtsnoer hebben, waaraan te onderscheiden wat mooi en leelijk, goed en slecht is. Goed en slecht bestaan niet in wezenlijk, zijn relatieve begrippen.
Er is evenmin erkentenis in Leven omdat alle leven relatief is en er geen criterium is wat absoluut Leven is. Zelfs tusschen leven en droom onderscheiden is moeilijk. Chuang Tsz’ vertelt dit in een parabel, n.l. dat hij eens droomde, een vlinder te zijn, zalig-fladderend, met allerlei vlinder-emoties, geheel onbewust van zijn mensch-zijn. Plotseling werd hij wakker en kreeg weêr ’t idee „ik, zelf”. En toen vroeg hij zich af: „Ben ik nu een mensch die gedroomd heeft dat hij een vlinder is, of een vlinder die op ’t oogenblik droomt dat hij een mensch is?”
Alzoo: er bestaat geen erkentenis in de wereld van de tegenstellingen en het Gescheidene.
Drie jaar geleden is te Leipzig (Insel-Verlag) een boek verschenen „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse,” door een Duitschen filosoof, Dr. Martin Buber, die zelf geen Chineesch kent, maar met een Chineeschen, ongenoemden literator gewerkt heeft aan deze uitgave. Jammer genoeg geeft hij daarin maar een zeer klein uittreksel fragmenten uit de groote „Nan Hwa King” maar wat zuiver begrip en volkomen „Verständnis” aangaat, is dit het beste, dat ooit over deze Chineesche filosofie is verschenen, vooral door het schitterende „Nachwort” dat het besluit.
Een bizonder mooi gedeelte hieruit, mooi namelijk om het zuivere begrip van Tao zooals Het zich openbaart in ons menschenleven, en om de heldere manier, waarop het de valsche meening te niet doet als zou Tao medebrengen een monotoon leven zonder veranderingen, laat ik even hier volgen in vertaling:
„Ieder ding openbaart Tao door den Weg van zijn Bestaan, door zijn Leven; want Tao is de Eenheid in de Verandering, de Eenheid die zich, evenals in de Veelheid dingen, ook in de Veelheid der op elkander volgende oogenblikken in het leven in stand houdt. Daarom is niet de mensch, wiens weg zonder veranderingen verloopt, de volkomen openbaring van Tao, maar de mensch, die met de sterkste verandering de zuiverste Eenheid vereenigt. Er zijn twee soorten van leven. Het eene is het gewone àf-leven, de afslijting tot het uitdooven; de andere is de eeuwige verandering en hare Eenheid in den Geest. Wie zich in ’t leven niet laat verteren, maar zich onophoudelijk vernieuwt en juist dáárdoor, in de verandering, en dóór haar, zijn Zelf in stand houdt—dat niet een star Zijn, maar juist een Weg, Tao [48] is—die gewint de eeuwige Verandering en instandhouding”.
DE VOORVADEREN-DIENST
Zeer terecht heeft Samuel Johnson gezegd: „Zóó huiselijk is de godsdienst der Chineezen dat hun voorvaderlijke ritueelen eenvoudig een uitbreiding zijn van hun huis-associaties; en dit is zóó compleet verdaadwerkelijkt dat het graf zijn verschrikking verloren heeft en aan vreugde is gewijd”.
Dit is inderdaad weêr een der schoone trekken van den Geest van China: de vreezeloosheid voor den Dood, en niet alleen deze vreezeloosheid, maar de vertrouwelijkheid er mede.
De Europeaan, over ’t algemeen, is bang voor den dood, hij wil er niet aan denken, moffelt het denkbeeld er van in zijn dagelijksche leven weg, en een graf is voor hem een donker, vunzig gat van verschrikking en verrotting.
In China is het doodgaan geen ding van angst en vreeze, want de voorvaderendienst en het familie-altaar hebben over de grimmigheid van het sterven den glans der eeuwigheid gelegd.
Ik heb in China ouden van dagen met een rustig, vredig gezicht buiten, in de rotsbergen om Amoy, meermalen hun eigen graf zien uitzoeken, ik heb kinderen aan hun bejaarden vader een doodkist zien cadeau geven, die als een kostelijk geschenk werd aanvaard, en ik heb, vóór de begrafenis, maandenlang, zooals het gebruik is, een doodkist met een lijk in een Chineesche woning zien staan, met kinderen spelend er vlak bij, zonder een schijn van vrees of huivering.
Dit komt omdat „dood zijn” van een familielid in China heel iets anders beteekent dan in Europa. Het doode familielid is in China niet „weg” als het begraven is, het is eenvoudig „teruggekeerd” naar de groote voorvaderen-familie aan gene zijde van het graf, in die ongeziene sfeer, die eene voortzetting is van de zichtbare sfeer waarin de overlevenden nog zijn.
De „Hiao”, waarover ik het in mijn hoofdstuk over Confucius had, sluit niet enkel in het liefhebben en eeren der levende vaderen, maar ook der doode voorvaderen. De dooden-vereering in China is niet een bijgeloof, zonder meer, maar eenvoudig eene uitbreiding, in de ongeziene sferen, van de aardsche familie-betrekkingen. De doode vaderen in China zijn eigenlijk niet dood, maar leven nog steeds het huiselijke leven mede, nemen kennis van alle gewichtige gebeurtenissen in de familie, doen mede aan alle feesten en feestjes, worden in alle beraadslagingen over familiezaken gekend, enz. enz.
Zéér juist en schoon zegt Okakura Yoshisaburo in zijn „Geest van Japan”, en dit is ook geheel en al op de Chineezen van toepassing:
„De afgestorvene wordt, ofschoon onzichtbaar, geacht zijn schimmenbestaan in dezelfde wereld en in vrijwel denzelfden staat voort te zetten, als hij dat op aarde placht te doen. Evenmin als het kleine kind, waarvan Wordsworth zoo treffend verhaalt, kunnen wij inzien, dat wij de zoogenaamde dooden niet meer onder de bestaanden hebben mede te rekenen. Het onderscheid ligt in de tastbaarheid en de zichtbaarheid, maar dan ook in niets meer”.
Zeer terecht zegt Samuel Johnson, dat de Familie in China niet bevoegd zou zijn om eene beschaving te scheppen, als zij niet de oplossende macht van den dood kon overwinnen. Het is aan het graf, of bij de voorvaderlijke „ziele-tablet”, waar de gestorven familie-leden onzichtbaar maar onveranderd voortleven, „dat de vroege vormen van de „Hiao” een godsdienstige ritus worden.”
De dooden zijn voor den Chinees niet „weg”, zooals voor den Europeaan. De doode is er nog steeds. Ook voor den Japanner. Zooals Okakura-Yoshisaburo het treffend uitdrukt: „De essentie van zijn individualiteit is, schoon onzichtbaar, steeds aanwezig”.
Een Europeaan, die nooit in het Oosten geweest is, kan zich geen voorstelling maken van de absolute realiteit, die voor den Chinees de aanwezigheid der onzichtbare dooden heeft, en van de intimiteit, waarmede de doode familieleden nog aan het huiselijk leven deelnemen.
Voor het Europeesche begrip ligt het doode familielid op het kerkhof, voor het Chineesche is hij ook in huis steeds aanwezig.
Op het familie-altaar in huis staat de mystieke „zieletablet” („shên-tjoe”), waarin iets van de ziel van den afgestorvene wordt verondersteld te wonen, en waarop in de stijlvolle Chineesche karakters zijn naam en geboorte- en sterfdag vermeld staan benevens de namen zijner kinderen en kleinkinderen. De Europeaan brengt, nu en dan, bloemen voor den afgestorvene naar het kerkhof. De Chinees zet ook geregeld bloemen en offeranden, in zijn eigen huis, voor het altaar met de zieletabletten, al vergeet hij het graf buiten niet.
De doode neemt nog steeds deel aan alles, wat de familie-leden, die hem overleven, betreft.
De aanbidding en de offering van wierook en vruchten zijn het symbool van den eerbied voor huiselijk geluk, reinheid van huwelijks-zeden, tradities van liefde en plicht. Achter elke offering, door oningewijde Westerlingen voor afgoderij aangezien, ligt een symbool van waarheid en religieus gevoel. In de „Li Ki” staat „dat de zoon offert met zijn geest gevestigd op zijn ouders, alsof zij nog leefden, droevig in den winter, dat zij zijn als het vallende blad, maar vreugdevol in de lente, om te denken dat hij ze spoedig terug zal zien.”
Woont een zeer groote familie in één groot vóórvaderlijk huis te zamen, zooals zoo dikwijls in China het geval is, dan is de z.g. „Voorvaderlijke Hal”, waar dan de ziele-tabletten der voorvaderen staan, het heilige der heiligen, en het centrum der familie, ook der verre, buitenwonende bloedverwanten, zonder onderscheid van stand of rang. In deze „Voorvaderlijke Hal” worden alle gewichtige familiegebeurtenissen afgekondigd, de jeugd krijgt er het teeken van mannelijkheid, geslaagde examens worden gevierd, de huwelijken worden er afgekondigd, de mandarijnen (ambtenaren) worden er met hun ambt bekleed, ja, nog sterker, er wordt aan de onzichtbare dooden om raad gevraagd in moeilijke gevallen. In een Chineesch huis wonen niet alleen de levende familieleden, maar ook, schoon onzichtbaar, de doode. De dooden zijn niet verdwenen uit de familie, maar blijven er eeuwig in. „Terugkeeren tot zijn familie” is een der Chineesche uitdrukkingen voor sterven, zooals ik zooeven reeds zeide.
Dood zijn is niet voor de Chineezen, zooals voor de Europeanen, iets „griezeligs”. Een lijk, een doodkist, zijn heel vertrouwde, familiaire dingen. Ik herinner mij nog goed, hoe vaak ik in Amoy met mijn ouden Chineeschen schrijver Chao in diens huis kwam, toen het lijk van zijn vader nog in de kist boven de aarde stond, wachtende op den gunstigen astrologischen dag voor de begrafenis. De doodkist stond daar, als een heel intiem, vertrouwd ding in een kamer, en kleine kinderen speelden er vreezeloos om heen. Er stonden wel eens schoteltjes eten en kopjes drinken om heen, delicatessen, waar de doode tijdens zijn leven veel van hield, en waarvan zijn geest nu de onzichtbare essence proefde.
Ik herinner mij ook nog zoo goed den ouden, ouden Chineeschen literator in Chang Chow, dien ik eens bezig vond met zelf in sierlijke karakters het grafschrift neer te penseelen, dat ééns op zijn graf zou worden gebeiteld.
En was het niet de literaire, eerwaardige onderkoning Chang Chih Tung, het lid van den „Grand Council”, die in October 1909, toen hij stervende was, zelf in prachtig-klassieke taal zijn eigen doodsbericht schreef voor den keizer?
Een Chinees, als hij sterft, heeft niet het idee, dat hij uit zijn familie heengaat, maar juist, dat hij er in „terugkeert”; terugkeert namelijk tot de voorvaderen aan wie hij zijn geheele leven eerbied bewezen en offeranden gebracht heeft. Hij weet ook, dat zijn kinderen hem niet vergeten zullen, dat hij nog steeds in alle gewichtige familie-aangelegenheden gekend en geraadpleegd zal worden, dat hij, onzichtbaar, maar daarom niet minder werkelijk, bij alles tegenwoordig zal zijn, wat in de familie gebeurt, en dat hem dezelfde eer en dezelfde offeranden zullen geschonken worden, die hij, tijdens zijn leven, zijn voorvaderen wijdde. De roem, en de onderscheidingen, die een Chinees gedurende zijn leven van regeeringswege mocht ontvangen, slaan terug op zijn voorvaderen, die er in deelen.
Het ergste, wat een Chinees kan overkomen, is te sterven zonder zonen, die hem een graf schenken en die, aan zijn graf, of voor zijn ziele-tablet, hem eerbewijzen en offeren. Te sterven zonder een zoon na te laten is niet alleen een ramp voor zichzelven in China, maar ook een gebrek aan „Hiao”, een oneerbiedigheid, tegenover de voorvaderen. Daarom is, zoo zeide ik reeds, voor een man zonder zonen adoptie van een zoon—mits steeds agnatische verwanten, en volgens vaste volgorde, te beginnen met een zoon van een oudsten broeder—plicht, en zelfs na zijn dood is deze adoptie, posthuum, door de familie-oudsten, voorgeschreven. Baart de hoofdvrouw geen zonen, zoo is concubinaat vanzelf sprekend, om het leven van den echtgenoot voort te zetten. Dit concubinaat in China heeft daarom oorspronkelijk geen zinnelijk, maar een heilig, godsdienstig motief. Het dient om de voorvaderen voort te zetten.
De familie, waarin de voorvaderen inbegrepen, wordt in het bekende „Heilig Edict” van keizer Khang Hsi (1662–1723) vergeleken met één stroom, die vele zijtakken en armen heeft, maar waarin, hoe ver ook van den oorsprong, altijd hetzelfde water is.
Een van de karaktertrekken van China, waarin zijn Geest zich het treffendst uit, is de eerbied voor het Verleden en den Ouderdom, een eerbied, die niet alleen naar de levenden onder de Ouden uitgaat, maar ook naar de dooden, naar de voorvaderen. In de „Li Ki” staat dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten. Deze eerbied voor Ouderdom vindt men trouwens terug in ’t oude Egypte, ’t oude Griekenland, ’t oude Rome. De schoone woorden van Epaminondas dat het vreugdevolste wat hem ooit overkomen was, hierin bestond dat hij de overwinning bij Leuctra had behaald toen zijn vader en moeder nog leefden, zouden door iederen Chinees gewaardeerd en begrepen worden.
Het is heel gemakkelijk om, zooals zooveel Westersche schrijvers over China gedaan hebben, te glimlachen over de vereering voor den Ouderdom, en vooral de vereering voor de voorvaderen in China, maar, wanneer men al de ceremoniën beschouwt, die, vooral aan de laatste, zijn verbonden, behoort men de oorspronkelijke symboliek er van te voelen en te begrijpen, om er een helder oordeel over te kunnen hebben.
De voorvaderen-dienst draagt, zooals Samuel Johnson zoo juist heeft gezegd, het „home” over in de ongeziene sferen. Daar die ongeziene sferen niet tot het gebied der Europeesche empirische wetenschap behooren, is al gauw de neiging tot spot en ridiculiseering aanwezig bij nuchtere Westerlingen.
Sommige sinologen hebben het voorvaderlijke altaar afgoderij en bijgeloof genoemd, Johnson noemde het, en ik ben van dezelfde meening, „the open conscience of the people, where all duties are laid bare to the wisdom and order of the world, enshrined in these honoured ones”.
Het groote sentiment der Chineezen in hun voorvaderen-dienst zou door de oude Egyptenaren beter begrepen zijn dan door de moderne Europeanen.
In elk geval mag wel eens bedacht worden, hoe klein en onwijsgeerig in Europa over ’t algemeen de vrees voor den dood is, en hoe de voorvaderen-dienst der Chineezen al het angstige en „griezelige” aan den dood ontnomen heeft, door de dooden in dezelfde vertrouwelijke intimiteit van den familie-kring opgenomen te denken als de levenden.
Mijn leerling en vriend Yap Hong Tjoen, die te Leiden het artsexamen heeft afgelegd, en een westersche opvoeding heeft gehad, wijst mij er op, dat ook bij westersch opgevoede Chineezen de eerbied en liefde voor de voorvaderen in de ziel bewaard blijft.
„Het mooie er van is”, zeide hij mij, „dat bij deze vereering het slechte, zoo dit er mocht geweest zijn, van de afgestorvenen verdwijnt voor de overlevenden, en alleen het goede overblijft. Alleen het beste en edelste van de dooden blijft over voor het nageslacht, hun mooie en groote daden”.
„Als ik kniel voor de ziele-tablet van mijn vader” zegt mijn leerling Yap, „dan is dit geen afgoderij, maar dan zie ik al zijn mooie daden voor mij. Ook zoo, als ik kniel voor de tablet van mijn grootvader”.
Dit is, wat de meeste Westerlingen niet kunnen begrijpen als zij van Chineeschen of Japanschen voorvaderen-dienst lezen.
„Als ik hier in Europa” zegt Yap, die thans bezig is van mij de taal van China te leeren, die hij door zijn westersche studie heeft moeten verwaarloozen, „als ik hier in Europa op ’t oogenblik onbezorgd kan leven, en overal nuttige en schoone dingen zien en leeren, dan dank ik dit aan den arbeid van mijn vader en grootvader. Ik vergeet dit geen oogenblik. Zelfs als ik met mijn vrouw in een loge zit in de komedie denk ik: het is mijn overleden vader, die mij hiertoe in staat stelde. Ik zie mijn vader en mijn grootvader steeds vóór mij in al hun goedheid en grootheid, en ik weet dat ik niets zou zijn zonder hen”.
Zonder dit sentiment te begrijpen kan niemand over den Chineeschen voorvaderen-dienst oordeelen.
Voor alle begrijpen, vooral van oostersche gebruiken en zeden, is in de eerste plaats reverentie noodig. Zeker, er is in den loop der eeuwen in den voorvaderen-dienst heel wat bijgeloof en ontaarding ingeslopen. Maar dáármede heb ik niet te maken als ik over den zuiveren oorsprong er van schrijf.
Ik zou dit hoofdstuk willen sluiten met de aanhaling van de roerende opdracht, vóór aan het bewonderenswaardige werk van Dr. Chen Huan Chang „The Economic Principles of Confucius”:
This Book as a Token of Gratitude and Affection I Dedicate to the Memory of my Father Chen Chin Ch’üan Who suffered Poverty, Adversity and Many bitter Disappointments In Order that his Son Might lead the Scholars Life
In deze opdracht van een zoon aan zijn gestorven vader trilt weer iets van de edelste essentie van den Geest van China.
CHINEESCHE KUNST
Er is van Chineesche kunst veel te weinig bekend, en dit is de schuld van de sinologen, of eigenlijk ook weer niet hun schuld, omdat er zoo veel werkelijk heel groote geleerden, en zoo uiterst weinig artistieke, wat de Grieken zouden noemen „musische” menschen onder hen waren. Toch is het een heel groote dwaling als men zich verbeeldt, een volk te kennen zonder zijn kunst te begrijpen, en dit beteekent: te doorvoelen; want het is juist in de kunst dat de cultuur van een volk, de hoogste bloei ook van de volksziel, zich uit. Wij kunnen ons de Grieken b.v. niet denken zonder hun prachtige beeldhouwkunst en hun poëzie, wij kunnen de Egyptenaren niet begrijpen zonder hun pyramiden, hun Sphinxen, hun kolossale beelden, en evenmin is het mogelijk, de Romeinen te kennen zonder hun kunst. Juist in de kunst vond de cultuur dier volken haar hoogste uiting.