Part 13
De opeenhooping van boeken in bibliotheken is fabelachtig. De klassieke collectie van keizer Kien Lung (1736–1796) bevatte alleen 105.000 werken, en de catalogus er van geeft 1450 commentaren op de „Yih King” en 303 encyclopaedieën. De bekende „Catalogus der Vier Bibliotheken” bestaat uit 112 octavo deelen, van elk 300 paginas, en bevat een overzicht van 20.000 werken. Zooals Samuel Johnson terecht zegt van de ontzachelijke hoeveelheid Chineesche boeken in beroemde bibliotheken: „It is Chinese immortality, this Phoenix of letters. It is the analogue of Western science, as entire persistence of force”. Vijf groote brand-catastrophes hebben de literaire schatten van 3000 jaar niet kunnen vernietigen. Keizer Chi Hwang Ti (259–210 v. C.) gaf last, om alle klassieke boeken te verbranden, ten einde met hèm een nieuwe geschiedenis en een nieuwe literatuur te doen beginnen, en vervolgde met de vreeselijkste straffen hen, die tóch nog boeken in hun bezit hadden. Desniettegenstaande is er nog een schat van die oude literatuur overgebleven. Chineesche encyclopaedieën hebben een omvang, waar de groote Europeesche klein bij gelijken. Een der beroemdste bevat uittreksels van 1700 werken en bestaat uit 1500 deelen.
Keizer Khang Hsi (1662–1723), die de groote standaard-dictionaire der Chineesche taal uitgaf, schreef 176 boeken „Literaire Uitspanning” en 289 gedichten. Keizer Kien Lung compileerde eene verzameling van 34000 gedichten uit werken, enkel loopende over het tijdvak zijner eigen regeering. Om de bovengenoemde dictionaire te kunnen uitgeven zette keizer Khang Hsi 80 geleerden-literatoren aan ’t werk gedurende zeven jaren.
Wij kunnen ons in Europa geen denkbeeld maken van de overgroote eer, die in China aan de literatuur en aan groote literatoren wordt bewezen. Terecht vergelijkt een Amerikaansche schrijver dat met een godsdienst. Het is een feit dat, nù nog, in China literaire ontwikkeling meer op waarde wordt geschat dan rijkdom, en dat een groot literator er, ook in socialen zin, veel hooger in eere staat dan een millionair. In zekeren zin is de literator in China wat de Brahmaan in ’t oude Indië was, hoewel in maatschappelijken zin anders.
Een der grondvesten voor universeele opvoeding is een werk van keizer Khang Hsi „Shêng Yü”, het Heilig Edict, dat om de 14 dagen, met de commentaren daarop van keizer Yung Ching, in ’t openbaar in de steden wordt voorgelezen. [60]
Hoewel de zeer groote hoeveelheid Chineesche karakters, waarvan de kennis noodig is om alle klassieke werken te lezen, zooals ik zeide, een beletsel is dat voor de groote massa van het volk die werken ontoegankelijk maakt, kan toch zoo goed als iedere Chinees wel degelijk die karakters lezen, die te pas komen bij zijn handel of levensonderhoud. In dat opzicht staat het Chineesche volk uit de laagste kringen zelfs hooger dan dat uit de laagste Europeesche. Het is veelvuldig in Europeesche consulaten in China voorgekomen, dat, bij het afleggen van verklaringen, Europeesche matrozen, analphabeten zijnde, met een kruisje moesten teekenen, terwijl Chineesche zonder moeite hun naam in ’t Chineesch konden teekenen. En—óók geheel anders dan bij de laagste standen van Europeesche volken—tot in de laagste lagen der Chineesche maatschappij is bij het volk de eerbied voor literaire ontwikkeling ingeworteld.
Het is een zeer gewoon verschijnsel dat een eenvoudige sampan-roeier of ricksha-koelie met groote opoffering van zijn zuur verdiende penningen spaart om toch maar zijn zoon een literaire opvoeding te kunnen geven.
Trouwens het feit dat het Chineesche karakter „wên”, dat „schriftteeken” beteekent, tevens het begrip „beschaving” uitdrukt, spreekt al voor de hooge eer, waarin de literatuur in China staat. Beschaving is er zonder literaire en filosofischen aanleg niet denkbaar.
Dat zóó China’s toekomstige cultuur van aard blijve is de hoofdzaak en véél gewichtiger dan dat zij westersche economie en wetenschap aanvaardt.
