Part 8
De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder 't schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.
De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.
Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, die sedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.
Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. 't Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en 't was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.
Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.
Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.
Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VOET VOOR VOET.
Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.
Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was 't gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.
Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. 't Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.
Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: "Nadert niet!" en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn, de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: "Er is slechts één open deur. Deze." Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.
Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: "Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden."
Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.
De soldaten, 't moet gezegd worden, waren vol toorn.
De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en 't was een dergelijk valsch gerucht, 't welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.
Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:
"Laten wij ons leven duur verkoopen."
Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. 't Was die van den grijsaard.
Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.
't Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.
Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: "Capituleert," antwoordde Palafox: "Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes." Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. 't Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.
't Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. 't Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meer naar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.
't Was de heldenmoed tot monster geworden.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ORESTES NUCHTER EN PYLADES DRONKEN.
Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van 't overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in 't gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. 't Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:
"Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood."
"Ja, schiet mij dood," zei Enjolras.
Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.
De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijke vier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. 't Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: "Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen."
Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: "'t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten."
Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.
Toen riep een sergeant: "Legt aan!"
Een officier trad tusschenbeiden.
"Wacht!"
En zich tot Enjolras wendende:
"Wilt ge, dat men u blinddoeke?"
"Neen."
"Is 't waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?"
"Ja."
Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.
Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.
Hij was in de volle beteekenis, wat men "smoordronken" noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op 't eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.--De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. 't Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armen uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.
De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.
In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter 't biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando "legt aan" te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:
"Leve de republiek! Ik behoor er toe."
Grantaire was opgestaan.
De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.
Hij herhaalde: "Leve de republiek!" ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.
"Doodt er twee met één schot!" zeide hij.
Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:
"Veroorlooft gij 't mij?"
Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.
De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.
Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.
Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.
Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.
Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen zij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.
De barricade was ingenomen.
De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
GEVANGENE.
Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.
De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.
Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. 't Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.
Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.
De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.
Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte in de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. 't Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.
Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.
De toestand was vreeselijk.
Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. 't Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in 't oog hielden. 't Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.
Wat te doen?
Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.
En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo 't slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.
Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.
Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd, zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in 't vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.
Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.
Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.
Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, 't was Marius.
Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
BOEK II.
DE INGEWANDEN VAN DEN LEVIATHAN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE AARDE DOOR DE ZEE VERARMD.
Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs in het water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen.
Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, 't welk de waardeering van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert.