Part 6
Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: "Ik heb honger."
Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.
Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer de hekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.
De twee arme kinderen zagen den "heer" naderen en verscholen zich nog meer. 't Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven "van alle uitspattingen te vermijden." Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.
Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.
In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, 't geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.
Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:
"De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over."
Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.
"Wat is dat?" vroeg het knaapje.
De vader antwoordde:
"'t Zijn Saturnaliën."
Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.
"Dat is het begin," zeide hij.
Na eenig zwijgen voegde hij er bij:
"De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen."
Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.
"Waarom schreit ge?" vroeg de vader.
"Ik heb geen honger meer," antwoordde het knaapje.
De glimlach des vaders kwam meer uit.
"Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten."
"Mij lust die koek niet; ze is oudbakken."
"Ge wilt hem niet?"
"Neen."
De vader wees hem de zwanen.
"Werp hem den zwanen toe."
De knaap aarzelde. 't Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.
De vader hernam:
"Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben."
En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.
De koek viel dicht aan den kant van 't water.
De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.
De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.
Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.
"De zwanen begrijpen de seinen," zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.
In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. 't Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.
De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.
"Keeren wij naar huis," zei de vader. "Men bestormt de Tuilerieën."
Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:
"Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen."
Hij zag naar de wolk.
"Misschien zal 't ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis."
"Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten," zei het knaapje.
De vader antwoordde:
"'t Zou onvoorzichtig zijn."
En hij voerde zijn kleinen burger mede.
De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.
Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.
Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.
Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.
Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in 't water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:
"Ziedaar, stop dit in uw maag."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
DE DOODE VADER WACHT DEN STERVENDEN ZOON. [7]
Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.
"Helaas!" dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.
Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.
Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.
Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius' hoofd mede.
Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.
Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.
Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.
Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.
"Een rare zonderling," zei Combeferre zacht tot Enjolras. "'t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!"
"'t Geen niet belet dat hij ze verdedigt," antwoordde Enjolras.
"Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen," hernam Combeferre.
En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:
"Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf."
Het verdient opmerking, dat het vuur, 't welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: "Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden." Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.
Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: "Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken." Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen, zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op 't hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE GIER PROOI GEWORDEN.
Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van 't geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.
Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.
In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.
Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; 't is meer en 't is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; 't was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende diepten aanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.
Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.
Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.
"'t Is middag," zei Combeferre.
Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:
"Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in 't geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen."
Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. 't Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.
Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den "halsstrik" noemde.
Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.
Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.
"Wie zal ze drinken?" vroeg Bossuet.
"Zij," antwoordde Enjolras.
Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.
De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.
Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.
Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.
Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.
Hij zeide tot Marius: "Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op."
Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.
Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:
"De gekwetsten moeten niet gedeerd worden."
Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.
"Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?"
"Ja," zeide Feuilly.
"Hoeveel?"
"Twee bijlen en een houweel!"
"Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?"
"Vier-en-dertig."
"Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben."
Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:
"Ik vergeet u niet."
En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:
"De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen."
"Hier?" vroeg een stem.
"Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren."
Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.
Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:
"Zijt gij de kommandant?"
"Ja."
"Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt."
"In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u."
"Meent ge, dat ik een belooning verdien?"
"Zekerlijk."
"Welnu, dan verzoek ik ze."
"Welke?"
"Dat ik dezen man doodschiet."
Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:
"Juist zoo."
Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.
"Heeft niemand er iets tegen?"
Toen zich tot Jean Valjean wendende:
"Neem den spion."
Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.
Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.
"Geeft acht!" riep Marius van den top der barricade.
Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:
"Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik."
"Allen naar buiten!" riep Enjolras.
De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:
"Tot straks!"
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
JEAN VALJEAN WREEKT ZICH.
Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.
Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.
Jean Valjean had het pistool in de hand.
Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.
Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.
Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.
Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.
Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. 't Was Eponine.
Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:
"Mij dunkt, dat ik dit meisje ken."
Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.
Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:
"Javert, ik ben het."
Javert antwoordde:
"Neem nu uw wraak."
Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.
"Een mes!" riep Javert. "Gij hebt gelijk. Dat past u beter."
Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:
"Ge zijt vrij."
Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.
Jean Valjean hernam:
"Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l'Homme-Armé No. 7 woon."
Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:
"Pas op!"
"Ga," zei Jean Valjean.
Javert hernam:
"Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l'Homme-Armé?"
"Nommer zeven."
Javert herhaalde halfluid: "nommer zeven."
Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:
"Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!"
Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.
"Ga heen," zei Jean Valjean.
Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.
Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:
"'t Is verricht."
Inmiddels was het volgende gebeurd:
Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.
Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich den politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.
Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: "Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?"
't Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of 't werkelijk deze Javert was.
Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:
"Enjolras!"
"Wat?"
"Hoe heet die man?"
"Wie?"
"De politieagent. Kent ge zijn naam?"
"Ja. Hij heeft hem ons gezegd."
"Hoe heet hij?"
"Javert."
Marius richtte zich op.
Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.
Jean Valjean kwam terug en riep: "'t Is geschied."
Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE DOODEN HEBBEN GELIJK EN DE LEVENDEN GEEN ONGELIJK.
De doodsstrijd der barricade zou beginnen.
Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijn en wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.
Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.