Zeer terecht heeft Rev. Paul Bergen geschreven: [61] „Het is te hopen dat de tegenwoordige generatie niet door de fascinatie van het nieuwe ertoe zal geleid worden om hun oude literatuur te veronachtzamen, daar ze hun grootste glorie is, streng in stijl, verheven van toon, een pure zedelijkheid leerende en idealen ophoudende van politieke wijsheid en van heiligheid van het familieleven”.
In het jong-Chineesche tijdschrift „The Republican Advocate” las ik het volgende: „The danger in China to day is not that she will lack the proper quota of men to develop her agriculture or mines, but the tendency to lose the higher and divine religious instincts”.
Men vervalle niet in de dwaling te denken, dat de zoogenaamde „hervorming” in China, het aanleeren der westersche wetenschap en toepassen van westersche uitvindingen, voor China per se moet beteekenen het wegwerpen van haar oude wijsheid en levensbeschouwingen. Dit zal evenmin met China het geval worden als het met Japan het geval geweest is. Dr. Chen Huan Chang, in zijn reeds meermalen aangehaalde boek „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt uitdrukkelijk, hoe dit boek bedoeld is „as a manual for Modern China in its struggle with the Occident, showing how it must revive the old ways of the most ancient ancients”. Men begrijpe dit goed: dit alles met aanpassing aan de moderne tijden, en met beoefening van westersche wetenschap, toepassing, voor zoover mogelijk van westersche economische systemen, staatkundige instellingen, enz. enz.
Ik durf het met zekerheid voorspellen: ook in het moderne China van over honderden jaren, dat géén onzer zal beleven, zal de Geest van China dezelfde zijn gebleven als die, waarvan ik in dit boek de schoonheid en wijsheid heb trachten te geven.
Ik kan niet nalaten hier even aan te halen, wat Ku Hung Ming zegt van de nooden van China:
„Daarom behoeven dingen, zooals Yuan Shih Kai en Dr. Morrison ze voor China willen: zooals kolen, ijzer, goedkoope zeep, goedkoope tramwegen, draadlooze telegrafie—dingen die Goethe het „nuttige” noemt—geen bizondere bevordering. Maar dingen, zooals de gestorven Keizerin-Weduwe ze voor China wilde: de schoonheid van haar zomerpaleis, de gesprekken („Loen Yü”) van Confucius, de Chineesche poëzie en zelfs de „achtdeelige opstellen” [62], dingen die Goethe „het schoone” noemt, moeten bevorderd worden. Zonder dat schoone bestaat er geen voornaamheid van karakter en de arbeidskracht van een volk wordt zooals wij gezien hebben, misbruikt tot gemeen en verkwistend gebruik. Als de arbeidskracht zoo misbruikt wordt, dan zijn comfort, pracht en luxe van het leven van iedere gemeenschap en iederen staat als de appelen van het doode meer van Sodom en Gomorrha, glanzend van buiten, maar achter de huid vol van bitterheid, verwezenheid en dood”.
Dit is de reden, waarom China zich zoo lang niet aangetrokken kon voelen tot de zoogenaamde beschaving van Europa, wier hoogste doel haar toeleek te zijn: materieele welvaart, leidend tot wat Ku Hung Ming noemt: eene onvoorname en verkwistende verbruiksaanwending, de productie van luxe-voorwerpen en middelen tot gemak en leegen schijn. De nieuwe maatschappelijke wetenschap van Europa leek dezen Chinees toe te leeren, dat de grond-voorwaarde voor een mensch succes in het leven was, en dat de grootte van een natie lag in ’t hebben van rijkdom, macht en materieel geluk. Dit was in flagranten strijd met de leer van Confucius, dat menschen en naties hun hart niet op rijkdom, macht en materieele welvaart zullen vestigen.
De Confucianistische principes zijn niet alleen verplichtend voor het leven van den enkelen mensch maar ook voor volken.
Ook het zoo hooggeroemde „intellect”, dat soort althans, wat Ku Hung Ming zoo treffend „vossen-verstand” noemt „zonder fijnheid en teederheid”, waarop het Westen in zijn materieele cultuur zoo trots is, kon geen aantrekking hebben voor den Chinees, die het fijne en teedere hooger stelde dan de luxe en het gemak.
Voor de Chineezen is de „Europeaniseering” van China geruimen tijd gelijkduidend geweest met het instroomen van gemeenheid en leelijkheid, en zij vonden de ethische en aesthetische armoede van Europa véél erger dan de materieele armoede en de economische wanorde van China. Ik heb een Chinees onlangs van den tegenwoordigen wereld-oorlog hooren zeggen: ziehier nu de uitkomst van uw hooggeroemde economische „Orde!”
De Geest van China voelt intuïtief dat hij zou ondergaan, en dat dus China zou ondergaan, als enkel materieele welvaart het hoogste doel van China’s beschaving zou worden. Want de kostbaarste schatten van China, van de grijze oudheid af, zijn geestelijke, en geen materieele geweest. En wat de economie aangaat, zooals ik al in het hoofdstuk over Confucius heb aangegeven, China kan de zoo hooggeroemde economische toestanden en wetenschappen van Europa niet onverdeeld bewonderen, zoolang economie er niet synoniem is met ethica. Ook de territoriale expansie is geen ideaal van China. Er is geen ander volk dan het Chineesche in de wereld-geschiedenis bekend dat zulk een overwicht heeft gehad in stoffelijke kracht zonder den schrik te worden van zwakkere naties. Zooals Johnson zoo terecht opmerkt, China heeft er de voorkeur aan gegeven Arbeid en Literatuur te onderwijzen, en haar eigen overwinnaars, als b.v. de Mandsjoes, te bekeeren tot vreedzame ondernemingen.
Het met de geschiedenis van China onbekende publiek verkeert over ’t algemeen in de meening, dat de Geest van China een isoleerende is, dat China altijd huiverig is geweest voor aanraking met vreemde landen en volken, en als een slak in zijn huis kroop bij de minste aanraking van buiten.
Precies het tegendeel is waar. De Chineezen hebben juist meer aanraking en omgang met vreemde naties gehad dan eenig ander Aziatisch ras. Zooals Mc Culloch schreef zijn de Chineezen „een uiterst commercieel volk, en het idée van hun verachting voor vreemdelingen is ten zeerste ongegrond. Nergens kunnen scheepsladingen met meer business-like activiteit worden gekocht en verkocht, ingeladen en uitgeladen als in Canton”. Ampère constateert, dat, duizend jaar geleden, de uiterste lijn van hun aanrakingsgrenzen de westelijke grenzen van Azië bereikte. Pauthier verhaalt, hoe in Fransche archieven diplomatieke bescheiden gevonden worden van den kleinzoon van den Mongoolschen Dzjengis Khan aan Philips den Schoone. Gedurende de Tartaren-dynastie bezochten aanzienlijke Mongolen Rome.
Peter de Groote zond agenten naar Peking om daar de wetenschap van regeerings-systemen te leeren, en de kunst van bouwen, zooals Pollas en Klaproth [63] vermelden. In Tartarije leefden eeuwen geleden Russen, Hongaren en zelfs Vlamingen, en een Tartaar was contractant voor helmen in het Fransche leger. Ampère verhaalt, hoe Mongoolsche cavalerie werd aangeboden voor de verovering van het Heilige Graf gedurende de kruistochten, en bewoners van Genua, Pisa en Venetië hebben eeuwen geleden door Chineesch Centraal-Azië gereisd. Er is geen enkele oostersche godsdienst of filosofie, die niet onbelemmerd in China haar intrede gedaan heeft, en geen naburige taal, waaruit geen vertalingen in ’t Chineesch zijn gemaakt. Een schat van Boeddhistische literatuur, waarvan de origineelen in het Pali en Sanskriet verloren zijn gegaan, is in ’t Chineesch bewaard gebleven, en men kan gerust zeggen, dat zonder deze Chineesche vertalingen volledige studie van het Boeddhisme onmogelijk zou zijn geweest. Omgekeerd is er geen naburige taal, waarin de Chineezen hun eigen taal niet vertaald hebben.
Het is eerst sedert de agressie van Europeesche zijde, eene agressie, waaraan de christelijke zending groote schuld heeft, dat de geslotenheid voor het Westen begonnen is. Het waren zijn heiligste goederen, die China er mede tegen de indringende materieel-intellectueele westersche beschaving verdedigde, en het isolement is eerst begonnen in de latere jaren der Mandsjoe-dynastie. Tegen het Christendom als zoodanig heeft China nooit vijandig gestaan, enkel tegen het agressieve drijven en de bemoeizucht van zendelingen, dien zij, niet geheel ten onrechte, als de geheime politieke agenten beschouwde van hebzuchtige vreemde regeeringen, tuk op annexatie en exploitatie.
Ik heb in dit boek, dat aan een’ zekeren omvang gebonden is, niet de gelegenheid, uitvoerig te behandelen de groote „up and down” bewegingen in de Chineesche gedachte en het Chineesche voelen, gedurende de eeuwen van China’s beschaving, die ten duidelijkste het in Europa ingeroeste idee weerspreken, als zou de Chineesche cultuur altijd conservatief dezelfde, en als een stagneerend water zijn geweest. Zeer aan te raden, om van dit absoluut verkeerde denkbeeld te genezen, is de lezing van Prof. E. Fenollosa’s „Epochs of Chinese and Japanese Art”, waarin de verschillende tijdperken en stroomingen van de Chineesche kunst niet alleen, maar ook de in onverbreekbaar daarmede in verband staande Chineesche gedachten en gevoelens op schitterende wijze zijn beschreven. Ik haal hier kortheidshalve de volgende woorden van Fenollosa aan:
„Het zal zeker een vreemd ding zijn voor Europeesche geleerden en een publiek, dat gewoon is Chineesche cultuur gedurende drie duizend jaren als een Doode Zee-niveau van uniformiteit te beschouwen, om de woorden te lezen van mannen, die onder de Noordelijke Soeng-dynastie hoopvolle woorden schreven als die van den artiest-criticus Kuo-Hsi, die beweerde dat: „het is de echte natuur van den mensch om al wat oud is te verafschuwen en zich vast te klemmen aan wat nieuw is”. De geheele omvang van de Soeng-cultuur is een immens pakhuis vol documenten, die aantoonen dat de Chineesche menschheid die drie eeuwen lang gebouwd heeft op wat wij geneigd zijn laag te schatten als zijnde niet-Chineesch”.
Dit klinkt eenigszins anders dan de uitspraak van Prof. J. J. M. de Groot, die openlijk de enormiteit durfde doen drukken, dat het Chineesche ras „is stamped for ever with the total incapacity to rise to a higher level of mental culture”.
Het bijna tragische in de droevige figuur van dezen geleerden sinoloog—geleerd hier vooral te nemen in den zin van taal-geleerd—is dat hij, zonder eenigen filosofischen aanleg, en zonder de minste intuïtie voor metaphysiek, aan de sereene, diepzinnige Wijsheid van China is voorbijgegaan als een kruidenier voorbij een tempel vol symbolen, die hij „gek” en „casueel” vindt, zonder een vaag idee van de geweldige beteekenis. Het dolzinnige idee, dat een geleerde, die een bolleboos is in een Oostersche taal, enkel daardoor ook per se bevoegd is, over oostersche filosofie mede te spreken, zal helaas nog wel een tijd lang in onze academische faculteiten ingeroest blijven. [64]
Hetgeen men uit Fenollosa’s boek leeren kan, is de stijging en daling der Chineesche beschaving gelijktijdig met de Chineesche kunst. Die kunst—en ook die cultuur—maakt haar eerste, nog in ’t duister liggende stijging in het eerste gedeelte van het derde millenium vóór Christus, rijst tot haar eersten golf van kracht met de Shang-dynastie, omstreeks 1800 v. C., tot haar tweeden met de Chow-dynastie, omstreeks 1100 v. C., zij doet haar derde en krachtiger scheppende poging met de Han-dynastie in de 2e eeuw vóór Christus, dan, na een tusschenpauze, stijgt zij langzaam en machtig tot haar hoogtepunt onder de Th’ang-dynastie in de 8e eeuw, en later weer tot een niet minder verheven glorie-periode onder de Soeng-dynastie, in de 11e en 12e eeuw, om dan weder langzamerhand te dalen en te dalen, tot den tegenwoordigen toestand van zwakheid.
Men ziet, ik erken hiermede, dat de Chineesche cultuur van tegenwoordig op een aanmerkelijk lager niveau is gekomen dan in de Oudheid. De ontaarding en het bijgeloof, in Prof. De Groots dikke folio’s zoo fijn uitgeplozen, zijn kenteekenen van deze daling.
Maar daarmede is de Geest van China niet uitgedoofd, hij leeft nog steeds, en de tegenwoordige hervorming, de groote beroeringen, die thans plaats hebben, wijzen op een nieuwe periode van stijging. Een nieuwe tempel zal in China in de komende tijden, na groote stormen en beroeringen, worden opgetrokken, maar de grondslag van dien tempel zal de Oude Wijsheid zijn, waarin de Geest van China eeuwig leeft.
Scheveningen, 6 April 1916.
LIJST VAN DE VOORNAAMSTE WERKEN DOOR MIJ GERAADPLEEGD BIJ HET SCHRIJVEN VAN „DE GEEST VAN CHINA”: [65]
Dr. Chen Huan Chang. The Economic Principles of Confucius and his School.
Ku Hung Ming. Chinas Verteidigung gegen Europäische Ideen.
Prof. E. Fenollosa. Epochs of Chinese and Japanese Art.
Raphaël Petrucci. La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême Orient.
Raphaël Petrucci. Kie Tseu Yuan Houa Tchouan.
Dr. Curt Glaser. Die Kunst Ost-Asiens.
Samuel Johnson. Oriental Religions and their Relation to Universal Religion. China.
Herbert A. Giles. Introduction to the History of Chinese Pictorial Art.
E. J. Eitel. Fung Shui.
Martin Buber. Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse.
Lafcadio Hearn. Gleanings in Buddha Fields.
Ost-Asiatische Zeitschrift (l’Extrême Oriënt—The Far East.)
VERTALINGEN
blz. 22. „Bij de studie van Chineesche klassieke boeken is het niet zoozeer de vertaling van de karakters, door den schrijver gebruikt, die er op aankomt, als wel het aandeel in de gedachten; er is het zien van geest tot geest”.
blz. 27. „Deze dichtkunst richt zich tot oor en oog op gelijke wijze”.
blz. 70. „Wij hebben een dynastie onttroond, die den Geest der Oudheid verloren had, en te midden van de ruïnen der revolutie, zullen wij, hoop ik, een nieuwen tempel weder opbouwen op de Wijsheid der Ouden”.
blz. 76. „De eenvoud en universeelheid van natuurlijke wetten”.
blz. 80. „een gouden ketting van geestelijk leven loopende door iederen vorm van bestaan en, als in één levend lichaam, samenbindend alles dat bestaat in den hemel boven en op de aarde beneden”.
blz. 90. „Ahnungen” = voorgevoelens.
blz. 91. „Jenseits” = generzijds.
blz. 97. „Wirken aus ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit” = Werken uit ongescheiden, tegenstelling-looze, van vrede omgeven Eenheid.
blz. 97. „the doctrine of action without attachement” = de Leer van handeling zonder er zich aan te hechten.
blz. 121. „het open geweten van het volk, waar alle plichten bloot worden gelegd voor de Wijsheid en Orde der wereld, opgesloten in deze Vereerden.”
blz. 130. „met één streek”.
blz. 131. „Men gaat uit van een heel gemakkelijk bereikbare étagère-curiositeit, van welker houding, beweging, bouw zich een doordringende bekoring losmaakt, en men eindigt met, achter het geschilderde of gebeeldhouwde werk, de magische visie van het heelal te ontdekken”.
blz. 154. „De Geschiedenis der Kunst laat eveneens ter zijde liggen de buiten-europeesche kunsten, de Mohammedaansche kunst, de Chineesche kunst, de Japansche kunst”.
blz. 154. „Als ik niets zeg, noch van de kunst van Indië, noch van die van China, dan is dat omdat de hooge oudheid die men haar toeschrijft een illusie is. Indië heeft geen kunst gehad vóór het tijdvak van Alexander den Groote en wat de Chineesche kunst betreft, zij is pas begonnen haar meesterstukken voort te brengen in den loop der Europeesche middeneeuwen”.
blz. 155. „De triomf van den Geest over de Stof”.
blz. 163. „Het is Chineesche onsterfelijkheid, deze Feniks van Letteren. Het is de analogie van Westersche wetenschap, als algeheele overblijving van kracht.”
blz. 165. „Het gevaar in China van heden is niet dat het de juiste hoeveelheid mannen zal missen om zijn landbouw en mijnen te ontwikkelen, maar de neiging om de hoogere en hemelsche godsdienstige instincten te verliezen”.
blz. 165. „Als een handleiding voor Modern China in zijn strijd met het Westen, toonende hoe het de oude wegen van de oudste ouden weer moet doen herleven”.
blz. 170. „voor altijd gebrandmerkt is met de totale onbekwaamheid om tot een hooger niveau van verstandelijke beschaving op te rijzen.”
INHOUD
Bladz.
INLEIDING V DE GEEST VAN CHINA 1 DE TAAL VAN CHINA 6 CONFUCIUS 20 DE TOEKOMSTDROOM VAN CONFUCIUS 50 MENCIUS 64 DE „YIH KING” 70 LAO TSZ’ EN DE TAO TEH KING 90 CHUANG TSZ’ 106 DE VOORVADEREN-DIENST 116 CHINEESCHE KUNST 124 NABETRACHTING 158 LIJST VAN GERAADPLEEGDE WERKEN 173
ILLUSTRATIES:
Confucius 19 De drie Stichters 144
AANTEEKENINGEN
[1] Verschenen in de „Wereld-Bibliotheek”.
[2] „Epochs of Chinese and Japanese Art”. London. W. Heinemann. 1912.
[3] „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême-Orient”. Paris. H. Laurens.
[4] Het Chineesche woord „hoá” evenals ’t Japansche „kaku” beteekent dan ook zoowel teekenen als schrijven.
[5] Uit Prof. G. von der Gabelentz: „Anfangsgründe der Chinesischen Grammatik”.
[6] Language and Significs, by Lady Welby.
[7] Zie zijn „Oriental Religions, and their relation to Universal Religion. China”.
[8] In zijn „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan” Leiden E. J. Brill.
[9] Hans Bethge: „Die Chinesische Flöte”. Leipzig. Insel-Verlag.
[10] Uit te spreken „Tsoeng”.
[11] Zie bladz. 30.
[12] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.
[13] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.
[14] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.
[15] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.
[16] Ta Hioh Inleiding 4.
[17] Ta Hioh Inleiding 5.
[18] Ta Hioh Inleiding 6.
[19] Ta Hioh Inleiding 7.
[20] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.
[21] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.
[22] Ta Hioh Hoofdstuk X 6.
[23] Ta Hioh Hoofdstuk X 7.
[24] Ta Hioh Hoofdstuk X 8.
[25] Dit voorbeeld wordt ook door Dr. Chen Huan Chang aangehaald in zijn „The Economic Principles of Confucius and his School”.
[26] Th’ien overal in dit werk uit te spreken als: Th’jen.
[27] L. J. Veen, Amsterdam, en als „The New China” bij Fisher Unwin, London.
[28] De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius den echten volksman.
[29] Zie het Hoofdstuk over Confucius.
[30] In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ „Choeng Yoeng”.
[31] Zie het Hoofdstuk over Confucius.
[32] Ik stel mij voor, later een apart werk over de „Yih King” en dus de ontwikkeling der „kwa’s” te geven. In één hoofdstuk is dit onmogelijk.
[33] „Tienduizend” is hier eene uitdrukking voor „alle”.
[34] Uit „S. Wells Williams: A Syllabic Dictionary of the Chinese Language”.
[35] Okakura in zijn „Geest van Japan” vertaalt het door „stof-element”, m. i. ten onrechte, en tot verwarring aanleiding gevend. Eitel, in zijn „Fung Shui” noemt het „the breath of nature”.
[36] Dit „Li” wordt op dezelfde wijze uitgesproken als het „Li” dat decorum en ceremonieel beteekent, maar met een ander schriftteeken geschreven.
[37] Niet alle hoofdstukken zijn hier in hun geheel door mij gegeven doch fragmenten er uit.
[38] Uit te spreken: Woe.
[39] Dit is zeer belangrijk daar het Tao erkent als over en vóór den God van dit geopenbaarde Heelal.
[40] Hoe zuiver boeddhistisch deze taoïstische tekst is zal een ieder opmerken.
[41] R. K. Douglas: Confucianism and Taoism.
[42] Ook op eene verwording der „Yih King”-leer is dit Taoïsme gebaseerd.
[43] Evenals voor Shang Ti, ’t opperwezen, abstract, later, in meer concreet begrip, ook door Confucius, Th’ien, de Hemel gebruikt wordt, gebruikt hier Chuang Tsz’ voor Tao ’t meer concrete begrip Th’ien, Hemel, hetgeen juist in dezen tekst jammer is.
[44] Wij denken hier aan Herbert Spencer: „De antithese van subject en object, waar wij nooit boven uit komen zoolang ons bewustzijn duurt, maakt onmogelijk alle wetenschap van de opperste Realiteit, waarin subject en object vereend zijn” (Principles of Psychology, p. 272).
[45] Figuren uit de Chineesche Oudheid.
[46] Men merke op dat er alleen staat dat hij „Niets gebruikte”, maar dat er dit keer niet bij staat „om haar terug te vinden”.