De Geest van China

Part 8

Chapter 84,096 wordsPublic domain

Er is nog al eens verwarring ontstaan, omdat in Confucius Tao meestal (niet altijd) met „het Pad, de Weg” (the Way, the Path in Prof. Legge’s „Chinese Classics”) vertaald kan worden. In zekeren zin beteekent het in Confucius veelal ook „Het Pad”, mits men hieronder een spiritueel Pad versta, en niet aan Tijd en Ruimte er bij denke. Wanneer wij echter de symboliek van het Chineesche karakter (schriftteeken) beschouwen, dat het begrip Tao afbeeldt—de symboliek der Chineesche filosofie is tusschen twee haakjes door de vertalers altijd veel te veel over het hoofd gezien—dan bevinden we dat Tao bestaat uit twee deelen, waarvan het tweede oók uit twee bestaat n.l. uit Io „Het Hoofd”, en uit IIo Gaan, Bewegen. Prof. Chavannes, in zijn „Mémoires Historiques de Sse-Ma-Tsien” heeft hier óók terecht de aandacht op gevestigd. Hij heeft hierbij echter vergeten te releveeren, dat dit tweede, n.l. „Gaan, Bewegen” ook weer uit twee deelen bestaat, n.l. Io „loopen” (gaan) en IIo „stilstaan”, en juist dit kan een groote mystieke beteekenis hebben, waarover ik hier echter niet kan uitweiden. Van „Het Hoofd” dat „beweegt”, dat „gáát”, naar een geestelijk hoofd, een geestelijk principe, dat in het Heelal rondgaat, is in mystieke filosofie vol symboliek de sprong niet zoo heel ver. De oorspronkelijke symboliek der Chineesche schriftteekens is afgebeeld door zeer diepzinnige menschen, die wel precies wisten wat ze er mede bedoelden, en vooral in oude Chineesche filosofie is het zaak, goed te letten op de schriftteekens, die de filosoof voor zijn begrippen gebruikt. Uit de symboliek van het schriftteeken voor „Tao” volgt vanzelf al, dat het oorspronkelijk geen „Pad” of „Weg” kan beteekend hebben, maar het „Hoofd”, het Principe zelf, dat in het Heelal rondgaat, en Zijn eeuwigen Weg gaat. Later is die Weg in de plaats van het Principe zelf gekomen, zooals dat wel meer gaat. Er is echter geen kwestie van of, reeds eeuwen vóór Confucius was bij de Chineezen een begrip Tao bekend, niet als een Weg, maar hoe vaag en duister ook, als een Godsbegrip, en zelfs Prof. Legge, de vertaler der „Chinese Classics” erkent na speciale en grondige studie hierover tot de wetenschap gekomen te zijn dat lang voor Lao Tsz’ „there was a Taoïsm earlier than this”.

Ik laat thans eenige teksten volgen, in mijne eigen vertaling.

Hoofdstuk I.

„1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn: kon de Naam genoemd worden, zoo zou het de eeuwige Naam niet zijn.

„2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het Begin van Hemel en Aarde; als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller Dingen.

„3. Daarom (als men) voortdurend Niet (Niet-Begeerte) is, kan (men) Zijn verborgen geheimenis zien, (als men) voortdurend (Begeerte) is, kan (men) er enkel den (Vorm) grens van zien.

„4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort en hebben verschillenden naam. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige ervan is wederom geheimzinnig. Het is de Poort van het Geheimenis”.

Lao Tsz’ beschouwt alzoo Tao als in zich zelf, ongemanifesteerd, dus voor ons, die aan alle Zijn een zichtbaren vorm verbinden, als Niet-Zijnde—dit relatieve Niet-Zijn is echter juist het absolute Zijn—en aldus, ongemanifesteerd beschouwd is het ’t Begin van alles, van Hemel en Aarde. Verder beschouwt hij Het als gemanifesteerd in ’t Heelal, als voor ons Zijnde dus, en als zóódanig is Het als de Moeder, die baarde alle dingen, waaruit dus alle dingen voortkomen.

