De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 21

Chapter 214,129 wordsPublic domain

"Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen, waar men in familie is, ben ik te veel. Er zijn familiën, maar niet voor mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader, een moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den man, dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een gezin van twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij: Ga niet binnen, gij. Ik kon liegen, 't is waar, u allen bedriegen, mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen, maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. 't Is waar, dat ik slechts behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge vraagt mij wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten. Zwijgen was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht met er mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en 't geen ik zeg, komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe hebt; nu, ja, ik heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik heb zeer krachtige redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik verzeker 't u. Maar er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd ben; noch den draad te breken die mij vast aan 't hart zit; noch iets tot zwijgen te brengen, dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik alleen ben. Daarom ben ik van ochtend u dit alles komen bekennen. Alles of genoegzaam alles. 't Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen betreft; ik behoud dit voor mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus mijn geheim genomen en het u gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn geheim geopend. Dat besluit was niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen nacht heb ik geworsteld. O, meent gij, dat ik niet tot mij zelven gezegd heb, dat dit niet de zaak Champmathieu was, dat ik door mijn naam te verbergen niemand benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door Fauchelevent zelven was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen dienst, en dat ik hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze kamer welke ge mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn hoekje, en dat, terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in 't zelfde huis met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld hebben. Door steeds mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht gekomen. Ja, behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de bodem mijner ziel bleef donker. 't Is niet genoeg, gelukkig te zijn; men moet tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer Fauchelevent zijn gebleven, ik zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk zou ik een raadsel zijn geweest, te midden van uw licht zou ik duisternis hebben geworpen; zonder u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben gebracht; ik zou aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte: dat zoo ge wist wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door dienstboden hebben laten bedienen, die, zoo zij 't geweten hadden, gezegd zouden hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig hebben aangeraakt, ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw huis zouden eerwaardige witte haren en geschandvlekte witte haren gelijkelijk vereerd zijn; in de vertrouwelijkste oogenblikken, wanneer men meent de harten tot in de diepste schuilhoeken voor elkander te hebben opengelegd, wanneer wij met ons vieren te zamen waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik, zou er een onbekende zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben gedeeld, steeds bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te lichten; ik, een doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik zou haar voor altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik zouden drie hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest! Huivert gij niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld ben, zou de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken dag bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag, jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u, onschuldigen! Is 't niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren? Neen, 't is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En mijn leugen, en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid, en mijn verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel gedronken, uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht geëindigd, des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond zou gelogen, mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop geslapen, daarbij mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het gezicht gezien en den glimlach des engels met den glimlach van den doemeling beantwoord hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn geweest. Waarom? Om gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het recht gelukkig te zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!"

Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten en angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog zachter, maar 't was nu geen doffe, maar een akelige stem.

"Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden, noch vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden; ik ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij zelven. Ik zelf sluit mij den weg, ik sleep, ik drijf mij voort, ik sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt, wordt men goed bestuurd."

En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius uitstekende, hernam hij:

"Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als om hem niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere vuist. Om gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet begrijpen, want zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk. Men zou zeggen dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij beloont hem er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast zich voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in vrede met zich zelven."

En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: "Mijnheer Pontmercy, dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij voor uw oogen te vernederen, verhef ik mij in de mijne. 't Is mij reeds eens gebeurd, maar het was minder smartelijk; 't was niets. Ja, een eerlijk man. Ik zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij verder geacht hadt, thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze noodlottigheid rust op mij, dat ik geene andere dan gestolen achting kan genieten, en deze achting mij inwendig vernedert en drukt, en men mij moet verachten, opdat ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik mij. Ik ben een galeiboef, die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat dit niet bij elkander past, maar wat kan ik er aan doen? 't Is zóó. Ik heb verbintenissen met mij zelven aangegaan, en houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden, er zijn omstandigheden die plichten vorderen. Ik heb in mijn leven veel ondervonden, mijnheer Pontmercy."

Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een inspanning als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij hernam:

"Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht niet dien aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het recht niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet, hen in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij 't weten; men heeft het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men heeft het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn verworpenheid te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de duisternis met zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk. Fauchelevent moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet, er mij van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem niet aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een gering mensch ben; en ge ziet dat ik mij betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap van de dingen. Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, 't is oneerlijk zich van een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De letters van het alphabet kunnen evenzeer gestolen worden als een geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been te zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden, weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom ik u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt."

Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij:

"Vroeger stal ik om in 't leven te blijven een brood; maar thans wil ik niet om te leven een naam stelen."

"Om te leven!" viel Marius hem in de rede. "Gij hebt dien naam niet noodig om te leven?"

"O, ik weet wat ik zeg," antwoordde Jean Valjean, langzaam het hoofd opheffende en buigende.

Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen, als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag:

"Terwijl ik nu verlicht ben!"

Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der kamer. Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij zeide hem op een onuitsprekelijken toon:

"Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu waarom."

Toen, zich geheel tot Marius wendende:

"Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben mijnheer Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik behoor tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in pantoffels om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den schouwburg; ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerieën en naar het Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke ben; maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten, lachen; gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar komt deze vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij eensklaps mijn masker af."

Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean hernam:

"Wat zegt ge ervan?"

De stilte van Marius antwoordde.

Jean Valjean voer voort:

"Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in het licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een arme veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt een ellendig mensch voor u, mijnheer."

Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen reikte hij hem de hand.

Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean liet het toe en 't scheen Marius, alsof hij een steenen hand omvatte.

"Mijn grootvader heeft vrienden," zei Marius; "ik zal uw gratie verwerven."

"Dit is onnoodig," antwoordde Jean Valjean. "Men gelooft, dat ik dood ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie ontheven. Men laat hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als gratie."

En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een onverbiddelijke waardigheid bij:

"Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend tot wien ik mij wend; ik heb slechts ééne gratie noodig, die van mijn geweten."

Op dit oogenblik opende zich aan 't andere einde der kamer zacht de deur en Cosette's hoofd verscheen er tusschen. Men zag alleen haar lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt haar, en haar oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de beweging van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag eerst haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend toe--alsof men een roosje zag glimlachen:

"Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te komen. 't Is onverschoonlijk!"

Jean Valjean ontroerde.

"Cosette...." stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken twee misdadigers.

Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar oogen blonk iets als een hemelsche glans.

"Ik betrap u op heeter daad," zei Cosette. "Ik heb door de deur vader Fauchelevent hooren zeggen: "Het geweten...zijn plicht doen..." Dat is politiek. Ik duld dit niet. Men mag niet reeds den volgenden dag over politiek spreken. Dat is niet recht."

"Ge vergist u, Cosette," antwoordde Marius. "Wij spreken over zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer zesmaal honderd-duizend francs...."

"Dat is het niet," viel Cosette hem in de rede. "Ik kom. Wil men mij hier dulden?"

En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken.

Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten spiegel, en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke verrukking:

"Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben ik."

Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean.

"Nu," zeide zij, "ga ik bij u op een stoel zitten; men ontbijt binnen een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet wel, dat de mannen moeten spreken; ik zal stil zijn."

Marius nam haar arm en zeide teeder:

"Wij spreken over zaken."

"Apropos," antwoordde Cosette; "ik heb mijn raam geopend, in den tuin zijn een menigte musschen. 't Is vandaag Aschwoensdag; maar niet voor de vogels."

"Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons een oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. 't Zou u vervelen."

"Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer coquet, mijnheer. Neen, 't zal mij niet vervelen."

"Ik verzeker u, dat 't u vervelen zal."

"Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat ik wil. Ik blijf bij u!"

"Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk."

"Onmogelijk!"

"Ja."

"Goed," hernam Cosette. "Ik zou u wat nieuws hebben verhaald. Ik zou u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat uw tante naar de mis is, dat de schoorsteen in de kamer van vader Fauchelevent rookt, dat Nicolette den schoorsteenveger heeft laten komen, dat vrouw Toussaint en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat Nicolette om het stotteren van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten. Ha! 't is onmogelijk? Ook ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen: 't is onmogelijk. Wie zal 't meest verliezen? Ik bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven."

"Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn."

"Nu, ben ik iemand?"

Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem.

"Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is 't? gij zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie heeft mij zulk een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel slecht gehuwd ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij dadelijk."

Jean Valjean naderde.

Cosette wendde zich tot Marius:

"U keer ik den rug toe."

Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd.

Jean Valjean naderde haar een schrede.

Cosette trad achteruit.

"Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?"

"Hij is genezen," zei Jean Valjean.

"Hebt ge slecht geslapen?"

"Neen."

"Zijt ge treurig?"

"Neen."

"Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge tevreden zijt, zal ik u niet beknorren."

En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd.

Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, 't welk een hemelschen glans had.

"Glimlach."

Jean Valjean gehoorzaamde. 't Was de glimlach van een spook.

"Verdedig mij nu tegen mijn man."

"Cosette!..." zei Marius.

"Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in mijn tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. 't Is dan iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een bank, 't heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om niets. Ik wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan Marius."

En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens. 't Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was.

"Ik bemin u!" zei Marius.

"Ik aanbid u," zei Cosette.

En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen.

"Nu," hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar, een vouw van haar morgengewaad glad strijkende, "ik blijf."

"Dat niet," antwoordde Marius op smeekenden toon, "wij hebben hier iets te bespreken."

"Wederom neen?"

Marius nam een ernstigen toon aan:

"Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is."

"Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal gaan. Gij, vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot, mijnheer papa, gij zijt tirannen. Ik zal 't grootvader gaan zeggen. Zoo ge meent dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben trotsch. Thans verwacht ik u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult vervelen. Ik ga, 't is goed!"

Zij ging heen.

Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen toe:

"Ik ben heel kwaad!"

De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker.

't Was als een verdwaalde zonnestraal, die toevallig plotseling door den nacht was geschoten.

Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was.

"Arme Cosette!" mompelde hij, "wanneer zij verneemt dat..."

Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte een verwilderden blik op Marius.

"Cosette! ach ja, 't is waar, ge zult het Cosette zeggen. 't Is billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft kracht tot het eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer, geef mij uw heiligst woord. Zeg het haar niet. Is 't niet genoeg, dat gij het weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te zijn, gezegd; ik zou 't aan de wereld, aan iedereen gezegd hebben; 't was mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het is; 't zou haar ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar moeten verklaren, haar zeggen: 't is iemand die in het bagno is geweest. Eenmaal zag zij een transport galeiboeven. Ach, mijn God!"

Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat hij snikte, stille tranen, vreeselijke tranen.

In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als om te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem zoo zacht fluisteren, als ware zijn stem in een grondelooze diepte geweest:

"Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!"

"Wees bedaard," zeide Marius, "ik zal uw geheim voor mij alleen behouden."

En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen man en hem gevormd had, voegde Marius er bij:

"'t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de gelden, welke gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. 't Is een daad van goede trouw. 't Is billijk, dat u een vergoeding worde gegeven. Bepaal zelf de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees niet, ze te hoog te stellen."

"Ik dank u, mijnheer," antwoordde Jean Valjean met zachtheid.

Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn voorvinger over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing van stem:

"Alles is genoegzaam volbracht. Slechts één ding blijft nog over..."

"Wat?"

Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak:

"Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de meester, dat ik Cosette niet mag wederzien?"

"Ik geloof, dat dit het best ware," antwoordde Marius koel.

"Ik zal haar niet meer zien," mompelde Jean Valjean.

En hij trad naar de deur.

Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze weder en keerde tot Marius terug.

Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was weder wonderbaar kalm geworden.

"Luister, mijnheer," zeide hij, "zoo gij wilt, zal ik haar komen bezoeken. Ik verzeker u, dat ik 't vurig wensch. Zoo ik Cosette niet gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis niet hebben gedaan, welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn; maar daar ik in het oord wilde blijven, waar Cosette is en haar voortdurend zien wilde, heb ik u alles eerlijk moeten zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet waar? De zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik haar bij mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard gewoond, toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. Dáár hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet, of ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou wel door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is, maar dit zou misschien verwondering wekken. 't Is misschien beter, geloof ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk, mijnheer, ik zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als 't u zal behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En men moet ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou 't een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij voorbeeld zou kunnen doen, is, 's avonds komen als het donker wordt."

"Kom alle avonden," zei Marius, "en Cosette zal u wachten."

"Gij zijt zeer goed, mijnheer," zei Jean Valjean.

Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide tot aan de deur en beide mannen scheidden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DUISTERHEDEN WELKE EEN OPENBARING KAN BEVATTEN.

Marius was geheel geschokt.

Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean.

Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden, gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.

Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid gedoemd? Was 't een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen?

Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?

Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod in zijn glorie doen sidderen.