De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Part 13

Chapter 133,710 wordsPublic domain

Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan 't azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over 't hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.

't Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. 't Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.

Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, 't welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in 't gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.

Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.

Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, 't welk iedereen kent.

Hij keerde zich om.

Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.

't Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.

Jean Valjean herkende Javert.

De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die--luidens de bij hem gevonden nota--hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.

Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! 't Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, 't geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.

Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.

Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.

Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:

"Wie zijt gij?"

"Ik."

"Wie, gij?"

"Jean Valjean."

Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.

Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.

"Inspecteur Javert," zeide hij, "gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe."

Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:

"Wat doet ge hier? en wie is deze man?"

Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.

Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:

"Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders."

Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.

Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.

"Deze man was bij de barricade," zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. "Men noemde hem Marius."

Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.

Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.

"'t Is een gewonde," zei Jean Valjean.

"'t Is een doode," zei Javert.

Jean Valjean antwoordde:

"Neen, nog niet."

"Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?" merkte Javert op.

Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean's zwijgen op deze vraag niet opmerkte.

Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:

"Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...--Ik ben den naam vergeten."

Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.

't Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: "Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6."

Toen riep hij: "Koetsier!"

Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.

Javert behield de portefeuille van Marius.

Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.

Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.

Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.

TIENDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON TOT HET LEVEN.

Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.

Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.

Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.

Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.

Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.

Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.

Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:

"Woont hier iemand, die Gillenormand heet?"

"Ja. Wat wilt ge van hem?"

"Men brengt hem zijn zoon terug."

"Zijn zoon?" zei de portier verstomd.

"Hij is dood."

Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.

De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.

Javert hernam:

"Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier."

"Naar de barricade!" riep de portier.

"Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken."

De portier verroerde zich niet.

"Ga toch!" herhaalde Javert.

En hij voegde er bij:

"Morgen zal men hier een begrafenis hebben."

Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, 't geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.

De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.

Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.

De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.

Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.

"Inspecteur Javert," zei Jean Valjean, "sta mij één ding toe."

"Wat?" vroeg Javert ruw.

"Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt."

Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:

"Koetsier, rue de l'Homme-Armé, nommer 7."

ELFDE HOOFDSTUK.

VERBAZING.

Onderweg spraken zij geen woord meer.

Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.

De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.

Bij den ingang der straat de l'Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.

De koetsier deed "mijnheer den inspecteur" deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.

Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:

"Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?"

"'t Is zeven en een kwart uur," antwoordde de koetsier, "en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur."

Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.

Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.

Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.

Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.

Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.

"Goed," zei Javert. "Ga binnen."

Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof 't hem inspanning kostte, voegde hij er bij:

"Ik wacht u hier."

Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen van Javert was weinig volgens zijn gewoonte. 't Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: "Ik ben het," en hij ging de trap op.

Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, 't geen een opzettelijke verlichting uitwon.

Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.

Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.

Javert was heengegaan.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE GROOTVADER.

Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.

Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: "Is het Gods mogelijk!" Zij voegde er nu en dan bij: "Alles zal met bloed bemorst worden!" Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: "Zoo moest het eindigen!" maar zij ging zooverre niet van te zeggen: "Ik heb het wel gezegd!" zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.

Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam, liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.

De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. 't Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.

Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.

De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.

Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.

't Was de grootvader.

De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.

De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den heer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.

Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.

Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.

Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:

"Marius!"

"Mijnheer," zei Basque, "men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en...."

"Hij is dood!" riep de grijsaard met vreeselijke stem. "O, de booswicht!"

Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.

"Mijnheer," zeide hij, "zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?"

De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.

Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.

"Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! 't Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood."

Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.

"Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge 't nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengen en zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! 't Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!"

De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm: