De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 20

Chapter 203,894 wordsPublic domain

Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.

VIERDE HOOFDSTUK.

IMMORTALE JECUR.

De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.

Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in 't oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hem verlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!

Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!

Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.

Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.

Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?

De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.

Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.

't Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. 't Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.

De vraag, welke zich voordeed, was deze:

Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.

Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.

Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de onteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?

Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.

Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.

Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.

Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?

Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen--hij was gered, hij leefde!

Zoo hij losliet?

Dan de afgrond!

Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.

't Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.

Hij voelde zich tegengehouden.

Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?

Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?

Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!

Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen levens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.

Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?

Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: 't is genoeg!

De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?

De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?

O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!

Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?

Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. 't Is een heiligmakende foltering. Men kan er in 't eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?

Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.

Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.

Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.

Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?

Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.

Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder de zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;--toen zag men dat hij leefde.

Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?

De Men, die in de duisternis is.

BOEK VII.

DE LAATSTE TEUG UIT DEN BEKER.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE ZEVENDE CIRKEL EN DE ACHTSTE HEMEL.

De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de overwegingen der gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer der bezoeken en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den ochtend van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque, die met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was "de voorkamer te doen", zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet gescheld, 't geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende en zag mijnheer Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog alles overhoop lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag geleek.

"Drommels! mijnheer," merkte Basque op, "wij zijn laat opgestaan."

"Is uw meester bij de hand?" vroeg Jean Valjean.

"Hoe gaat het met den arm van mijnheer?" antwoordde Basque.

"Beter. Is uw meester bij de hand?"

"Welke? de oude of de nieuwe?"

"Mijnheer Pontmercy."

"Mijnheer de baron?" verbeterde Basque het hoofd oprichtende. Men is vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe; zij bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou noemen, en dat streelt hen. Marius, dit moet in 't voorbijgaan gezegd worden, een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu tegen wil en dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine revolutie ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan hechtte, en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel Pontmercy had geschreven: "Mijn zoon zal mijn titel voeren." Marius gehoorzaamde. En Cosette, in wie de vrouw begon te voorschijn te komen, was gestreeld barones te zijn.

"Mijnheer de baron?" herhaalde Basque. "Ik zal eens zien. Ik zal hem zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er is."

"Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem eens afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam."

"Zoo," zei Basque.

"Ik wil hem een verrassing bezorgen."

"Zoo!" hernam Basque, zich zelven door zijn tweede "zoo" zijn eerste verklarende.

En hij verwijderde zich.

Jean Valjean bleef alleen.

Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op den vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels gevallen waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort van druipsteen aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond op zijn plaats. Drie of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande schenen een gesprek voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er is nog iets bevalligs in een afgeloopen feest. 't Is zoo gelukkig geweest. Op deze verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen, onder deze uitgebrande lichten heeft men blijdschap genoten. De zon volgde de lichtkroon op en trad vroolijk het salon binnen.

Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de plek waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek.

Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster, door de zon op den vloer afgeteekend.

Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op.

Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook hij had niet geslapen.

"Gij hier, vader!" riep hij, Jean Valjean ziende; "die domme Basque zag zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg. 't Is eerst half een. Cosette slaapt nog."

Het woord "vader", waarmede Marius Fauchelevent noemde, beteekende: Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had steeds stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken worden of smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de strakheid buigzamer werd, dat het ijs smolt, en dat de heer Fauchelevent voor hem evenals voor Cosette een vader was.

Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, 't geen aan de hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is.

"Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier gisteren ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand? Beter, niet waar?"

En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf, vervolgde hij:

"Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette bemint u zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen niets meer van de straat de l'Homme-Armé weten. Hoe kondt ge toch in die straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk is, en die geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En wel van heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich voor, ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit; men heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed, ge behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote oude bergère geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand, het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er uw boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt, waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen, op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet waar?"

"Mijnheer," zei Jean Valjean, "ik moet u iets zeggen. Ik ben een oude galeiboef."

De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden: "Ik ben een oude galeiboef" die uit den mond van Fauchelevent in 't oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius hoorde niet. 't Scheen dat hem iets gezegd was, maar hij wist niet wat. Hij bleef met open mond staan.

Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er verschrikkelijk uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de bedwelming zijner vreugd, deze vreeselijke bleekheid niet opgemerkt.

Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag, open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet zijn blooten duim aan Marius zien.

"Mijn hand deert niets," zeide hij.

Marius bezag den duim.

"Ik heb er nooit iets aan gehad," hernam Jean Valjean.

Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien.

Jean Valjean hernam:

"Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij zooveel afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond voorgewend, om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van nul en geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te onderteekenen."

Marius stamelde:

"Wat wilt ge zeggen?"

"Ik wil zeggen," antwoordde Jean Valjean, "dat ik op de galeien ben geweest."

"Gij maakt mij krankzinnig!" riep Marius verschrikt.

"Mijnheer Pontmercy," zei Jean Valjean, "ik ben negentien jaren op de galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben ik tot altoosdurende galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens herhaling van misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de wet, iemand, die zijn ban verbroken heeft."

Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest er zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals 't in dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij rilde als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld, dat hem deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen lot in de toekomst verwoest.

"Spreek, zeg alles!" riep hij, "gij zijt Cosettes vader."

En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee schreden achteruit.

Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding, dat hij aan de zoldering scheen te reiken.

"'t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft, mijnheer; hoewel de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie niet van kracht is."

Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende:

"Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God, neen. Ik ben een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik verdiende den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet Jean Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees gerust."

Marius stamelde:

"Wat bewijst mij?..."

"Ik; wijl ik 't u zeg."

Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon uit zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid in deze kilheid des grafs.

"Ik geloof u," zei Marius.

Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en hernam:

"Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig ontmoette. Tien jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin haar, 't is waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft gezien, terwijl men zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men zich een grootvader van alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel zult gelooven, dat ik zoo iets als een hart heb. Zij was een weeze. Zonder ouders. Zij had mij noodig. Dat is de reden, waarom ik haar begon te beminnen. Kinderen zijn zoo zwak, dat de eerste de beste, zelfs een man als ik, hun beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht jegens Cosette vervuld. Ik geloof niet, dat men iets zoo gerings inderdaad een goede daad kan noemen; zoo het echter een goede daad is, reken dan dat ik ze verricht heb. Breng deze verzachtende omstandigheid in rekening. Thans verlaat Cosette mijn leven, onze twee wegen scheiden. Voortaan kan ik niets meer voor haar zijn. Zij is mevrouw Pontmercy. Haar bestemming is veranderd. En Cosette wint bij deze verandering. Alles is goed. Gij spreekt niet van de zesmaal honderd duizend francs, maar ik zal uw gedachte hierin voorkomen; 't zijn in bewaring gegeven gelden. 't Is onverschillig hoe zij in mijn bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men heeft niets meer van mij te vorderen. Ik maak de teruggave volledig, door mijn waren naam te zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op gesteld, dat ge weet, wie ik ben."

En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht.

Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige vlagen van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel.

Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die ons in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt, 't geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er zijn plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die bedwelmen als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den nieuwen toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak alsof hij schier boos over deze bekentenis was.

"Maar," riep hij, "waarom zegt ge mij dit alles toch? Wat dwingt er u toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden. Ge zijt noch verraden, noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd. Ge moet een reden hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te doen. Spreek. Er schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis? Om welke reden?"

"Om welke reden?" antwoordde Jean Valjean, met zulk een zachte, gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven, dan tot Marius sprak. "Inderdaad, om welke reden zegt deze tuchteling: ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling. 't Is uit eerlijkheid. Zie, 't is ongelukkig, dat ik in mijn hart een draad heb, die mij bindt. 't Is vooral wanneer men oud is, dat deze draden sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost zich op; alleen die draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen uitrukken, breken, den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier gaan, ik ware gered geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de straat du Bouloy zijn diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik heb gepoogd dien draad te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij wilde niet breken, en ik rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik kan niet elders leven dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt gelijk, ik ben een dwaas, waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals ik was? Gij biedt mij een kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy bemint mij. Zij zegt tot dien armstoel: steek hem uw armen toe; uw grootvader wenscht niets liever, dan mij bij zich te hebben; ik pas voor hem; wij zullen samen wonen, gemeenschappelijk eten, ik zal aan Cosette den arm geven--aan mevrouw Pontmercy, verschoon mij, 't is de gewoonte.--Wij zullen slechts één dak, één tafel, één vuur hebben; hetzelfde hoekje van den haard des winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is vreugd, dat is geluk, dat is alles. Wij zullen één familie uitmaken. Samen leven!"

Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen op de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig: