De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 25

Chapter 253,985 wordsPublic domain

Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:

"Spreek duidelijk."

De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.

"Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen."

"Een geheim?"

"Een geheim."

"Dat mij betreft?"

"Eenigszins."

"Welk geheim?"

Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.

"Ik begin voor niets," zei de onbekende. "Gij zult zien, dat ik belangrijk word."

"Spreek."

"Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar."

Marius ontroerde.

"In mijn huis, neen," zeide hij.

De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:

"Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen."

"Ik luister."

"Hij heet Jean Valjean."

"Ik weet het."

"Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is."

"Spreek."

"Een voormalig galeiboef."

"Ik weet het."

"Gij weet het sedert ik de eer heb gehad 't u te zeggen."

"Neen, ik wist het vroeger."

De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, "ik weet het", zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. 't Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;--zet eens een glasruit voor de hel!

De onbekende hernam glimlachend:

"Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. 't Is een buitengewoon geheim. 't Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs."

"Ik ken dat geheim evenals de andere," zei Marius.

Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.

"Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek."

"Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt."

In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:

"Ik moet vandaag toch eten. 't Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs."

Marius zag hem strak in het gezicht:

"Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken."

"Mijn naam?"

"Ja."

"'t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard."

"Dier."

"Wat?"

"Thénardier."

"Wie? Hoe?"

In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.

Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.

Marius hernam:

"Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard."

"Vrouw? welke?"

"En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden."

"Een kroeg! Nooit!"

"En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt."

"Ik loochen het."

"En dat ge een schoft zijt. Ziedaar."

En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp 't hem in 't gezicht.

"'k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!"

En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.

"Vijfhonderd francs!" hernam hij verstomd. En halfluid stamelde hij: "Een echt bankje!"

Toen riep hij plotseling:

"Nu, het zij zoo. Laten we 't ons gemakkelijk maken."

En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.

Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.

"Mijnheer de baron is onfeilbaar," zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, "ik ben Thénardier."

En hij richtte zijn gebogen rug op.

Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.

Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?

Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, 't geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. En waarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: "Uw vrouw is een onecht kind", geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.

Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, 't welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: "Ik ben Thénardier", wachtte hij.

Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. 't Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en 't was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.

Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. 't Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.

Thénardier had het "echte bankbriefje" in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.

Marius verbrak de stilte.

"Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, 't welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Een moordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord."

"Ik begrijp u niet, mijnheer de baron," zei Thénardier.

"Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte--ik heb dit van den kassier zelven vernomen--door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig."

Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:

"Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg."

En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.

"Wat!" hernam Marius, "spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten."

"'t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood."

"Dat is sterk! Hoe weet ge dit?"

"Om twee redenen."

"Welke? Spreek."

"De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is."

"Wat vertelt ge mij toch?"

"De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is."

"Wat bedoelt ge?"

"Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd."

"Bewijs! bewijs!" riep Marius buiten zich zelven.

Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:

"De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden."

"Maar bewijs dit!"

Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.

"Ik heb mijn aktestukken," zeide hij bedaard.

En hij voegde er bij:

"In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en 't geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen."

Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.

"Twee feiten, twee bewijzen," zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.

De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer van le Drapeau blanc van 25 Juli 1823, van 't welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, een Moniteur van 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.

Marius las. 't Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in den Moniteur geplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:

"Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!"

"Hij is noch een heilige noch een held," zei Thénardier. "Hij is een moordenaar en dief."

En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: "Laat ons bedaard zijn!"

Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.

"Nog?" zeide hij.

"Altijd," hernam Thénardier. "Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar."

"Wilt ge," hernam Marius, "van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?"

"Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. 't Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom."

"Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden," merkte Marius aan, "maar ga voort."

"Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekening is zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen."

Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.

Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op de Drapeau blanc sloeg: "'t heeft mij moeite gekost dit te krijgen." Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van 't geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:

"Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena."

Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:

"Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; 't kon acht uren 's avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. 't Was 't gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij 't schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, 't geen de moordenaar niet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want 't is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij 't er levend heeft afgebracht."

Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:

"Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: "Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij." Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder 't gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, 't was een bewijsstuk; een middel om weder op 't spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok..."

Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.

Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.

Ondertusschen voer Thénardier voort:

"Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had."

"Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!" riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.

Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.

Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.

Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op 't gezicht.

"Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in 't verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l'Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, en zelfs verder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt."

En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.

"Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u."

"Waterloo!" mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.

"Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered...."