De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 9

Chapter 93,753 wordsPublic domain

't Waren zeven rijtuigen, die achter elkander over den weg reden. De zes eerste waren van een zonderlingen bouw. 't Waren een soort van ladders op twee wielen, welke ladders vooraan de boomen vormden. Iedere wagen of liever ieder dezer ladders was met vier paarden achter elkander bespannen. Op deze ladders werden zonderlinge menschentrossen voortgesleept. In het halfduister zag men deze menschen niet, men vermoedde ze. Daar waren er vier-en-twintig op ieder voertuig, twaalf aan iedere zijde, met den rug tegen elkander, met het gezicht naar den voorbijganger, met afhangende beenen; aldus togen die menschen voort. Achter hun rug was iets dat klonk, een keten, en aan hun hals iets dat glinsterde, een halsboei. Ieder had een afzonderlijken halsboei, maar de keten was voor allen, zoodat deze vier-en-twintig menschen, wanneer zij van het voertuig kwamen en voortgingen, door een onverbiddelijke eenheid werden samengebonden, en over den grond, met de keten als ruggegraat, ongeveer als een duizendpoot moesten voortkruipen. Op ieder rijtuig stond vóór en ook achter een man, van welke beiden ieder een der einden van den keten onder zijn voeten had. De halsboeien waren vierkant. Het zevende voertuig was een groote vrachtwagen zonder huif, met vier wielen en zes paarden, waarop een hoop ijzeren ketels en pannen, fornuizen en ketens, waartusschen eenige geknevelde menschen lagen uitgestrekt, die ziek schenen. Deze geheel open wagen was voorzien van vervallen horden, die tot de voormalige strafpleging schenen gediend te hebben.

Deze voertuigen hielden het midden van den weg. Aan beide zijden gingen, in een dubbele rij, wachten met eerlooze gezichten, en met driekante hoeden op 't hoofd als de soldaten van het Directoire; zij droegen gescheurde, smerige uniformrokken van invaliden en half grijze en blauwe havelooze pantalons, wijders roode epauletten, gele bandeliers, korte sabels, geweren en stokken; zij geleken trosboeven. Deze sbirren schenen uit het uitvaagsel der bedelaars te bestaan, met het gezag van den beul. Hij, die hun chef scheen, hield een postzweep in de hand.

Al deze, in de morgenschemering onduidelijke, bijzonderheden werden meer en meer zichtbaar, naarmate de dag helderder werd. Vóór en achter den wagentrein reden gendarmes te paard statig met de sabel in de hand.

Deze trein was zoo lang, dat toen het eerste voertuig reeds bij de barrière was, het laatste nauwelijks den boulevard verlaten had.

Een menigte menschen, met die onbegrijpelijke snelheid te zamen gekomen, als dit te Parijs immer geschiedt, verdrongen elkaar aan beide zijden van den weg, om te zien.

De mannen op de voertuigen lieten zich zwijgend hotsen. Zij waren blond van de morgenkoude. Allen droegen linnen broeken en klompen aan de bloote voeten. Het overige hunner kleeding was naar de luim der armoede. Hun plunje was van de afschuwelijkste tegenstrijdigheid; niets is treuriger dan een harlekijn in lompen. Gedeukte hoeden, geteerde petten, vuile wollen mutsen, en naast de boezeroen den zwarten rok met gaten in de ellebogen, verscheidenen droegen vrouwenhoeden; anderen een mand op het hoofd; men zag harige borsten, en door de scheuren der plunje onderscheidde men tatoueeringen; liefdetempels, vlammende harten, cupido's. Ook kwaadzeer en boosaardige puisten. Twee of drie hunner lieten, als op een stijgbeugel, hun voeten rusten op een van stroo gedraaid touw, dat onder hen aan de dwarshouten van het voertuig was gehecht. Een hunner had iets in de hand en bracht het aan den mond, dat een zwarte steen geleek, waarop hij beet; 't was brood, dat hij at. Aller oogen waren droog; dof of flikkerend van een heilloos licht. De geleiders vloekten, de geboeiden spraken geen woord; nu en dan hoorde men een stokslag op de ruggen of hoofden vallen; sommigen dier lieden geeuwden; de lompen, die zij droegen, waren afzichtelijk; de beenen hingen, de schouders schommelden, de hoofden stieten tegen elkander, de ijzers rammelden, de oogen vlamden wild; de vuisten balden zich of openden zich krachteloos als de handen van dooden; achter den trein schreeuwde en lachte een troep kinderen.