Als men „Niet-Is”, dat wil zeggen: niet in de uiterlijke wereld van de uiterlijke phenomena levend, niet misleid door de wereld van relatieve dingen en tegenstellingen, maar geconcentreerd in de Eenheid, in Tao (hierover later uitvoeriger) dan kan men ’t verborgen Geheimenis van Tao in-zich-zelve, als ongemanifesteerd aanschouwen. Als men wèl „Is”, ziet men alleen de manifestatie van Tao in ’t Heelal, den begrensden vorm dus. Toch komen Zijn en Niet-Zijn beide uit hetzelfde, uit Tao voort; ze zijn dus beide op geheimzinnige wijze identiek. En dat geheimzinnige is dubbel geheimzinnig, omdat—zooals de commentator van mijn editie, Peh Yü Shen, zoo terecht zegt: „In ’t voor ons onreëele is ’t Reëele verborgen, in het Niets ligt juist het echte Iets”. Wat wij relatief Niet-Zijn noemen, omdat we ’t niet vatten kunnen is juist het éénige, absolute Zijn. Dit doorgronden is aan de Poort staan van het Geheimenis.

De bespiegelingen over Zijn en Niet-Zijn vinden wij evenzoo in de Upanishads.

Het Niet-Zijn of Niets is vermoedelijk door Lao Tsz’ als hetzelfde gedacht als wat Choe Hie ook aanneemt als nog vóór het „T’ai Ki”, als dát, wat het „Tai Ki” voortbracht.

Hoofdstuk II. [37]

„1. Allen onder den Hemel weten dat mooi mooi is, dan spijt het in (de tegenstelling van) leelijk; allen weten zoo dat goed goed is, dan spijt het in (de tegenstelling van) slecht.

„2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn brengen elkander voort. Moeilijk en Gemakkelijk zijn elkaars gevolg, Lang en Kort strijden met elkaar, Hoog en Laag wedijveren met elkaar, de Toon en het Geluid harmonieeren met elkaar, Vóór en Achter volgen elkaar.

„3. Daarom doet de Wijze het werk van Wu Wei en begaat de Leer zonder woorden.

„5. Als het werk volbracht is blijft hij er niet aan hangen, en daarom juist gaat het (Tao) niet van hem weg.”

Dit hoofdstuk is een treffend bewijs met hoe weinig woorden Lao Tsz’ veel kan zeggen. Hij neemt de moeite niet het uitvoerig uit te leggen, hij schreef enkel voor verwante zielen, die het woord „Daarom” (ad 3) direct begrijpen.

Hij zegt in deze korte woorden, dat deze wereld een relatieve is, van tegenstellingen, die alzoo niet in zich zelf bestaan, en zegt dat „Daarom” de Wijze zich niet bezig houdt met werk in die tegenstellingen maar met „Wu [38] Wei”. Letterlijk vertaald is dit „Niet Doen”, en niet-filosofisch aangelegde sinologen hebben hierin gezien een lui „laissez-aller” een lui niets-doen, een luie onverschilligheid.

In waarheid echter beduidt Wu Wei heel iets anders. Het staat tot Wei, Doen, zooals Niet-Zijn staat tot Zijn, in ’t vorige hoofdstuk. Het relatieve Niet-Doen, voor ons, die ’t niet bevatten kunnen, is het absolute Doen. Wu Wei is het doen in de Eenheid, in Tao, niet in de Veelheid der tegenstellingen.

Zeer mooi is dit uitgedrukt in een drie jaar geleden verschenen werk van Martin Buber „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse”. Hij noemt daarin Wu Wei (lett. vertaald Niet-Doen) „Wirken aus ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit”.

Deze „Niet-Doen”-Actie is ons reeds welbekend uit andere Oostersche filosofische werken, en indien de sinologen, die het „Wu Wei” voor een lui niets-doen aanzagen dit maar begrepen hadden, zouden ze Lao Tsz’ meer recht hebben gedaan. Lao Tsz’ duidt het nog éven aan door te spreken van „niet aan ’t werk te blijven hangen (lett. staat er „in blijven wonen”) als het volbracht is”.

In de Upanishads wordt een zelfde leer van geestelijk werken genoemd „the doctrine of action without attachment to result” (vairagya).

In dit korte hoofdstuk II is, in zoo weinig mogelijke schriftteekens uitgesproken, dat er geen eigenlijke erkentenis is in de wereld van de tegenstellingen en van het gescheidene. Zooals Dr. Martin Buber het zoo juist uitdrukt in zijn „Gleichnisse des Tschuang Tse”: „slechts in wien geen scheiding is, die is niet van de wereld gescheiden en kan de wereld erkennen. Niet in de contrasten, niet in de dialektiek van Subject en Object, maar slechts in de Eenheid met het Al is Erkenning. Die Eenheid is trouwens de Erkenning.”

