Part 15
Aldus--en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen--aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma's waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin, bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.
Was dit te verduren? Neen.
Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...
Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.
Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan 't openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.
Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.
Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:
"EENIGE OPMERKINGEN TEN NUTTE VAN DEN DIENST.
Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.
Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.
Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.
Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.
Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.
Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.
Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.
Ten achtste: 't Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l'Egyptienne te begeven.
Ten negende: 't Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.
Ten tiende: Mme Henry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig."
Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:
"Javert,
"Inspecteur van de 1e klasse.
"In den wachtpost van het Chateletplein.
"7 Juni 1832, omstreeks één uur 's morgens."
Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: "Nota voor de administratie," liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliede glazen deur viel achter hem dicht.
Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, 't welk hij een kwartieruurs vroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.
't Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, 't welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien kon was eenzaam. Nôtre-Dame en de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.
De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.
Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; 't was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.
Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.
Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte.
BOEK V.
DE KLEINZOON EN DE GROOTVADER.
EERSTE HOOFDSTUK.
MEN ZIET DEN BOOM WEDER MET DEN ZINKPLEISTER.
Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.
Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.
Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.
Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in 't verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.
De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:
Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.
"Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?" vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in 't geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in 't reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?
Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.
Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.
"Voor den duivel!" zei Boulatruelle, "ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor."
Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.
"Hiermede," mompelde hij, "kan ik den grond en een mensch kort krijgen."
En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.
Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevallige langzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.
't Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.
Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.
De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.
Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam 't er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.
't Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.
"Slaan wij de straat Rivoli der wolven in," zeide hij.
Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.
Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.
Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.
Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.
Er was niemand.
Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.
Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? 't Was onmogelijk te gissen.
En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.
Die kuil was ledig.
"Dief!" riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
MARIUS UIT DEN BURGEROORLOG GEKOMEN, BEREIDT ZICH TOT DEN HUISELIJKEN OORLOG.
Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.
Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. "De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben," herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.
Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed gekleed heer met wit haar--dit was het signalement dat de portier van hem gaf,--naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.
Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!
Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.
Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij 't algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.
De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: "Ai! ai!" Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.
Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven. Hij gaf zijn portier drie louisd'ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:
Jeanne est née à Fougère, Vrai nid d'une bergère; J'adore son jupon Fripon.
Amour, tu viens en elle, Car c'est dans sa prunelle Que tu mets ton carquois, Narquois!
Moi, je la chante, et j'aime Plus que Diane même Jeanne et ses durs tétons Bretons. [8]
Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.
Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.
Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!
Telkens vroeg hij aan den geneesheer: "Er is immers geen gevaar meer?" Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.
In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haar paarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.
Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.
Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.
Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan 't leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.
Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.
Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in 't spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.