Part 17
De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francs waren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.
Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.
Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.
Zij bleef echter Jean Valjean "vader" noemen.
Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. 't Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.
Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. "Laat ons deze dames eens onderzoeken," zeide hij, "en zien wat zij bevatten." Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aan Cosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.
De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.
Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.
Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:
"De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid" [10].
"Moire antique!" riep de grijsaard. "Ik dank u Marius. 't Is juist het denkbeeld dat ik zocht."
En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurig moire antique gevoegd.
De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.
"De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg er honderdduizend francs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit een nis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud."
De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.
"Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd'or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestige puntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! 't is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, 't geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. 't Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat een boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het burgerlijke der kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou 't allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. 't Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:
Triton trottait devant, et tirait de sa conque Des sons si ravissants, qu'il ravissait quiconque! [11]
Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van."
Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.
Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar Ave, terwijl men in een anderen hoek I love you lispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.
Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan 't geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke gewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in 't hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.
De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. 't Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en 't was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.
Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. "Dit zal mij verjongen," verklaarde hij. "'t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden." Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville te Roche-Guyon.
De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE UITWERKSELS VAN DEN DROOM OP HET GELUK.
De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. "'t Is de verkeerde wereld," zei juffer Gillenormand, "dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken." Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l'Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. 't Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.
Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.
Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in 't verleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan 't hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.
En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. 't Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.
De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij 't verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.
Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.
Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:
"Ge kent immers die straat?"
"Welke straat?"
"De Chanvreriestraat?"
"Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat," antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.
Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.
"Ik heb stellig gedroomd," dacht hij, "'t is een zinsbegoocheling geweest. 't Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet."
ACHTSTE HOOFDSTUK.
TWEE ONMOGELIJKE WEDER TE VINDEN MANNEN.
Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.
Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.
Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.
Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.
Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. 't Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.
Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.
En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.
Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenige overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.
Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.
Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.