Alzoo: die Erkenning is geen Weten, maar Zijn.

Hoofdstuk IV.

1. Tao is ledig, en (toch) hoe zou Het in zijn actie niet vol zijn?

2. O! Hoe afgrond-diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.

3. Het verstompt zijn scherpte, ontwart zijne ingewikkeldheid, tempert zijn (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan zijn stof.

4. O! Hoe stil is het! Het lijkt wel eeuwig te blijven bestaan.

5. Ik weet niet van wien Het kind is. Het was vóór Shang Ti (de opperste God-Macht) [39].

Hoofdstuk VII.

1. Hemel en aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.

2. Daarom stelt de Wijze zijn zelf achter de anderen, en dan wordt zijn Zelf (juist) de eerste.

3. Hij maakt zich los van zijn zelf, en dan is zijn Zelf (juist) blijvend.

4. Is dit niet, omdat hij geen ik heeft?

5. En (toch) wordt dan zijn (hoogere) Ik volmaakt.

Hoofdstuk VIII.

1. De opperste Goedheid is als water.

2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.

3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.

4. Daarom komt het dicht bij Tao.

Hoofdstuk IX.

1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Op de ledige ruimte berust het gebruik van het wiel.

2. De vaas is uit klei gekneed tot een voorwerp, op de ledige ruimte berust het gebruik van het voorwerp.

3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Op de ledige ruimte berust het gebruik van het huis.

4. Daarom, het Zijn (het materieele) is er het voordeel van maar op het Niet-Zijn (het immaterieele) berust het (eigenlijke) gebruik er van.

Hoofdstuk XIII.

1. In de oudheid waren de goede filosofen die zich aan Tao wijdden (als) gering, subtiel, duister en ver doordringend.

3. Zij verdwenen, als het ijs dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei.

Hoofdstuk XXXVII.

1. Tao is eeuwig Wu Wei (Niet Doende), en toch is er niets, wat Het niet doet.

4. Het simpele wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte en, vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.

In deze (zie I) fijne woordspeling, waarbij ik even stil wil blijven staan, ligt ook opgesloten: Door geestelijke actie brengt Tao het concrete Heelal voort, op mystieke wijze.

In de Ishopanishad vinden wij hetzelfde: „Hij, die doet bewegen en (toch) zelf niet beweegt”.

Meister Eckehart zegt nog: „God is rust, en toch als God ook maar een oogenblik ophield te scheppen zou de heele wereld ten gronde gaan”.

Hoofdstuk XLII.

1. Tao baarde één, één baarde twee, twee baarde drie, drie baarde alle dingen (de creatie).

2. Alle dingen laten de Duisternis (de Stof) achter zich (waaruit zij gekomen zijn) om te omhelzen het Licht (den Geest), en worde in harmonie gebracht door het Fluïde der Leegte.

In dezen tekst hebben sommigen een analogie gezien met de Drieëenheid uit de H. Schrift. Men moet echter verder gaan, en evenzeer de Drieëenheid uit alle andere oude godsdiensten er mede vergelijken. Het „Fluïde der Leegte”—waarvan wij in andere oude mystieke boeken ook analogieën vinden—is in deze Chineesche filosofie een term, aanduidend „alles wat primair agent is in ’t voortbrengen en modifieeren van beweging”.

Hoofdstuk LI.

1. Tao baart de dingen, Teh brengt ze groot, de Materie vormt ze, de Kracht volmaakt ze.

2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh hoogacht.

3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.

4. Daarom, Tao baart ze, Teh brengt ze groot, bestendigt ze, onderhoudt ze, beschut ze, bederft ze (weer), voedt ze, en werpt ze (weer) omver.

5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.

Hoofdstuk LV.

6. Van het toppunt van kracht af worden de dingen oud, dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een spoedig einde. [40]

Hoofdstuk XI.

1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf). Zachtheid is Zijn functie.

2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.

Hoofdstuk XLIII.

1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.

2. Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is.

3. Vandaar dat ik het nut weet van Wu Wei.

Hoofdstuk XLVII.

1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.

2. Hoe verder men uitgaat, hoe verder men wordt voortgedreven, hoe meer men weet hoe minder men weet.

3. Daarom de Wijze weet zonder iets te doen, noemt de dingen zonder te zien, en volmaakt zich zonder actie.

Hoofdstuk LXXVI.

1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij soepel en teer, als zij sterven zijn zij droog en schraal.

2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en zwakheid zijn de volgelingen van het leven.

3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk is wordt hij omgehakt.

4. Wat sterk en groot is is inferieur, wat zacht en zwak is is superieur.

Hoofdstuk LXXVIII.

1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.

Hoofdstuk LXXXI.

1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.

2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet goed.

3. Zij, die (Tao) kennen zijn niet geleerd; zij die geleerd zijn kennen (Tao) niet.

Men ziet en voelt, hoe al deze verschillende teksten volstrekt niet in westerschen zin logisch op elkaar volgen. Iedere tekst is als ’t ware het bezonkene van een lange, diepe meditatie, en is ook, omgekeerd, een onderwerp, om uren en uren over na te denken, en zich in te verdiepen. M.a.w.: de studie van zulke teksten moet op oostersch meditatieve wijze plaats hebben, niet op enkel westersch mentale.

Het is duidelijk, dat deze diepzinnige bespiegelingen geen gemeengoed voor de groote massa konden worden, en dat zij niet zulk een invloed op het gewone, maatschappelijke leven konden uitoefenen, als de leeringen van Confucius. Zijn teksten waren zulke, die „half reveal and half conceal the thought within”, zooals Douglas er terecht eens van gezegd heeft. [41] Het bekende

„Ch’ú Pi Tsch’ù Tsch’ù”

d.i. „Verwerp Dit (van buiten), Grijp Dàt (van binnen)” uit het 12e Hoofdstuk der „Tao Teh King” is geen op te volgen voorschrift voor de menigte, maar enkel voor een élite intuïtieve denkers.

Het latere geslacht heeft dan ook gedaan, wat steeds met groote, diepzinnige leeren van denkers gedaan is, het heeft Lao Tsz’ zeer vervormd, en er de zonderlingste hocus-pocus formules in meenen te zien, zoo dat de „Tao Teh King”, die voor hooge, fijne Chineesche geesten een bijbel is gebleven, het uitgangspunt is geworden van een verward systeem van alchemie en magie, en van een afgoden-dienst, gewoonlijk Taoïsme genaamd, die eigenlijk niets met de mystieke, verheven leer van Tao meer te maken heeft. [42]

Daar ik dit boek aan den zuiveren, onvervalschten Geest van China wijd, en niet aan verwordingen en verbasteringen, kunnen beschouwingen over dit ontaarde Taoïsme achterwege blijven.

Het is eigenaardig, dat zooveel sinologen van naam, zich bij voorkeur met de degeneraties en verwordingen hebben opgehouden, en hun leven hebben besteed aan het schrijven van dikke folio’s hierover, terwijl de oorspronkelijke, sublieme Wijsheid van China, waarin de Geest van China in puren onbevlekten staat bewaard is gebleven, aan hun aandacht gansch is ontsnapt. Een van de voornaamste redenen hiervan is, dat zij de intuïtie, en het „spiritual insight” misten om in dien Geest door te dringen.

Het is ook de aandacht van de meeste sinologen voorbijgegaan, dat er ten huidigen dage in China nog vele, zoogenaamde „esoterische” scholen bestaan, waarin de oorspronkelijke filosofie van Lao Tsz’ zuiver bewaard wordt, en het onderwerp is van de meest serieuze meditatieve bespiegelingen. Eene studie dier scholen zou van het hoogste belang zijn, en groote schatten van oostersche wijsheid aan het licht brengen.

CHUANG TSZ’

Ik kan niet nalaten, hieronder een en ander te laten volgen uit de „Nan Hwa King”, het mystieke werk van Lao Tsz’s grooten discipel Chuang Tsz’, die 250 jaar na hem leefde en, grootendeels door gelijkenissen in korte verhalen en parabelen, de leer van de „Tao Teh King” geïllustreerd heeft.

Men verwachte ook hier geen logische uiteenzetting, want dezelfde intuïtieve, suggestieve methode wordt er in gevolgd, die niet voor enkel intellectueelen, maar voor intuïtief aangelegden begrijpelijk zijn.

Ik zal mij aan die methode houden, en dus enkele korte verhalen uit de „Nan Hwa King” hier in vertaling geven, om ten slotte eene korte beschouwing er over te houden:

(Uit Hoofdstuk II)

„Als er een begin was, was er ook een tijd dat dat begin nog geen begin was. En dan was er ook een tijd vóór den tijd, die was vóór den tijd van dat begin.

„Als er Zijn was, was er ook Niet-Zijn. En als er een tijd was dat Niets bestond, moest er ook een tijd geweest zijn dat Niets niet bestond.

„Plotseling was er Niets, maar ik weet nog niet of dit nu iets is dat bestaat of niet bestaat”.

(Uit Hoofdstuk II)

Er bestaat geen ding dat niet objectief is, er bestaat geen ding dat niet subjectief is. Als wij van het objectieve uitgaan dan zien wij niets. Alleen van ’t eigen (subjectieve) weten uit kunnen wij weten. Daarom zegt men: het objectieve komt uit het subjectieve voort. Objectief en subjectief is een theorie (spraak) van alternatie. En toch, als ’t eene wordt geboren is ’t andere gestorven, als ’t eene sterft wordt ’t andere geboren, als ’t eene kan kan ’t andere niet, als ’t eene niet kan kan ’t andere, omdat ’t eene positief is is ’t andere negatief, omdat ’t eene negatief is is ’t andere positief.

Daarom, de Wijze bekijkt niet uit deze standpunten. Hij plaatst zich in den Hemel [43] en is dan vanzelf in het (groote) Subjectieve standpunt, waar subjectief ook objectief is en objectief ook subjectief, en waar de tegenstellingen niet-onderscheidbaar tot één vermengd zijn. Daarom, kunnen we (eigenlijk) wel zeggen dat subjectief en objectief bestaan of niet-bestaan?

Waar subjectief en objectief niet (meer) hun correspondeerende tegenstelling hebben daar is Tao in zijn inwezen [44].

(Uit Hoofdstuk XII)

Ten eerste: De vijf kleuren verwarren het oog, en maken dat het niet helder meer ziet.

Ten tweede: De vijf geluiden verwarren het oor en maken dat het niet duidelijk meer hoort.

Ten derde: De vijf geuren verwarren den neus en maken dat de reuk belemmerd wordt.

Ten vierde: De vijf smaken verzadigen het verhemelte en maken het smaakgevoel ziek.

Ten vijfde: Lust en afkeer verduisteren het hart en maken dat de oorspronkelijke natuur vervliegt.

Deze vijf zijn de gevaren van het leven, en toch beschouwden Yang en Mih [45] die als het hoogste goed.

Ik noem dit niet het hoogste goed verkrijgen. Want als in zulke ellende opgesloten te zijn het hoogste goed verkrijgen moet heeten, dan kunnen duiven en uilen in hun kooien ook het hoogste goed verkregen hebben.

Buitendien, zichzelf van binnen vol te stoppen met neigingen en afkeeren en geluiden en kleuren, en zich van buiten mooi te maken met bonte mutsen, veêren hoeden, tabletten en gordels, (vanbinnen volgepropt met allerlei overbodigs en vanbuiten piekfijn van pracht) en dan nog te praten van ’t hoogste goed te hebben verkregen.... op die manier kunnen een misdadiger met zijn armen op zijn rug gebonden en zijn vingers in de duimschroef, of een tijger of een luipaard in hun kooi óók het hoogste goed hebben verkregen.

(Uit Hoofdstuk XVIII)

Toen Chuang Tsz’s vrouw stierf kwam Hui Tsz’ om hem rouw te betoonen. Chuang Tsz’ was toen juist bezig, op den grond met rechtuit gespreide beenen op een schaal te trommelen, terwijl hij er bij zong.

Hui Tsz’ zeide: „Met een vrouw te leven, Uw oudsten zoon te zien opgroeien en dan als haar lichaam sterft niet te weenen, dat is al genoeg, naar ik meen, maar dan nog op een schaal te trommelen en te zingen, is dat niet àl te erg?”

Chuang Tsz’ antwoordde: „Zóó is ’t niet. Toen zij pas gestorven was en ik alleen bleef, hoe kon ik toen anders dan bedroefd zijn? Maar toèn ben ik gaan nadenken dat zij vroeger geen leven had, niet alleen geen leven, maar (zelfs) geen vorm, niet alleen geen vorm, maar (zelfs) geen fluïde. In dien oer-toestand werd, door de kosmische transformaties fluïde gegeven, toen vorm, en toen geboorte. Thans, door wederom transformatie, stierf zij. Dit is gelijk de gang der vier jaargetijden, lente, zomer, herfst, winter.

„En nu, terwijl zij rustigjes slaapt in het Groote Huis (van Tao) te gaan huilen en jammeren, zou zijn het niet begrijpen van deze goddelijke wet. Daarom onthoud ik mij.”

(Ibid.)

Lieh Tsz’, toen hij op reis was, zat te eten langs den weg, toen hij een eeuwenoud doodshoofd zag. Hij plukte een rietje af en zeide, het aanwijzende: „Alleen gij en ik weten hoe nog nooit bewezen is dat dood of leven bestaan”.

(Uit Hoofdstuk XXII)

Schitterend Licht vroeg Niet-Zijn „Bestaat gij, Meester, of bestaat gij niet?” Schitterend Licht kreeg geen antwoord en trachtte de gedaante van Niet-Zijn te zien.

.... Diepte.... Leegte....

Den ganschen dag keek hij uit maar zag niets, luisterde maar hoorde niets, greep er naar maar kreeg niets.

„Dat is ’t toppunt” zei Schitterend Licht. „Wie kan hier aan toe komen? Ik kan er in komen dat er Niet-Zijn is, ik kan er niet in komen dat Niet-Zijn er niet is. Als Niet-Zijn bestaat, hoe kan het dan tot het bestaan van dit (Niet Niet-Zijn) komen?

(Uit Hoofdstuk XII)

De Gele Keizer reisde ten Noorden van het Roode Water en besteeg de K’un Lun bergen. Naar het Zuiden terugkeerende verloor hij zijn mystieke parel.

Hij gebruikte Weten om haar terug te vinden, maar kreeg haar niet. Hij gebruikte Magie om haar terug te vinden maar kreeg haar niet. Hij gebruikte Uiterste Kracht om haar terug te vinden maar kreeg haar niet.

Toen gebuikte hij Niets [46]. En Niets kreeg haar.

En de Gele Keizer zeide: „Hoe vreemd! Niets kreeg haar terug!”

(Uit Hoofdstuk XX)

(De filosoof I Liao zeide tot den vorst van Lu:)

Het is ons mensch-zijn dat ons belemmert, het is het mensch-zijn in anderen dat ons verdriet geeft. Daarom had (keizer) Yau dit mensch-zijn niet en zag het niet in anderen. Ik zou wenschen die belemmering en dat verdriet van U weg te hebben en U eenzaam in Tao in het oneindige rijk aan Niets te doen zweven.

Veronderstel dat een boot een rivier oversteekt en een leege boot komt er mede in botsing. Zelfs een prikkelbaar man zou dan niet boos worden. Maar als er iemand in die boot was zou het geschreeuw geven om uit te wijken. Als de andere ’t niet hoorde zou er voor de tweede en voor de derde maal geschreeuwd worden en dan zouden er stellig woedende woorden vallen. In ’t eerste geval was er geen boosheid, maar nù wel; omdat in ’t eerste geval de boot ledig was maar nù was er iets in. Als de mensch óók ledig kan zijn en zóó door de wereld zweven, wie kan hem dan schaden?

(Uit Hoofdstuk XXII)

(Over concentratie:)

Toen Confucius naar (den staat) Ch’u ging kwam hij door een bosch waar hij een bochel krekels zag vangen alsof hij ze zóó maar met zijn hand greep.

Confucius zeide: „Wat is dat knap! Is daar een Weg voor?” De bochel antwoordde: „Ik heb er een Weg voor. In de 5e en 6e maand oefen ik mij door twee ballen op elkaar in evenwicht te houden. Als zij niet vallen mis ik niet veel krekels. Als ik er drie op elkaar in evenwicht houd mis ik er maar één op de tien, en als ik er vijf zoo kan houden kan ik ze als ’t ware zóó met mijn handen pakken. Ik rust dan in mijn lichaam alsof ’t een boomstam was, en mijn armen doode takken. Al zijn Hemel en Aarde om mij, en de Veelheid der dingen, ik weet alleen maar van krekel-vleugels af. Ik keer mij niet om, ik ga niet terzijde, ik heb niets met de duizenderlei transformaties der dingen te maken, en hoe kan ’t dan anders of ik moet die krekel-vleugels pakken?”

Confucius zag om en zeide tot zijne discipelen: „Richt Uw Wil op één ding en Uw geest wordt geconcentreerd. Hierdoor komt het succes van dezen bochel”.

(Uit Hoofdstuk XXII)

Weten reisde noordwaarts, over het Mysterieuze Water, en over den Duister-Diepen Berg en ontmoette Doe-Niets Zeg-Niets, dien hij vroeg: