De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 30

Chapter 301,731 wordsPublic domain

Quelqu'un veut-il jouer aux quilles? Tout le vieux monde s'écroula. Quand la grosse boule roula.

Où vont les belles filles, Lon la.

Vieux bon peuple, à coups de béquilles, Cassons ce Louvre où s'étala La monarchie en falbala.

Où vont les belles filles, Lon la.

Nous en avons forcé les grilles, Le roi Charles Dix, ce jour-là Tenait mal et se décolla.

Où vont les belles filles, Lon la. [15]

Het in 't geweer komen van den wachtpost was niet zonder gevolg. De kar werd veroverd, de dronkaard gevangengenomen. De eene werd in een bergplaats gebracht, de andere later als medeplichtige aan den opstand een weinig door den krijgsraad vervolgd. Het openbaar ministerie van dien tijd gaf bij deze gelegenheid een bewijs van zijn onvermoeibaren ijver ter verdediging der maatschappij.

Het avontuur van Gavroche, dat als overlevering in de wijk van den Tempel bewaard is gebleven, is een der vreeselijkste herinneringen van de oude burgers van het Marais, en draagt in hun geheugen den titel van: "Nachtelijke aanval tegen den post der koninklijke drukkerij."

EINDE VAN HET VIERDE DEEL.

INHOUD.

Boek I.

Eenige bladzijden geschiedenis.

Bladz. I. Goed gesneden 7 II. Slecht genaaid 12 III. Lodewijk Filips 15 IV. Scheuren in de fundamenten 22 V. Feiten, waaruit de geschiedenis voortkomt, maar welke de geschiedenis niet kent 29 VI. Enjolras en zijn luitenants 38

Boek II.

Eponine.

I. Het veld van de Leeuwerik 45 II. Het ontstaan van de kiemen der misdaden in de gevangenissen 50 III. Vader Mabeuf heeft een verschijning 54 IV. Marius heeft een verschijning 58

Boek III.

Het huis in de straat Plumet.

I. Het verborgen huis 65 II. Jean Valjean nationale garde 69 III. Bladeren en bloesems 71 IV. Verandering van het hek 74 V. De roos bespeurt dat zij een wapen is 79 VI. De veldslag begint 83 VII. Tegen treurigheid nog grooter treurigheid 86 VIII. De galeiketen 90

Boek IV.

Hulp van beneden kan soms hulp van boven zijn.

I. Uitwendige verwonding, inwendige genezing 101 II. 't Is voor moeder Plutarchus niet moeielijk een verschijnsel te verklaren 103

Boek V.

Welks einde het begin niet gelijkt.

I. De eenzaamheid en de kazerne 113 II. Vrees van Cosette 115 III. Opmerkingen van vrouw Toussaint 118 IV. Een hart onder een steen 120 V. Cosette na den brief 125 VI. De ouden zijn bestemd om ten geschikten tijde uit te gaan 127

Boek VI.

De kleine Gavroche.

I. Ondeugende streek van den wind 133 II. Hoe de kleine Gavroche zich Napoleon den Groote ten nutte maakt 136 III. De ontvluchting 155

Boek VII.

De dieventaal.

III. De weenende en de lachende dieventaal 170 IV. De twee plichten: waken en hopen 173

Boek VIII.

Verrukking en droefheid.

I. Helderheid 181 II. De bedwelming van het volmaakte geluk 186 III. Begin der schaduw 188 IV. De hond 191 V. Des nachts 198 VI. Marius keert in zooverre tot de werkelijkheid terug, dat hij aan Cosette zijn adres geeft 198 VII. Het jonge en het oude hart tegenover elkander 204

Boek IX.

Waarheen gaan zij?

I. Jean Valjean 219 II. Marius 220 III. De heer Mabeuf 223

Boek X.

De vijfde Juni 1832.

I. Het oppervlakkige der quaestie 229 II. De grond der quaestie 232 III. Een begrafenis: kans tot wedergeboorte 236 IV. De gistingen van eertijds 241 V. Eigenaardigheid van Parijs 245

Boek XI.

Het stofdeeltje verbroedert zich met den orkaan.

I. Eenige ophelderingen nopens den oorsprong van Gavroches poëzie.--Invloed van een lid der academie op deze poëzie 251 II. Gavroche op marsch 253 III. Billijke verontwaardiging van een kapper en een barbier 256 IV. De knaap verwondert zich over den grijsaard 258 V. De grijsaard 259 VI. Recruten 261

Boek XII.

Corinthe.

I. Geschiedenis van Corinthe sinds zijn stichting 265 II. Voorloopige vroolijkheid 269 III. De nacht daalt op Grantaire 277 IV. Pogingen van troost op de weduwe Hucheloup 280 V. De toebereidselen 283 VI. In afwachting 285 VII. De man, dien men in de Billettes-straat had ontmoet 288 VIII. Verscheidene vraagteekens betreffende een zekeren le Cabuc, die misschien niet le Cabuc heette 292

Boek XIII.

Marius treedt in de schaduw.

I. Van de straat Plumet naar de wijk St. Denis 299 II. Parijs uit de uilenvlucht gezien 301 III. De uiterste rand 304

Boek XIV.

De grootheid der wanhoop.

I. De vlag: eerste bedrijf 313 II. De vlag: tweede bedrijf 316 III. Gavroche had beter gedaan de karabijn van Enjolras te nemen 318 IV. Het vaatje buskruit 319 V. Einde van Jean Prouvaires gedicht 322 VI. Het zieltogen des doods na het zieltogen des levens 323 VII. Gavroche, een diepzinnig berekenaar der afstanden 328

Boek XV.

De Rue de l'Homme Armé.

I. Drinker, babbelaar 335 II. De straatjongen een vijand van lichten 343 III. Terwijl Cosette en vrouw Toussaint slapen 346 IV. Overdreven ijver van Gavroche 348

AANTEEKENINGEN

[1] Monte à Regret (met tegenzin beklommen) het schavot.

[2] Beroemd woord in les Horaces.

[3] Een laag mastik op een vensterruit gelegd, houdt de stukken glas tegen en verhindert het gerucht.

[4] Des nachts kan men niets zien.--Des daags ziet men zeer goed.--De burger is vol angst voor apocrief geschrift. Houdt u altijd goed, al is 't ook dat ge pijn in 't lijf krijgt!

[5] Uitgezonderd den laatsten regel: "Ik heb slechts een God, een koning, een oortje en een laars," is er eigenlijk in het geheele liedje volstrekt geen zin.

[6] Daar schommelt het afgrijselijk rif Eens minnaars die er zich verhing.

[7] Carpe horas beteekent: maak u den tijd ten nutte.

[8] In de verte verbaast zij, dichtbij verschrikt zij. Op haar neus zit een stoutmoedige wrat. Men beeft ieder oogenblik, dat zij hem zal afsnuiten en haar neus op een mooien dag in haar mond zal vallen.

[9] Onthaal u zoo ge kunt en eet zoo gij het waagt.

[10] Herinnert ge u ons bekoorlijk leven, toen wij, beiden nog jong, niets anders begeerden dan fraai gekleed te zijn en te beminnen. Toen wij geen veertig jaren telden wanneer wij ons beider leeftijd samenvoegden; terwijl in onze kleine, stille huishouding alles, zelfs de winter, lente voor ons was.

Schoone dagen! Manuel was fier en wijs; Parijs vierde heilige feestmalen, Foy schoot bliksems, en aan uw keurs was een speld, waaraan ik mij prikte.

Allen aanschouwden u. Ik was een advocaat zonder zaken, toen ik u naar het Prado ten eten voerde. Gij waart zoo schoon, dat het mij scheen, alsof de rozen zich omkeerden om u te zien.

Ik hoorde ze zeggen: hoe schoon is zij! Welk een liefelijke geur! Welk golvend haar! Zij verbergt onder haar mantilje een vleugel; haar bekoorlijk mutsje is nauwelijks ontsloten.

Ik doolde met u, en drukte uw malschen arm. De wandelaars geloofden, dat de verrukte liefde in ons gelukkig paar de zachte maand April met de schoone Meimaand had gehuwd.

Wij leefden verscholen, tevreden, met gesloten deur en smaakten de liefde, de heerlijke verbodene vrucht. Mijn mond zeide niets of uw hart had het reeds beantwoord.