Deze rij voertuigen, wat ze ook ware, had een treurig aanzien. Morgen, binnen een uur, kon het stortregenen, en weder en weder stortregenen, zoodat de havelooze plunje doornat moest worden; en eenmaal nat zijnde, konden deze lieden zich niet drogen, en ijskoud zich niet verwarmen; hun door en door natte linnen broeken zouden aan hun huid kleven, het water hun klompen vullen, de zweepslagen zouden het klappertanden niet kunnen beletten, de keten zou steeds aan den hals geklemd zijn, hun voeten zouden steeds hangen. 't Was onmogelijk, niet te sidderen bij den aanblik dezer aldus geboeide menschen, die bewegingloos aan de koude herfstvlagen, aan den regen, aan den noordenwind, aan al de stormen der lucht, even als boomen en steenen, waren blootgesteld.

De stokslagen spaarden zelfs de zieken niet, die met koorden gekneveld, bewegingloos op het zevende voertuig lagen, en welke men daar als met ellende gevulde zakken, scheen neergeworpen te hebben.

Eensklaps kwam de zon te voorschijn; de krachtige morgenstraal schoot uit en 't was, alsof hij al deze woeste hoofden deed gloeien; er brak een brand van vreeselijk gelach, gevloek en gezang uit. Het breede horizontale licht doorsneed de rij in tweeën, verlichtte de hoofden en rompen, en liet de voeten en de wielen in de duisternis. De gedachten verschenen op de gezichten; 't was een vreeselijk oogenblik: duivels werden zichtbaar, wier maskers afgevallen waren, woeste zielen geheel bloot. Hoewel verlicht was deze hoop duister. Sommigen, die op hun wijze vroolijk waren, hadden in den mond penneschachten, waaruit zij op de menigte, bij voorkeur op de vrouwen, ongedierte bliezen; het morgenrood deed deze erbarmelijke gestalten in de donkere schaduwen scherp uitkomen; geen dier wezens, dat niet door de ellende misvormd was; 't was zoo afschuwelijk, dat het den glans der zon in bliksemvuur scheen te veranderen. De mannen op het voertuig, dat den trein opende, hadden een lied aangeheven en zongen met oorverdoovend geweld en woeste vroolijkheid een destijds beroemd liedje van Desaugiers la Vestale; de boomen trilden treurig; op de dwarswegen luisterden de burgers met dom vermaak naar deze zedenlooze woorden, die door spoken gezongen werden.

Allerlei ellende was in dezen trein als in een chaos gemengd; men zag er den gezichtshoek van alle dieren, grijsaards en jongelingen, kale hoofden, grijze baarden, de afschuwelijkste onbeschaamdheid, tartende onderwerping, wilde opwellingen, bespottelijke houdingen, hoofden als van meisjes met krullen langs de slapen, kinderlijke gezichten en daarom te afschuwelijker, gezichten als doodshoofden waaraan niets dan de dood ontbrak. Op het eerste rijtuig zag men een neger, die misschien slaaf was geweest en de verschillende ketens vergelijken kon. De vreeselijke gelijkheid der schande was over deze hoofden gegaan; in die diepte van uiterste verlaging waren allen gezonken, en de onwetendheid in wezenloosheid veranderd, was de gelijke van de schranderheid, tot wanhoop gebracht. Er was geen keuze mogelijk tusschen deze lieden, die voor den blik verschenen als het uitgeworpene van het slijk. 't Was blijkbaar, dat de bestuurder van dezen onreinen troep, ze niet in klassen verdeeld had. Zij waren geboeid en gekoppeld, waarschijnlijk naar alphabetische volgorde, en alzoo verward dooreen op deze voertuigen geladen. Maar alle groepen van afschuwelijkheden vormen een geheel; iedere optelling van ongelukkigen geeft een totaal; uit iedere keten kwam een gemeenschappelijke ziel te voorschijn en ieder voertuig had zijn bijzondere physionomie. Naast het voertuig dat zong, was er een dat brulde; een derde bedelde; men zag er een dat knarsetandde; een ander dreigde de voorbijgangers; een ander lasterde God; het laatste zweeg als het graf. Dante zou gemeend hebben, de zeven kringen der hel in beweging te zien. Het was de akelige tocht der veroordeelden naar de strafplaats, niet op den vreeselijken, vlammenden wagen der Apokalypsis, maar, vreeselijker, op de kar naar het galgenveld.

