Part 3
"Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.--Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionen hadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. 't Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, 't welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, 't geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van 't licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, 't is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan."
Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.
ZESDE HOOFDSTUK.
MARIUS VERWILDERD, JAVERT LAKONISCH.
Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.
Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.
Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.
Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.
Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: "ik ken hem."
Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, 't geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.
De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.
Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.
"Hebt ge aan iets behoefte?" vroeg hem Enjolras.
Javert antwoordde:
"Wanneer zult ge mij dooden?"
"Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig."
"Geef mij dan iets te drinken," zei Javert.
Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.
"Is dat alles?" vroeg Enjolras.
"Ik bevind mij slecht aan dezen paal," antwoordde Javert. "'t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals 't u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere."
En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.
Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.
Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw 't welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.
Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.
Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: "'t is zeer natuurlijk."
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE TOESTAND WORDT ERGER.
Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. 't Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straat St. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.
Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.
De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.
Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. "'t Is een vesting," zei Courfeyrac glimlachend, "maar tevens een muizenval."
Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.
Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.
Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.
Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.
Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandert zich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.
Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, 't welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. 't Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.
Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.
Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.
Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.
De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.
Een kanonstuk verscheen.
Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.
"Vuur!" riep Enjolras.
De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.
Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.
"Bravo, kanonniers!" riep Bossuet.
En de geheele barricade klapte in de handen.
Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.
"Nu aan 't werk!" riep Courfeyrac. "Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt."
"'t Is een achtponder, nieuw model en van brons," voegde Combeferre er bij. "Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stuk leggen."
"In de zestiende eeuw," merkte Bossuet op, "had men gegleufde kanonnen."
"Ja," antwoordde Combeferre, "dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon."
"Laadt opnieuw," zei Enjolras.
Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.
De angst was groot in de barricade.
Het schot ging af en donderde.
"Present!" riep een vroolijke stem.
Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.
Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.
Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.
De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, 't geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.
"Gaat zoo voort," riep Bossuet tot de artilleristen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE ARTILLERISTEN NEMEN HET ERNSTIG OP.
Men omringde Gavroche.
Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:
"Wat komt ge hier doen?"
"Wel," hernam de knaap. "En gij dan?"
En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.
Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.
Op strengen toon hernam Marius:
"Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?"
Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. 't Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.
"Burger," zeide hij, "ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben."
Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.
Hij moest zich met de helft van 't geen hij wilde tevreden stellen.
De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den heer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:
"Kent ge dien man?"
"Neen," zei Gavroche.
Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.
De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.
Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: "mijn geweer!"
Courfeyrac deed het hem teruggeven.
Gavroche verwittigde "de kameraden," zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.
Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:
"Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten."
Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.
De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.
Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.
Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.
"Bukt! Bij den muur!" riep Enjolras, "allen op de knieën langs de barricade!"
De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden dooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras' bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. 't Was werkelijk een schrootschot.
Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.
Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.
Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.
"Laat ons ten minste het tweede schot beletten," zei Enjolras.
Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.
Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, 't welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.
Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.