De Sorbonne was het landelijke oord, waar ik u van 's morgens tot 's avonds aanbad. Alzoo past een minnend hart de kaart van het teedere op de latijnsche wijk toe.

O plein Maubert! O plein Dauphine! Wanneer ge in het frissche lentekamertje de kous aan uw fijn been deedt, zag ik een ster op den bodem.

Ik heb Plato gelezen, maar niets er van onthouden. Gij beweest mij beter dan Malebranche en Lamennais de goedheid des hemels door een bloem, welke gij mij gaaft. Ik gehoorzaamde u, ge waart mij onderworpen. O lief vlieringkamertje! Uw corset te rijgen, u 's morgens vroeg in uw hemd te zien heen en wedergaan, uw jeugdig hoofd in uw ouden spiegel weerkaatsend!

Wie zou dien tijd van morgenrood, linten, bloemen, gaas en moiré kunnen vergeten, toen de liefde haar bekoorlijke, geheimzinnige taal fluisterde!

Onze tuin was een tulpenpot; uw onderrok diende tot gordijn voor het venster, ik nam de aarden kom en gaf u den japanschen kop.

En de groote rampen, waarom wij lachten! Uw mouw brandde, ge verloort uw boa! En wij verkochten het fraai portret van Shakespeare, om er 's avonds voor te kunnen eten. Ik was een bedelaar en gij waart milddadig. In de vlucht kuste ik uw schoone, ronde armen. Dante in-folio diende ons tot tafel, om er kastanjes aan te eten.

Toen ik in mijn vroolijk verblijf voor het eerst uw gloeiende lippen kuste en gij met verward haar en blozend heengingt, bleef ik verbleekt staan, en geloofde aan God.

Herinnert ge u ons onmetelijk geluk en al uw gehavende halsdoekjes. O, hoeveel zuchten zijn uit onze volle harten ten hemel gestegen.

[11] Mijn neus druipt; mijn vriend Bugeaud, leen mij uw gendarmes, ik heb hun iets te zeggen: In blauwe kapotjas, met de kip op de shako, ziedaar de voorstad! Kukeleku!

[12] Zoodra de gendarm Lafayette ziet, roept hij: Vluchten wij, vluchten wij!

[13] Buvard, Bavard, in 't oorspronkelijke; het eerste beteekent een schrijfportefeuille met vloeipapier dat dient om het geschrevene te drogen.

[14] De vogel lastert in den boom en beweert dat Atala gisteren met een Rus is voortgegaan.--Waarheen gaan de schoone meisjes, la la!

Mijn vriend Pierrot, gij babbelt, omdat Mila laatst aan haar venster klopte en mij riep.--Waarheen enz.

Die meisjes zijn zeer bekoorlijk. Haar vergift, waarmede zij mij betooverden, zou zelfs mijnheer Orfila dronken maken. Waarheen enz.

Ik houd van de liefde en haar gekweel, ik bemin Agnes, ik bemin Pamela, Lize brandde zich zelve door mij in vlam te zetten.--Waarheen enz.

Eertijds toen ik de mantilles van Suzette en Zeila zag, verschool zich mijn hart in haar plooien.--Waarheen enz.

Liefde, wanneer gij, in de schaduw schitterend, Lola met rozen omkranst, zou ik er mijn ziel voor willen geven.--Waarheen enz.

Jeanne, ge kleedt u voor uw spiegel! Mijn ziel ontvlood op zekeren dag; ik geloof dat Jeanne ze heeft.--Waarheen enz.

Des avonds wanneer ik van het bal kom, wijs ik Stella aan de sterren en zeg: aanschouwt haar.--Waarheen enz.

[15] Er zijn nog altijd bastilles, maar ik zal de openbare orde terecht brengen.--Waarheen enz.

Wil iemand kegelen gaan? De oude wereld stortte in toen de groote kogel rolde.--Waarheen enz.

Oud, goed volk, laat ons met krukken het Louvre inslaan, waar de monarchie in falbala prijkt.--Waarheen enz.

Wij hebben de hekken opengebroken, dien dag hield koning Karel X zich slecht en ging heen.--Waarheen enz.