Een der wachters, die een haak aan zijn stok had, maakte nu en dan een beweging, alsof hij in dien menschelijken vuilnishoop roerde. Onder de toeschouwers was eene oude vrouw, die een vijfjarig knaapje met den vinger deze lieden aanwees en zeide: "Deugniet, neem daar een les aan."

Toen het gezang en gevloek erger werden, klapte degene die de kapitein van het escorte scheen met zijn zweep, en bij dit sein viel een vreeselijke hagelbui van doffe, in den blinde toegebrachte stokslagen op de zeven voertuigen; velen brulden en schuimbekten, 't geen 't gejuich der toegesnelde straatjongens verdubbelde; een zwerm vliegen op deze wonden.

Het oog van Jean Valjean was schrikbarend geworden. Het was geen oog meer, het was die glazige diepte, welke bij sommige ongelukkigen den blik vervangt, die onbewust schijnt van de wezenlijkheid en waarin de weerkaatsing der ontzetting vlamt. Hij zag geen voorwerp, hij was onder den druk van een visioen. Hij wilde opstaan, vluchten, ontsnappen; maar hij kon geen voet verzetten. Soms wordt men aangegrepen en vastgehouden door de dingen welke men ziet. Hij was als vastgenageld, versteend, wezenloos, en vroeg zich in een verwarden, onuitsprekelijken angst af, wat deze spookachtige verschijning beteekende en waaruit deze hel kwam, die hem vervolgde. Eensklaps sloeg hij de hand aan zijn hoofd, de gewone beweging van hen in wie plotseling het geheugen wederkeert; hij herinnerde zich, dat deze weg de gewone weg was, langs welken de galeiboeven werden vervoerd, en men dezen omweg gewoonlijk maakte om de ontmoetingen met het hof te vermijden, die op den weg van Fontainebleau elk oogenblik mogelijk waren, en dat hij vijfendertig jaren geleden deze zelfde barrière was doorgegaan.

Cosette was, hoewel op andere wijze, niet minder ontsteld. Zij begreep niet, de adem ontbrak haar; wat zij zag scheen haar onmogelijk, eindelijk riep zij:

"Vader, wat is er toch op deze wagens?"

Jean Valjean antwoordde:

"Tuchtelingen."

"Waar gaan zij heen?"

"Naar het bagno."

Op dit oogenblik voegden zich juist bij de stokslagen, door honderden handen ijverig toegedeeld, slagen met het plat der sabels, 't geen een woedende bui van sabel- en stokslagen veroorzaakte; de tuchtelingen bogen zich, een afschuwelijke gehoorzaamheid volgde op de straf en allen zwegen met blikken als van geketende wolven. Cosette beefde over al haar leden; zij hernam: "Vader, zijn deze wezens werkelijk nog menschen?"

"Somtijds," zei de ongelukkige.

't Was inderdaad de galeiboeven-keten, die vóór 't aanbreken van den dag Bicêtre had verlaten en den weg van Mans insloeg, om Fontainebleau te vermijden, waar zich toen 't hof bevond. Deze omweg verlengde de schrikkelijke reis met drie of vier dagen, maar om de koninklijke personen het gezicht van zulke folteringen te besparen, mocht men haar wel verlengen.

Jean Valjean kwam zeer neerslachtig te huis. Zulke ontmoetingen zijn schokken; en de herinnering, welke zij achterlaten, heeft gelijkenis met een aardbeving.

Toen Jean Valjean met Cosette naar de Babelstraat wederkeerde, merkte hij overigens niet op, dat zij hem meerdere vragen deed aangaande hetgeen zij gezien hadden; misschien was hij te diep in zijn verslagenheid verzonken om haar woorden te hooren en haar te antwoorden. Maar des avonds, toen Cosette hem verliet om naar bed te gaan, hoorde hij haar halfluid en als bij zich zelve zeggen: "Mijn Hemel! mij dunkt, dat, zoo ik een dier menschen ontmoette, ik zou sterven, enkel door hem van nabij te zien!"

