Part 27
"Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, 't is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. 't Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. 't Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mij gegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal 't mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. 't Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? 't Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. 't Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? 't Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. 't Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is 't oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit: elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, 't is mijn schuld niet, ik verzeker 't u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; 't verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge."
Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.
Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.
De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.
ZESDE HOOFDSTUK.
HET GRAS VERBERGT EN DE REGEN WISCHT UIT.
Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in 't gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.
De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en voor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.
Men leest er geen naam op.
Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.
Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange, Il vivait. Il mourut quand il n'eut plus son ange, La chose simplement d'elle-même arriva, Comme la nuit se fait lorsque le jour s'en va. [12]
EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL.
INHOUD.
Boek I.
De oorlog tusschen vier muren.
Bladz.
I. De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel 7 II. Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten 14 III. Verlichting en verduistering 17 IV. Vijf minder, een meer 19 V. Welken horizont men van de kruin der barricade ziet 25 VI. Marius verwilderd, Javert laconisch 29 VII. De toestand wordt erger 30 VIII. De artilleristen nemen het ernstig op 34 IX. Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest 37 X. De dageraad 38 XI. Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt 41 XII. De wanorde als handlanger der orde 43 XIII. Voorbijgaande flikkeringen 46 XIV. Waarin men den naam van Enjolras' geliefde lezen zal 47 XV. Gavroche buiten 49 XVI. Hoe men van broeder vader wordt 53 XVII. De doode vader wacht den stervenden zoon 60 XVIII. De gier prooi geworden 62 XIX. Jean Valjean wreekt zich 66 XX. De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk 68 XXI. De helden 77 XXII. Voet voor voet 80 XXIII. Orestes nuchter en Pylades dronken 83 XXIV. Gevangene 86
Boek II.
De ingewanden van den Leviathan.
I. De aarde door de zee verarmd 91 II. De oude geschiedenis der riolen 94 III. Bruneseau 97 IV. Onbekende bijzonderheden 99 V. Tegenwoordige vooruitgang 102 VI. Toekomstige vooruitgang 103
Boek III.
Slijk, echter ziel.
I. Het riool en zijn verrassingen 109 II. Verklaring 114 III. De vervolgde man 116 IV. Ook hij draagt zijn kruis 120 V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid 123 VI. De modderwel 126 VII. De uiterste nood 128 VIII. Het afgescheurde rokspand 130 IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van heeft 135 X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven 139 XI. Verbazing 140 XII. De grootvader 142
Boek IV.
Javert uit het spoor.
Javert uit het spoor 151
Boek V.
De kleinzoon en de grootvader.
I. Men ziet den boom weder met den zinkpleister 165 II. Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog 168 III. Marius' aanval 173 IV. Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht 175 V. Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris 180 VI. De beide oude lieden doen, ieder op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken 181 VII. De uitwerksels van den droom op het geluk 189 VIII. Twee onmogelijk weder te vinden mannen 191
Boek VI.
De slapelooze nacht.
I. De 16 Februari 1833 197 II. Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter 205 III. De onafscheidbare 213 IV. Immortale jecur 215
Boek VII.
De laatste teug uit den beker.
I. De zevende cirkel en de achtste hemel 223 II. De duisterheden, welke een openbaring kan bevatten 238
Boek VIII.
De afneming der duisternis.
I. De benedenkamer 249 II. Andere schreden achterwaarts 253 III. Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet 256 IV. Aantrekking en uitdooving 260
Boek IX.
Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.
I. Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen 265 II. Laatste flikkeringen der lamp zonder olie 267 III. Een pen is zwaar voor dengene, die de kar van Fauchelevent oplichtte 269 IV. Zwarte inkt die wit maakt 271 V. Nacht, waarachter de dag is 288 VI. Het gras verbergt en de regen wischt uit 297
AANTEEKENINGEN
[1] Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.
[2] Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.
[3] Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.
[4] Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....
[5] Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.
[6] Wie zou de zon verkeerd durven noemen?
[7] Mortuus pater filium moriturum expectat.
[8] Jeannette is geboren te Fougère, 't geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.
[9] 't Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.
[10] In 't Fransch: "mémoire antique."
[11] Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!
[12] Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde. Deez' steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde, Toen hij zijn Engel niet meer zag. De dood kwam zachtkens hem bevrijden, En volgde op zijn maatloos lijden, Zooals de nacht wijkt voor den dag.
End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo