De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 16

Chapter 163,906 wordsPublic domain

En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.

Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. 't Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.

Blijkbaar moest eene crisis komen.

Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. "De mannen van 93 waren reuzen," zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.

Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.

Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.

Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.

Dat oogenblik kwam.

DERDE HOOFDSTUK.

MARIUS' AANVAL.

Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: "Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter."

Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:

"Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.

"Wat?"

"Ik wil trouwen."

"Ik had het voorzien," zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.

"Hoe, voorzien?"

"Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben."

Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.

De heer Gillenormand hernam:

"Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l'Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren, mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, 't is goed, spreken wij er niet meer van; 't is gezegd, 't is gedaan, 't is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind." Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.

"Mijn vader!" riep Marius.

"Ha, gij bemint mij dus!" zei de grijsaard.

Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.

Eindelijk stamelde de grijsaard:

"Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft "mijn vader" gezegd."

Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:

"Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien."

"Ook voorzien; morgen zult ge haar zien."

"Vader!"

"Wat?"

"Waarom niet heden?"

"Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal "vader" genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij u brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. 't Is reeds in rijm gebracht. 't Is de ontknooping van de elegie "de jonge zieke" van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd."

Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten 't zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:

"Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan..."

De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: "Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!"

"Wien, mijnheer?"

"André Chénier!"

"Ja, mijnheer," zei Basque verschrikt.

VIERDE HOOFDSTUK.

MEJUFFROUW GILLENORMAND VINDT HET EINDELIJK NIET KWAAD MEER, DAT MIJNHEER FAUCHELEVENT IETS ONDER DEN ARM MEDEBRACHT.

Cosette en Marius zagen elkander weder.

Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.

Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.

Zij verscheen op den drempel, en 't was alsof zij in een stralenkrans stond.

Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.

"Aanbiddelijk!" riep hij uit.

Toen snoot hij heel luidruchtig.

Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.

Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. 't Was "Mijnheer Fauchelevent;" 't was Jean Valjean.

Hij was "zeer goed gekleed", zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.

De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: "Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben."

Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.

"Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?" vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.

"O," antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, "'t is een geleerde: kan hij 't helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart."

En luide zeide hij groetend:

"Mijnheer Tranchelevent..."

Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.

"Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen."

"Mijnheer Tranchelevent" boog.

"Dit is in orde," zei de grootvader.

Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:

"'t Is u thans vergund elkander te beminnen!"

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. "O mijn God!" lispte Cosette, "ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? 't Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, 't was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l'Homme-Armé. 't Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. 't Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. 't Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! 't Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben 't geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l'Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, 't is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger."--"Engel!" zei Marius.

Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.

Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.

De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:

"Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken."

En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:

"Praat maar, stoort u aan niets."

Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; 't was in 't minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: 't was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; 't was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.

"Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter," zij haar vader; "ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven."

Hij zweeg een oogenblik en hernam:

"Aanschouw het geluk van anderen."

Toen wendde hij zich tot Cosette:

"Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. 't Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, 't zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. 't Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. 't Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d'Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!"

De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries, Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries [9].

"Apropos!"

"Wat blieft, vader?"

"Hadt ge niet een boezemvriend?"

"Ja, Courfeyrac."

"Wat is er van hem geworden?"

"Hij is dood."

"Dat is goed."

Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.

"Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar," voegde hij er eensklaps treurig bij, "welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van 't geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken."

Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:

"Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs."

't Was de stem van Jean Valjean.

Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.

"Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?" vroeg de grootvader ontsteld.

"Dat ben ik," antwoordde Cosette.

"Zesmaal honderd duizend francs!" hernam de heer Gillenormand.

"Misschien veertien of vijftien duizend francs minder," zei Jean Valjean.

En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.

Jean Valjean opende zelf het pakje. 't Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.

"Dit is een kostelijk boek," zei de heer Gillenormand.

"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!" prevelde de tante.

"Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?" hernam de grootvader. "Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild."

"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken," herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. "Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!"

Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MEN BELEGGE ZIJN GELD LIEVER IN EEN BOSCH DAN BIJ EEN NOTARIS.

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, 't geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekeren avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.

De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.--"Later zullen wij zien," dacht hij.

Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.

Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.

Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, 't welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE BEIDE OUDE LIEDEN DOEN, ELK OP ZIJN WIJZE, ALLES OM COSETTE GELUKKIG TE MAKEN.

Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.

De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette.

"Een verwonderlijk schoon meisje!" riep hij. "En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u."

Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.

"Begrijpt ge er iets van?" vroeg Marius aan Cosette.

"Neen," antwoordde Cosette, "maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt."

Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.

Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van 't welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.