Gelukkig waren er toevallig, den dag na dit treurig voorval, bij gelegenheid van ik weet niet welke officiëele plechtigheid, feesten te Parijs, een revue op het Marsveld, wedstrijd op de Seine, spelen in de Champs Elysées, vuurwerk aan den boog der Etoile, algemeene illuminatie. Jean Valjean deed zich geweld aan, en geleidde haar naar deze vermakelijkheden, om haar de herinnering aan den vorigen dag te doen vergeten, en onder het vroolijk gewoel van geheel Parijs het afschuwelijke uit te wisschen, dat haar was voorbijgegaan. De revue, welke het feest kruidde, deed natuurlijk al de uniformen voor den dag komen; Jean Valjean trok ook zijn uniform van nationale garde aan, schier met het heimelijk gevoel van iemand, die zich verbergt. Overigens scheen het doel dier wandeling bereikt: Cosette, die het zich ten wet stelde steeds den zin haars vaders te doen en voor wie overigens alle vertooningen nieuw waren, nam deze uitspanning aan, met de ongedwongen en luchthartige vriendelijkheid der jeugd, en betoonde zich in haar oordeel niet al te streng omtrent de vreugde van hetgeen men een openbaar feest noemt; zoodat Jean Valjean mocht gelooven, dat hij in zijn oogmerk geslaagd was en geen spoor meer van de afschuwelijke verschijning bij haar achterbleef.

Eenige dagen later, op een ochtend, dat de zon heerlijk scheen, en beiden op de stoep van den tuin stonden--wederom een inbreuk op de regels, welke Jean Valjean zich scheen opgelegd te hebben, en tegen de gewoonte van Cosette, die de droefgeestigheid haar had doen aannemen, die nl. van in haar kamer te blijven--Cosette, in ochtendgewaad, in dat negligé van het vroege morgenuur, 't welk de jonge meisjes zoo liefelijk omhult en een wolkje om een ster schijnt, nog blozend van den gerusten slaap, vriendelijk aanschouwd door den verteederden grijsaard, ontbladerde een madeliefje. Cosette kende het lieve spreukje niet: "ik bemin u, een weinig, hartstochtelijk" enz.; wie zou 't haar geleerd hebben? Zij speelde met het bloempje werktuiglijk, onschuldig, zonder te beseffen, dat zij door een madeliefje te ontbladeren een hart verscheurde. Zoo er een vierde gratie ware, de droefgeestigheid genoemd, en deze glimlachte, zou zij 't beeld dezer gratie vertoond hebben. Jean Valjean was verrukt, toen hij haar kleine vingers met het bloempje zag spelen en vergat alles in den glans dien het meisje omgaf. Een roodborstje tjilpte in het naaste bosschage. Witte wolkjes dreven zoo vroolijk in de lucht, dat het scheen als waren zij zoo even in vrijheid gesteld. Cosette ontbladerde steeds ijverig haar bloempje; zij scheen aan iets te denken! 't moest iets aangenaams zijn; eensklaps draaide zij langzaam het hoofd op de schouders om, met de sierlijke bedaardheid van de zwaan en zeide tot Jean Valjean: "Vader, wat is toch het bagno?"

BOEK IV.

HULP VAN BENEDEN KAN SOMS HULP VAN BOVEN ZIJN.

EERSTE HOOFDSTUK.

UITWENDIGE VERWONDING, INWENDIGE GENEZING.

Trapswijze verduisterde zich alzoo hun leven.

Hun bleef echter nog een afleiding over, die vroeger een geluk was geweest, namelijk brood te brengen aan hen die hongerden, en kleederen aan hen die koû leden. Bij dit bezoek der armen, waarbij Cosette dikwerf Jean Valjean vergezelde, hervonden zij eenige overblijfselen hunner vorige verrukking; vaak, wanneer het een goede dag was geweest, wanneer veel nood gelenigd was, en vele kleine kinderen verkwikt en verwarmd waren, was Cosette des avonds eenigszins vroolijk. 't Was in dezen tijd, dat zij Jondrette in zijn armoedig verblijf bezochten.

Den dag na dat bezoek verscheen Jean Valjean des morgens in het paviljoen even bedaard als gewoonlijk, maar met een groote, zeer ontstoken, boosaardige wonde aan den linkerarm, welke een brandwonde scheen, en die hij zoo goed mogelijk verklaarde. Deze wonde veroorzaakte, dat hij langer dan een maand de koorts had en niet uitging. Hij wilde geen heelmeester. Toen Cosette hierop bij hem aandrong, zeide hij: Roep den hondendokter.

Cosette verbond hem 's morgens en 's avonds met zulk een hemelschen glimlach en met zulk een engelachtige vreugde, hem nuttig te kunnen zijn, dat Jean Valjean zijn vroeger geluk voelde terugkeeren en zijn vrees en angst verdwijnen, en Cosette aanschouwende, zeide hij: "O welk een gelukkige wond! Welk een goed kwaad!"

Cosette had, bij de ongesteldheid van haar vader, het paviljoen verlaten en weder liefde voor de kleine woning en de achterplaats opgevat. Schier den ganschen dag bracht zij bij Jean Valjean door, en las hem uit de boeken, welke hij verkoos. Meestal waren 't reisbeschrijvingen. Jean Valjean was als herboren; zijn geluk herleefde als met nieuwen glans; het Luxembourg, de onbekende jonge sluiper, Cosette's verkoeling, al deze wolken zijner ziel verdwenen. Hij zeide zelfs bij zich zelven: "Ik heb mij dit alles slechts verbeeld; ik ben een oude dwaas."

Zijn geluk was zoo groot, dat de schrikkelijke, onverwachte ontmoeting der Thénardiers, in het verblijf van Jondrette, om zoo te zeggen, bij hem was neergegleden. 't Was hem gelukt te ontsnappen; zijn spoor was verloren, wat kon hem het overige schelen! hij dacht er slechts aan, deze ellendigen te beklagen. Nu waren zij in de gevangenis en buiten staat voortaan te schaden, dacht hij; maar welk een beklagenswaardige familie in nood en ellende!

Van de afschuwelijke verschijning aan de barrière du Maine had Cosette niet meer gesproken.

In 't klooster had zuster St. Mechtilde Cosette muziek geleerd. Cosette had de stem van een nachtegaal, die eene ziel bezat, en soms zong zij des avonds in het eenvoudig kamertje van den gekwetste treurige liederen, die Jean Valjean opvroolijkten.

De lente kwam, de tuin was in dat jaargetijde zoo heerlijk, dat Jean Valjean tot Cosette zeide: "Gij komt bijna niet meer in den tuin; ga er wandelen."

"Zooals ge wilt, vader," zei Cosette.

En om haar vader te gehoorzamen, hervatte zij de wandelingen in haar tuin, meestal alleen, want, zooals gezegd is, kwam Jean Valjean, waarschijnlijk uit vrees van door het hek gezien te worden, er schier nooit.

De wonde van Jean Valjean was een afleiding geweest.

Toen Cosette zag, dat haar vader minder pijn had, dat hij genas en gelukkig scheen, gevoelde zij zich zoo tevreden, dat zij 't zelfs niet eens opmerkte, zoo zacht en natuurlijk was dit gekomen. 't Was bovendien Maart, de dagen werden langer, de winter ging voorbij; de winter neemt altijd iets van onze treurigheden mede; toen kwam April, die morgenstond van den zomer, frisch als iedere dageraad, vroolijk als de kindsheid; soms een weinig schreiend gelijk een pasgeboren kind, dat zij ook is. De natuur heeft in die maand een bekoorlijk licht, dat uit den hemel, uit de wolken, uit de boomen, uit de weiden, uit de bloemen in het hart van den mensch overgaat.

Cosette was nog te jong om door die vreugd van April, welke haar geleek, niet doordrongen te worden. Ongemerkt en zonder dat zij er aan dacht verdween de duisternis uit haar gemoed. In de lente is 't licht in de treurige harten, evenals 't op den middag licht is in de kelders. Cosette was zelfs niet zeer treurig meer. 't Was inderdaad zoo, maar zij sloeg er geen acht op. Des morgens tegen tien uren, na het ontbijt, wanneer 't haar gelukt was haar vader voor een kwartier mede naar den tuin te troonen, en zij met hem op de stoep in de zon wandelde, terwijl ze zijn gekwetsten arm in den haren hield, lette zij er niet op, dat zij telkens lachte en gelukkig was.

Jean Valjean was verrukt, haar weder blozend en opgeruimd te zien worden.

"O, welk een gelukkige wonde!" herhaalde hij zacht.

En hij was den Thénardiers dankbaar.

Toen zijn wonde genezen was, begon hij weder zijn eenzame wandelingen in den schemeravond.

Men zou zich vergissen, zoo men meende, dat men op deze wijze lang alleen in de onbewoonde streken van Parijs kan wandelen, zonder eenig avontuur te ontmoeten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

'T IS VOOR MOEDER PLUTARCHUS NIET MOEIELIJK EEN VERSCHIJNSEL TE VERKLAREN.

Op zekeren avond had de kleine Gavroche niet gegeten; hij herinnerde zich, dat hij ook den vorigen middag niet had gegeten; dat werd onaangenaam. Hij besloot een poging te doen om zich een avondmaal te bezorgen. Hij ging dus voorbij la Salpetrière, naar eenzame plaatsen, waar het best iets te vinden is; waar niemand is, vindt men iets. Hij kwam aan eenige huizen, die hem het dorp Austerlitz schenen te zijn.

Op een zijner vroegere tochten had hij hier een ouden tuin opgemerkt, bewoond door een oud man en een oude vrouw, en in dien tuin een tamelijk goeden appelboom. Naast dien appelboom stond een fruithok, dat slecht gesloten was en waar gemakkelijk een appel was te kapen. Een appel is een avondmaal, een appel is het leven. Wat Adam deed verloren gaan, kon Gavroche redden. Langs den tuin liep een eenzame ongeplaveide straat, tusschen struikgewas, in afwachting dat er huizen zouden komen; een heg scheidde haar van den tuin.

Gavroche ging naar dien tuin; hij vond de straat terug, herkende den appelboom, en het fruithok daarnaast; onderzocht de heg, die hij gemakkelijk kon overspringen. De avond daalde, geen kat was in de straat, 't oogenblik was gunstig. Gavroche wilde juist over de heg gaan, maar bleef plotseling staan. In den tuin werd gesproken. Gavroche tuurde door de heg.

Twee schreden van hem, aan gene zijde van de heg, juist ter plaatse waar hij bij zijn overklimming zou terecht zijn gekomen, lag een steen, die voor bank diende en waarop de oude huurder van den tuin zat. Een oude vrouw stond voor hem. Deze bromde. Gavroche luisterde nieuwsgierig.

"Mijnheer Mabeuf!" zei de oude vrouw.

"Mabeuf!" dacht Gavroche, "een grappige naam!"

De aangesproken oude man verroerde zich niet. De oude vrouw herhaalde:

"Mijnheer Mabeuf!"

De grijsaard antwoordde eindelijk, zonder de oogen op te slaan:

"Wat is er, moeder Plutarchus?"

"Moeder Plutarchus!" dacht Gavroche, "weder een grappige naam."

Moeder Plutarchus hernam, en de oude man was gedwongen in een gesprek te treden:

"De huisheer is ontevreden."

"Waarom?"

"Ge zijt hem drie kwartalen huur schuldig."

"Na drie maanden zal ik hem vier kwartalen schuldig zijn."

"Hij zegt dat hij u uit het huis zal laten zetten."

"Ik zal gaan."

"De groentevrouw wil betaald worden. Zij wil geen brandhout meer geven. Wat zullen wij van den winter stoken? Wij zullen geen hout hebben."

"Wij hebben de zon."

"De slachter wil niet meer borgen; hij wil geen vleesch meer leveren."

"Dat komt heel goed. Mijn spijsvertering is slecht en het vleesch voor mij te zwaar."

"Wat zullen wij dan eten?"

"Brood."

"De bakker wil iets op rekening betaald hebben, en zegt: geen geld, geen brood."

"Goed."

"Wat zullen wij dus eten?"

"De appels van den appelboom."

"Maar, mijnheer, men kan toch zonder geld niet leven."

"Ik heb het niet."

De oude vrouw verwijderde zich, de grijsaard bleef alleen. Hij gaf zich aan zijn gedachten over. Ook Gavroche dacht. 't Was bijna donker.

Het eerste resultaat van Gavroches overdenking was, dat hij, in plaats van over de heg te klimmen, er zich tegen legde. Onder aan de heg vormden de takken een kleine holte.

Zie! dacht Gavroche, een volmaakte bedstede; en hij kroop er in. Hij lag met den rug schier tegen de bank van mijnheer Mabeuf, en hoorde den tachtigjarige ademen.

In plaats van te eten, poogde hij nu te slapen.

't Was een hazenslaap, met één oog open. Sluimerende bleef Gavroche opmerken.

De heldere schemering van den hemel viel op de aarde, en de straat vormde een vale streep tusschen twee donkere heggen. Eensklaps verschenen in die schemerachtige streep twee donkere gestalten. De eene ging vooruit, de andere volgde op eenigen afstand.

"Daar komen er twee," bromde Gavroche.

De eerste gestalte scheen een oud, gebogen, peinzend burgerman, meer dan eenvoudig gekleed, die uithoofde van zijn ouderdom langzaam ging, en een avondwandeling scheen te doen.