Part 26
"Van een generaal," zei Thénardier het hoofd opheffend.
"Van een kolonel!" hernam Marius driftig. "Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! 't Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs. Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal 't oog houden over uw vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!"
"Mijnheer de baron," antwoordde Thénardier tot den grond buigend, "eeuwige dankbaarheid."
Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.
Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en 't zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.
Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius' bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.
Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:
"Cosette! Cosette!" riep hij "kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!"
Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.
Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: "Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!"
Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar 't was iets grootsch.
In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.
Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.
"Koetsier," zeide hij, "naar de straat de l'Homme-Armé No. 7."
Het rijtuig vertrok.
"Ha! welk een geluk!" riep Cosette, "naar de straat de l'Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken."
"Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal 't geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt 't nu."
Cosette begreep niets.
"Gij hebt gelijk," zeide zij.
Ondertusschen reed het rijtuig voort.
VIJFDE HOOFDSTUK.
NACHT, WAARACHTER DE DAG IS.
Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.
"Binnen," riep hij zwak.
De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.
Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.
"Cosette!" zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.
Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.
"Vader!" zeide zij.
Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:
"Cosette! Zijt gij 't, mevrouw! Zijt gij 't. O, mijn God!"
En in Cosettes armen geklemd, riep hij:
"Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!"
Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:
"Mijn vader!"
"En ook gij vergeeft mij!" zei Jean Valjean.
Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: "Heb dank."
Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.
"Dit hindert mij," zeide zij.
Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.
Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.
Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.
Jean Valjean mompelde:
"Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: 't Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.
Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: "Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal 't niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft." En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig."
Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:
"Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. 't Zal niet lang meer duren."
En Cosette zeide, hem berispend:
"Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn. Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge 't ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!"
"Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!" herhaalde Jean Valjean.
Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:
"Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij door allerlei doodsgevaren heen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!"
"Stil, stil!" zei Jean Valjean zacht. "Waarom van dat alles te spreken?"
"Maar gij!" riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, "waarom hebt gij het niet gezegd? 't Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. 't Is ongehoord!"
"Ik heb de waarheid gezegd," antwoordde Jean Valjean.
"Neen," hernam Marius, "waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?"
"Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest."
"Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!" hernam Marius. "Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt."
"Morgen," zei Jean Valjean, "zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u."
"Wat bedoelt ge?" vroeg Marius. "O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los."
"Ditmaal is het ernst," voegde Cosette er bij. "We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken."
En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.
"In ons huis is nog altijd uw kamer," vervolgde zij. "Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Het programma is veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen."
Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:
"Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is."
"Mijn vader," zei Cosette.
Jean Valjean hernam:
"'t Is waar, 't zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. 't Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkander van 's morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. 't Zou bekoorlijk zijn. Maar..."
Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:
"'t Is jammer."
De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.
Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.
"Mijn God," zeide zij, "uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?"
"Ik? neen," antwoordde Jean Valjean, "ik ben zeer wèl, maar..."
Hij zweeg.
"Maar, wat?"
"Ik zal spoedig sterven."
Cosette en Marius huiverden.
"Sterven!" riep Marius.
"Ja, maar dat is niets," zei Jean Valjean.
Hij haalde adem, glimlachte en hernam:
"Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren."
Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.
"Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!"
Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:
"O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. 't Kwam mij voor, dat ik herleefde."
"Ge zijt vol kracht en leven," riep Marius. "Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!"
"Ge hoort immers," hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, "dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven."
"Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; 't is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij."
De deur kraakte. 't Was de dokter, die binnentrad.
"Goedendag en vaarwel, dokter," zei Jean Valjean. "Ziehier mijn arme kinderen."
Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.
De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.
"Omdat de dingen ons onaangenaam zijn," zei Jean Valjean, "is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen."
Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.
De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.
De dokter voelde hem den pols.
"Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!" mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.
En zich tot Marius' oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:
"Te laat."
Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:
"'t Is niets te sterven, maar 't is vreeselijk, niet te leven."
Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:
"Ziedaar den grooten lijder!"
Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.
Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden: "Vader! verlaat ons niet. Is 't mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?"
Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.
Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.
"Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!" riep Marius.
"Ge zijt beiden goed," zei Jean Valjean. "Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal 't u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. 't Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij."
De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:
"Wilt ge een priester?"
"Ik heb er een," antwoordde Jean Valjean.
En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.
't Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.
Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.
Jean Valjean hernam:
"Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnsche juweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs."
Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.
Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.
Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.
Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. 't Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.
Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. 't Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.