Part 24
Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van "mijnheer Jean", den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius' geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.
Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.
Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?--'t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l'Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet "neen" antwoorden.
Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.
Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.
Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.
't Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. 't Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, "ziet vooruit". De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is. Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. 't Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.
TWEEDE HOOFDSTUK.
LAATSTE FLIKKERING DER LAMP ZONDER OLIE.
Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.
Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:
"Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten."
"Jawel," antwoordde Jean Valjean.
"De schotel is nog vol."
"Bezie deze waterkruik. Zij is ledig."
"Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt."
"Nu," hernam Jean Valjean, "zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?"
"Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts."
"Ik zal morgen eten."
"Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker."
Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.
"Ik beloof u het te eten," zeide hij met zijn goedmoedige stem.
"Ik ben ontevreden op u," antwoordde de portierster.
Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand doorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.
In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. 't Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.
Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: "De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal 't niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan 't mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is."
De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:
"Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij 't niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven."
"En zoo hij er een neemt?"
"Zal hij ook sterven," zei de portier.
De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen "harer straat" te krabben, terwijl zij mompelde:
"'t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen."
Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam 't op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.
"'t Is op de tweede verdieping," zeide zij. "Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur."
De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:
"Nu, dokter?"
"Uw zieke is zeer ziek."
"Wat deert hem?"
"Alles en niets. 't Is iemand, die, zoo 't schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven."
"Wat heeft hij u gezegd?"
"Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was."
"Komt ge terug, dokter?"
"Ja," antwoordde de geneesheer; "maar 't ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam."
DERDE HOOFDSTUK.
EEN PEN IS ZWAAR VOOR DENGENE DIE DE KAR VAN FAUCHELEVENT OPLICHTTE.
Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder 't kleeden eenige keeren rusten: alleen door 't aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op 't gezicht.
Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.
Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.
Hij spreidde ze uit op zijn bed.
De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel 't nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. 't Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; 't was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, 't was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.
Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers, welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.
De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.
Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.
Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.
Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.
Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen 't achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:
"Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan 't in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en lampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. 't Is het land van git..."
Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.
"Ach!" riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), "'t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. 't Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! 't Is niets te sterven; maar 't is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, 't is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien."
In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.
VIERDE HOOFDSTUK.
ZWARTE INKT DIE WIT MAAKT.
Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.
Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.
Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.
Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: "Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel." Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazing bliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.
De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. 't Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; 't was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.
Alzoo--zonderlinge gril van het toeval--kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.
Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:
"Mijnheer de baron!
"Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.
"Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.
"Met eerbied."
De brief was onderteekend: "Thénard."
Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.
Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.
Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.
Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.
"Laat den man binnenkomen," zei Marius.
Basque diende aan:
"Mijnheer Thénard."
Een man trad binnen.
Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.
Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in 't zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. 't Viel bij den eersten blik in 't oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.
In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette "de Wisselaar"; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, 't welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooit bestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: "Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed." Daarnaast stond: "oud ambassadeur," en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: "In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld." Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.
Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.
De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:
"Wat wilt gij?"
De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:
"'t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien. Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet."
't Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.
Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.
"Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray," zeide hij. "Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet."
Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:
"Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!"
Marius zag hoe langer hoe strenger.
"Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?"
Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.
"Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom 't geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en de ammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; 't is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud."
"Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?" viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.
"Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil 't eens met de wilden beproeven."
"Verder?"
"Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is 's menschen doel. Goud is de magneet!"
"Verder? maak een einde."
"Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig."
"Wat gaat mij dit aan?" zei Marius.
De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:
"Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?"