De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 7

Chapter 73,778 wordsPublic domain

In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren--dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.

Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In 't midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; 't is verschrikkelijk!

De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, 't geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: "De verwoede gematigden." Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.--Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des te erger voor hen. Zij hebben 't zich zelven te wijten en verdienen het. 't Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. 't Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.--En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.

Wien moet men beschuldigen?

Niemand en iedereen.

De onvolkomen tijden, welke wij beleven.

't Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.

Maar is het wel ondankbaarheid?

Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.

Neen, uit dat van het individu.

De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.

God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.

Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over 't algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende toeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.

Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.

Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.

Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, 't welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.--Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.

Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood--iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft met het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.

Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is 't ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.

Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.

Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.

Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.

Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In 't algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; 't is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.

Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaan zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.

Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.

Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.

Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.

Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, 't was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.

Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijk en verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.

Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa's, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.

Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.

Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.

Omdat het kunstenaar is.

Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, 't welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken! Vitai lampada tradunt.

Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.

Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.

De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.

Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.

Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.

Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszin een aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.

Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.

Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.

Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. 't Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel "de vooruitgang" is.

De vooruitgang!

Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.

Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HELDEN.

Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.

De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa's, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.

De muur bleef staande.

De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.

De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.

Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.

Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.

De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.

Courfeyrac was blootshoofds.

"Wat hebt ge met uw hoed gedaan?" vroeg Bossuet.

"Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten," antwoordde Courfeyrac.

Of zij hielden trotsche redenen.

"Begrijpt ge," riep Feuilly bitter, "die mannen"--(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) "welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten."

Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:

"Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte."

Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.