Part 29
Toen hij nu zag, dat dit bepaald voorbij was, dat zij hem ontsnapte, dat zij uit zijn handen glipte, dat zij water, nevel was, toen hij voor zijn oogen deze verpletterende waarheid zag: Een ander is het doel van haar hart, een ander is de wensch haars levens; zij heeft een minnaar; ik ben slechts de vader; ik besta niet meer;--toen hij niet langer kon twijfelen en tot zich zelven zeide: Zij verwijdert zich van mij!--overtrof de smart, welke hij gevoelde, alle voorstelling. Alles te hebben gedaan, wat hij had gedaan, om op dit punt te komen! en om inderdaad niets te zijn. Toen, zooals wij gezegd hebben, huiverde hij van weerzin van het hoofd tot de voeten. Hij gevoelde tot in de wortels van zijn haar zijn zelfzucht ontwaken, en het ik brulde in den afgrond van dezen man.
Er zijn inwendige instortingen. Een wanhopige zekerheid dringt niet bij den mensch binnen zonder zekere diepe elementen te verwijderen en te verbreken, welke soms de mensch zelf zijn. Wanneer de smart tot dien graad is gekomen, nemen al de krachten van het zelfbewustzijn de vlucht. 't Is een noodlottige crisis. Weinigen onzer komen er ongedeerd en trouw aan den plicht uit te voorschijn. Zoodra de grens van het lijden overschreden is, wankelt zelfs de onwrikbaarste deugd. Jean Valjean nam de schrijfportefeuille en overtuigde zich nogmaals; hij bleef met strakken blik als versteend over deze onloochenbare regels gebogen; er pakte zich in zijn binnenste zulk een machtige wolk te zamen, dat men zou gemeend hebben, dat dit geheel inwendig bestaan zou verpletterd worden.
Hij onderzocht deze openbaring, door 't vergrootglas zijner gepeinzen, met eene schijnbare kalmte, die vreeselijk was, want het is inderdaad verschrikkelijk, wanneer de kalmte van den mensch de koelheid van een standbeeld bereikt.
Hij mat den schrikbarenden stap, dien zijn lot had gedaan zonder dat hij het vermoedde; hij herinnerde zich zijn vrees van den vorigen zomer, welke hij zoo dwaselijk verdreven had; hij ontdekte den afgrond; 't was altijd dezelfde, maar nu bevond zich Jean Valjean niet meer op den rand er van, maar op den bodem.
't Was een vreemde en smartelijke zaak; hij was gevallen zonder 't bemerkt te hebben. Al het licht zijns levens was verdwenen, hoewel hij gemeend had steeds de zon te zien.
Zijn instinct aarzelde niet. Hij bracht sommige omstandigheden, sommige daden, het blozen en verbleeken van Cosette in sommige gevallen, met elkander in verband, en zeide bij zich zelven: "Hij is 't." De scherpzinnigheid der wanhoop is een soort van geheimzinnige boog, die nooit zijn doel mist. Terstond bij zijn eerste gissing trof hij Marius. Hij kende den naam niet, maar vond dadelijk den man. Hij zag duidelijk op den bodem zijner onverbiddelijke herinnering, den onbekenden zwerver van het Luxembourg, dien ellendigen jager op minnarijen, dien romantischen lediglooper, dien dwaas, dien laaghartige, want 't is een laaghartigheid meisjes toe te lonken, terwijl haar vader, die haar bemint, naast haar zit.
Na zich volkomen overtuigd te hebben, dat de jongeling hier in 't spel was en alles van hem was gekomen, sloeg Jean Valjean,--de herboren man, de man die zooveel aan zijn ziel gewerkt had, de man die zooveel pogingen had gedaan, zijn leven, zijn ellende en rampen in liefde op te lossen, een blik in zich zelven en zag een spook--den haat.
De grootste smarten bevatten afmatting en moedeloosheid. De mensch, bij wien zij binnentrekken, voelt, dat hem iets verlaat. In de jeugd is haar bezoek treurig, later is het heilloos. Helaas! wanneer het bloed warm, het haar zwart is, wanneer het hoofd recht op het lichaam staat, gelijk de vlam op de kaars, wanneer de rol van het lot nog bijna geheel vol is, wanneer het hart, vervuld met eene gelukkige liefde, nog met volle kracht klopt, wanneer men nog den tijd voor zich heeft om te kunnen herstellen; wanneer men al de vrouwen, de lonken, de toekomst en den horizont nog voor zich heeft; wanneer het leven zijn volkomen kracht heeft,--indien de wanhoop alsdan vreeselijk is, wat moet zij dan in de grijsheid zijn, wanneer de versnellende jaren meer en meer verzwakken, in den schemeravond des levens, wanneer men de starren van het graf begint te zien.
Terwijl hij aldus peinsde, trad vrouw Toussaint binnen. Jean Valjean stond op en vroeg haar:
"Naar welken kant is het? Weet ge het?"
Verbaasd, wist vrouw Toussaint niets te antwoorden, dan:
"Wat belieft u?"
Jean Valjean hernam:
"Hebt ge mij aanstonds niet gezegd, dat men vocht?"
"Ach ja, mijnheer," antwoordde vrouw Toussaint. "'t Is naar den kant van Saint-Merry."
Uit het diepst van onzen geest komt soms, zelfs zonder dat wij het weten, een werktuiglijke beweging. 't Was waarschijnlijk onder den indruk van zulk een beweging, waarvan hij zich nauwelijks bewust was, dat Jean Valjean vijf minuten later zich op de straat bevond.
Hij zat blootshoofds op den straatpaal voor de deur van zijn huis en scheen te luisteren.
't Was geheel donker geworden.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE STRAATJONGEN EEN VIJAND VAN LICHTEN.
Hoe lang bleef hij in die houding? Welke was de eb en vloed zijner treurige gedachten? richtte hij zich weder op? bleef hij gebogen? was hij als gebroken onder zijn zwaarmoedigheid? kon hij zich nog oprichten en in zijn geweten op iets dat vast was steunen? Hij zou het waarschijnlijk zelf niet hebben kunnen zeggen.
De straat was eenzaam. Eenige angstige personen, die haastig naar huis gingen, zagen hem nauwelijks. Ieder voor zich zelven, in tijden van gevaar. De lantaarnopsteker kwam als gewoonlijk de lantaarn aansteken, die vlak tegenover het huis No. 7 stond, en ging heen. Jean Valjean zou voor dengene, die hem aldus in die schaduw had gezien, geen levend mensch hebben geleken. Hij zat op den straatpaal voor zijn deur, bewegingloos als een klomp ijs. De wanhoop verstijft. Men hoorde de stormklok en onduidelijke woeste geruchten. Te midden van dat somber gelui, vermengd met het oproer, sloeg het op St. Paul elf uren, plechtig, zonder overhaasting; want de stormklok is de mensch; het uur is God. De voortgang van den tijd maakte geen indruk op Jean Valjean; hij bewoog zich niet. Intusschen ontstond omstreeks dit oogenblik in de richting der Hallen een geweldig geschiet; het werd door een tweede nog geweldiger gevolgd; 't was waarschijnlijk de aanval tegen de barricade in de straat Chanvrerie, welke wij gezien hebben, dat door Marius werd afgeslagen. Bij deze dubbele losbranding, wier geweld door de stilte des nachts scheen versterkt, ontroerde Jean Valjean; hij richtte zich op, naar de zijde van waar het gerucht kwam, en zonk toen weder op den straatpaal, sloeg de armen over elkander, en langzaam zonk zijn hoofd weder op zijn borst.
Hij hervatte zijn somber gesprek met zich zelven.
Eensklaps sloeg hij de oogen op; men ging in de straat, hij hoorde voetstappen nabij zich, en bij het licht der straatlantaarn, naar den kant der straat, die bij het Archief uitloopt, zag hij een bleek, jeugdig en opgewekt gelaat.
Gavroche was in de rue de l'Homme-Armé gekomen.
Hij zag naar boven en scheen iets te zoeken. Hij zag zeer duidelijk Jean Valjean, maar lette niet op hem.
Na omhoog te hebben gezien, keek Gavroche nu naar beneden; hij ging op de teenen staan en betastte de deuren en vensters der huizen; zij waren alle gesloten en gegrendeld. Na vijf of zes derwijze versperde huizen onderzocht te hebben, haalde de straatjongen de schouders op en mompelde bij zich zelven: Verduiveld! Toen keek hij weder omhoog. Jean Valjean, die een oogenblik te voren, in de gemoedsstemming, waarin hij was, niemand toegesproken of geantwoord zou hebben, gevoelde zich onwederstaanbaar gedrongen een woord tot dezen knaap te richten.
"Kleine," zeide hij, "wat wilt ge?"
"Ik heb honger," antwoordde Gavroche onbewimpeld. En hij voegde er bij: "Kleine!? Gij zijt zelf klein."
Jean Valjean tastte in zijn zak en haalde er een vijffrancstuk uit.
Maar Gavroche, een soort van kwikstaart, die schielijk van de eene tot de andere beweging overging, had een steen opgeraapt. Hij had de lantaarn in 't oog gekregen.
"Zoo!" zeide hij, "hebt ge hier uw lantaarns nog. Dat is niet zooals 't behoort, vrienden! 't Is wanorde. Zij moeten stuk."
Hij wierp den steen in de lantaarn, waarvan het glas met zulk een gerinkel viel, dat de achter hun gordijnen verscholen bewoners van het tegenoverstaande huis uitriepen:
"'t Is weer als in drie-en-negentig!"
De lantaarn schommelde hevig, het licht ging uit, en in de straat werd het plotseling donker.
"Zoo is 't goed, oude straat," zei Gavroche, "zet uw slaapmuts op."
Toen zich tot Jean Valjean wendende:
"Hoe heet dit groote gebouw aan het einde der straat? 't Is het Archief, niet waar? Die dikke kolommen moeten even omver gehaald en daarvan een fraaie barricade gemaakt worden."
Jean Valjean naderde Gavroche, en zeide halfluid en als bij zich zelven:
"De arme jongen, hij heeft honger."
En hij stopte hem het vijffrancstuk in de hand.
Gavroche richtte het hoofd op, verwonderd over de grootte van het geldstuk; hij bezag het in de duisternis, en de blankheid ervan bracht hem in verrukking. Hij kende de vijffrancstukken van hooren zeggen; hij had er een gunstig idée van; 't verheugde hem er persoonlijk kennis mede te maken.
"Laat ons het beest eens goed bekijken!" zeide hij.
Hij beschouwde het eenige oogenblikken met verrukking; doch zich vervolgens weder tot Jean Valjean wendende, gaf hij hem het geldstuk terug en zeide majestueus:
"Burger, ik werp liever lantaarns in. Neem uw wild beest terug. Ik laat mij niet omkoopen. Het heeft vijf klauwen, maar 't zal mij niet pakken."
"Hebt ge een moeder?" vroeg Jean Valjean.
Gavroche antwoordde:
"Misschien beter dan gij."
"Welnu," hernam Jean Valjean, "behoud dit geld dan voor uw moeder."
Gavroche voelde zich bewogen. Hij had bovendien opgemerkt, dat de man die tot hem sprak geen hoed op had, en dit boezemde hem vertrouwen in.
"Waarlijk," zeide hij, "is 't niet om mij af te houden van de lantaarns stuk te slaan?"
"Sla alles stuk wat ge wilt."
"Ge zijt een braaf man," zei Gavroche.
En hij stak het vijffrancstuk in een zijner zakken.
Met toenemend vertrouwen voegde hij er bij:
"Woont ge in deze straat?"
"Ja, waarom?"
"Zoudt ge mij No. 7 kunnen wijzen?"
"Wat wilt ge in No. 7?"
De knaap zweeg, vreezende te veel gezegd te hebben; hij streek haastig met zijn vingers door zijn haar en antwoordde niets dan:
"Ha! Zoo!"
Een denkbeeld schoot Jean Valjean door den geest. De angst geeft soms licht. Hij zeide tot den knaap:
"Brengt gij mij den brief, dien ik wacht?"
"Gij?" zei Gavroche. "Ge zijt geen vrouw."
"De brief is voor mejuffer Cosette, niet waar?"
"Cosette?" mompelde Gavroche; "ja, ik geloof dat het die rare naam is."
"Nu!" hernam Jean Valjean, "ik moet haar dien brief overhandigen. Geef."
"In dat geval moet ge ook weten, dat ik van de barricade gezonden ben?"
"Ongetwijfeld," zei Jean Valjean.
Gavroche stak zijn hand in een anderen zijner zakken en haalde er een in vieren gevouwen papier uit.
Toen op militaire wijze aanslaande, zeide hij:
"Eerbied voor de dépêche. Zij komt van de voorloopige regeering."
"Geef," zei Jean Valjean.
Gavroche hield het papier boven zijn hoofd.
"Verbeeld u niet, dat het een minnebriefje is. Het is wel voor een vrouw, maar eigenlijk voor het volk. Wij vechten tegen de mannen, maar eerbiedigen het schoone geslacht. Wij zijn niet als in de groote wereld, waar lions aan chameaux minnebriefjes zenden."
"Geef."
"Inderdaad," hernam Gavroche, "ge schijnt mij een braaf man te zijn."
"Geef spoedig!"
"Ziedaar."
En hij gaf Jean Valjean het papier.
"Haast u nu, mijnheer Coos, wijl juffer Cosette wacht."
Gavroche scheen zelf schik te hebben over deze woordspeling.
Jean Valjean hernam:
"Moet het antwoord naar Saint-Merry worden gebracht?"
"Ge zoudt daarmede een dommen streek begaan. Deze brief komt van de barricade in de straat Chanvrerie, en daarheen keer ik terug. Goeden avond, burger."
Dit gezegd hebbende verwijderde zich Gavroche, of liever vloog naar de plaats, van waar hij gekomen was; met de snelheid van een ontsnapten vogel. Hij verdween in de duisternis, alsof hij er een gat in boorde, regelrecht als een kanonskogel. De rue de l'Homme Armé werd weder stil en eenzaam; in een oogwenk was deze wonderbare knaap, die in zich iets van de schaduw en van den droom had, tusschen de in de duisternis bedolven huizen als een damp verdwenen; en men zou dit geloofd hebben, zoo niet weinige minuten na zijn verdwijning het gekletter van een stuk geslagen vensterruit en het heerlijk gerinkel van een ingeworpen straatlantaarn opnieuw de angstige bewoners eensklaps en ruw gewekt had. 't Was Gavroche, die door de straat du Chaume ging.
DERDE HOOFDSTUK.
TERWIJL COSETTE EN VROUW TOUSSAINT SLAPEN.
Jean Valjean ging weder in huis met den brief van Marius. Tastend klom hij de trap op, verheugd over de duisternis, als de uil die zijn prooi wegvoert, opende en sloot weder zacht de deur, luisterde of hij eenig gerucht hoorde, overtuigde zich dat, naar allen schijn, Cosette en vrouw Toussaint sliepen, wilde een zwaveltje aansteken, dat hem echter eenige keeren door het beven zijner hand mislukte, want 't was hem alsof hij een diefstal pleegde. Eindelijk was de kaars ontstoken; hij zette zich aan de tafel, vouwde het papier open en las.
Bij geweldige aandoeningen leest men niet, men knijpt, men verwoest als 't ware het papier, dat men in de hand heeft als een offer, men kreukt het, men drukt er vertoornd of verblijd zijn nagels in, men vliegt naar het einde, springt het begin over, de aandacht is koortsachtig, zij begrijpt slechts de hoofdzaak; onnauwkeurig, het wezenlijke; zij hecht zich slechts aan één punt, en al het overige verdwijnt. In het briefje van Marius aan Cosette, zag Jean Valjean slechts deze woorden:
"... Ik sterf. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn."
Door deze twee regels werd hij als verblind, hij was een oogenblik als verplet door den omkeer van aandoeningen, welke in hem ontstond, als duizelend van verbazing aanschouwde hij het briefje van Marius; de dood van het gehate wezen, dit schitterend uitzicht, vertoonde zich voor zijn oogen.
Heimelijk slaakte hij een afschuwelijken vreugdekreet. 't Was dus gedaan. De ontknooping was spoediger gekomen dan hij had durven hopen. Het wezen, dat zijn lot hinderde, verdween, uit zich zelf, vrijelijk, ongedwongen, zonder dat hij, Jean Valjean, er iets toe gedaan had; zonder dat het zijn schuld was, ging deze man sterven. Misschien was hij reeds dood.--Hier begon de koorts te berekenen. Neen, hij is nog niet dood. De brief is blijkbaar geschreven om door Cosette eerst den volgenden morgen gelezen te worden; na de beide losbrandingen, welke men tusschen elf uren en middernacht gehoord had, was er niets voorgevallen; de barricade zal niet ernstig worden aangevallen dan met het aanbreken van den dag; maar om 't even, nu "deze man" aan den krijg heeft deelgenomen, is hij verloren; hij is door het raderwerk gevat.--Jean Valjean gevoelde zich bevrijd. Nu zou hij wederom alleen met Cosette zijn. De mededinging hield op; het verledene nam weder een aanvang. Hij behoefde het briefje slechts te behouden. Cosette zou nooit weten wat van "dien man" geworden was. Hij behoefde de dingen slechts hun loop te laten. Deze man kon niet ontsnappen. Zoo hij nog niet dood is, zal hij toch stellig sterven. Welk een geluk!
Na dit alles binnensmonds gezegd te hebben werd hij somber. Vervolgens ging hij naar beneden en wekte den portier.
Een uur later ging Jean Valjean in de uniform van nationale garde en gewapend uit. De portier had in de buurt gemakkelijk gevonden, wat aan de uitrusting ontbrak. Hij had een geladen geweer en een volle patroontasch. Hij begaf zich naar den kant des Halles.
VIERDE HOOFDSTUK.
OVERDREVEN IJVER VAN GAVROCHE.
Inmiddels had Gavroche een avontuur gehad.
Nadat hij de straatlantaarn in de rue du Chaume zooveel hij kon verbrijzeld had, kwam hij in de rue des Vieilles-Haudriettes, en er geen "kat of muis" ziende, vond hij de gelegenheid gunstig om het geheele liedje dat hij kende, te zingen.
Zijn gang, in plaats van zich door 't gezang te vertragen, werd er eer te sneller door. En nu strooide hij als 't ware langs de slapende of verschrikte huizen deze vurige verzen uit:
L'oiseau médit dans les charmilles, Et prétend qu'hier Atala Avec un russe s'en alla.
Où vont les belles filles, Lon la.
Mon ami pierrot, tu babilles, Parce que l'autre jour Mila Cogna sa vitre, et m'appela.
Où vont les belles filles, Lon la.
Les drôlesses sont fort gentilles; Leur poison qui m'ensorcela Griserait monsieur Orfila.
Où vont les belles filles, Lon la.
J'aime l'amour et ses bisbilles, J'aime Agnès, j'aime Paméla, Lise en m'allumant se brûla.
Où vont les belles filles, Lon la.
Jadis, quand je vis les mantilles De Suzette et de Zéila, Mon âme à leurs plis se mêla.
Où vont les belles filles, Lon la.
Amour, quand, dans l'ombre où tu brilles, Tu coiffes de roses Lola, Je me damnerais pour cela.
Où vont les belles filles, Lon la.
Jeanne, à ton miroir tu t'habilles! Mon coeur un beau jour s'envola; Je crois que c'est Jeanne qui l'a.
Où vont les belles filles, Lon la.
Le soir, en sortant des quadrilles, Je montre aux étoiles Stella Et je leur dis: regardez-la.
Où vont les belles filles, Lon la. [14].
Aan het gezang paarde Gavroche een levendig gebarenspel. Het gebaar is de versterking der woorden. Zijn gezicht, een onuitputtelijke verzameling van maskers, maakte grilliger en phantastischer grimassen dan een lap linnen met gaten die in den wind fladdert. Wijl 't ongelukkig donker en hij alleen was, werd dit noch gezien noch was het zichtbaar. Er gaan veel schatten verloren.
Eensklaps bleef hij staan.
"Laat ons de romance afbreken," zeide hij.
Zijn kattenoog had onder een koetspoort iets gezien, dat men in de schilderkunst een geheel noemt, dat wil zeggen, een wezen en een voorwerp; het voorwerp was een handkar, het wezen een Auvergner, die er op sliep.
De boomen der kar rustten op de straat, het hoofd van den Auvergner lag op den hellenden bodem der kar, en zijn voeten raakten de straatsteenen.
Gavroche herkende dadelijk, met zijn ondervinding van de wereldsche dingen, een dronkaard.
't Was een of ander kruier van den hoek, die te veel gedronken had en te lang sliep.
"Daartoe dienen nu de zomernachten," dacht Gavroche. "De Auvergner slaapt op zijn kar. Men neemt de kar voor de republiek, en laat den Auvergner aan de monarchie."
Zijn geest werd door deze heldere ingeving verlicht:
"Deze kar zou zeer goed voor onze barricade gebezigd kunnen worden."
De Auvergner snorkte.
Zacht trok Gavroche de kar achteruit en den Auvergner vooruit, namelijk bij de voeten en na een minuut lag de onverstoorbare Auvergner plat op de straat.
De kar was nu ledig.
Gavroche, die gewoon was op alle wijzen aan het onverwachte het hoofd te bieden, had steeds allerlei dingen bij zich. Hij grabbelde in een zijner zakken en haalde er een stukje papier en een eindje rood potlood uit, dat hij van dezen of genen timmerman had gekaapt. Hij schreef:
"Fransche Republiek."
"Uw kar in ontvangst genomen."
Hij onderteekende: "Gavroche."
Toen dit verricht was, schoof hij het papiertje in den zak van het manchestersche vest van den steeds ronkenden Auvergner, pakte de boomen met beide handen en joeg in vollen galop met triompheerend geraas de kar naar den kant des Halles.
't Was gevaarlijk. Bij de koninklijke drukkerij stond een wachtpost. Gavroche dacht er niet aan. De post was bezet door nationale garden der voorstad. De wacht werd opmerkzaam, en de hoofden richtten zich op. Twee achter elkander verbrijzelde straatlantaarns, het luidkeels gezongen lied, dit was te veel voor de beschroomde bewoners dezer straten, die slapen willen voor dat de zon ondergaat, en die zoo vroeg den domper op hun kaars zetten. Sedert een uur maakte de straatjongen in deze vreedzame wijk het geraas van een vlieg in een flesch. De sergeant der voorstad luisterde, en wachtte. Hij was een voorzichtig man.
Het geraas van het verward gerol der kar deed de maat van lijdzame afwachting overloopen en de sergeant besluiten een verkenning te beproeven.
"'t Is een geheele bende," zeide hij; "laat ons voorzichtig te werk gaan."
't Was duidelijk, dat de hydra der regeeringloosheid uit haar hol was gekomen en in de wijk woedde.
De sergeant waagde zich met zachten tred buiten den wachtpost.
Eensklaps bevond zich Gavroche, juist toen hij met zijn kar den hoek der straat Vieilles-Haudriettes om kwam hollen, tegenover een uniform, een schako, een pluim en een geweer.
Ten tweeden male bleef hij stilstaan.
"Ha!" zeide hij, "is het dat?--Goedendag, openbare orde."
Gavroches verbazing was gewoonlijk van korten duur en verdween spoedig.
"Waar wilt ge heen, deugniet?" vroeg de sergeant.
"Burger," zei Gavroche, "ik heb u niet gescholden, waarom beleedigt ge mij?"
"Waar gaat ge heen, snaak?"
"Mijnheer, ge waart misschien gisteren een verstandig man, maar heden schijnt ge het verstand afgelegd te hebben."
"Ik vraag u, waar ge heen gaat, schobbejak?"
Gavroche antwoordde:
"Ge spreekt zeer lief. Waarachtig, men zou 't van uw ouderdom niet verwachten. Gij moest ieder haartje van uw hoofd voor honderd francs verkoopen, dat zou u vijfhonderd francs opbrengen."
"Waar gaat ge heen? waar gaat ge heen? bandiet?"
Gavroche hernam:
"Dat zijn leelijke woorden. Zoodra men u weder laat zingen, moet men u beter den mond afvegen."
De sergeant velde de bajonnet.
"Wilt ge mij eindelijk zeggen, waar ge heen gaat, ellendeling?"
"Generaal," zei Gavroche, "ik ga den dokter halen voor mijn vrouw die bevallen moet."
"In 't geweer!" schreeuwde de sergeant.
Zich door datgene te redden, wat ons in de val heeft gebracht, is het meesterstuk van schrandere mannen; Gavroche mat met een blik den geheelen toestand. 't Was de kar, die hem in gevaar had gebracht, de kar moest hem nu helpen.
Juist toen de sergeant op Gavroche aanstormde, rolde de kar, nu een werptuig geworden en met alle kracht voortgejaagd, met geweld tegen den buik van den sergeant, die achterover in de goot viel, terwijl zijn geweer in de lucht afging.
Op het geroep van den sergeant stormden de manschappen uit de wacht; het geloste schot gaf aanleiding tot een algemeene losbranding op goed geluk af, waarna men weder de geweren laadde en opnieuw begon.
Dit schieten in den blinde duurde een goed kwartier en doodde eenige vensterruiten.
Intusschen hield Gavroche, die in allerijl weggeloopen was, vijf of zes straten verder stil en zette zich buiten adem op den straatpaal aan den hoek der straat des Enfants-rouges.
Hij luisterde.
Na eenige oogenblikken in den adem schietens, wendde hij zich naar den kant waar nog als razend geschoten werd, bracht zijn linkerhand ter hoogte van zijn neus, en stak ze driemalen vooruit, terwijl hij met de rechterhand tegen zijn achterhoofd sloeg, een krachtig gebaar, waarin de Parijsche straatjongen de geheele Fransche ironie vereenigt, en dat stellig van goede uitwerking is, wijl het reeds een halve eeuw bestaan heeft.
Maar deze aardigheid werd door een bittere gedachte gestoord. "Ja," zeide hij, "ik heb hier wel ongemakkelijk schik, maar ik raak van mijn weg en zal een geduchten omweg moeten maken. Als ik nu maar bijtijds aan de barricade ben."
Toen trok hij verder en onder 't loopen zeide hij: "Wacht! hoe ver was ik ook met het liedje gekomen?"
Hij begon weder zijn lied te zingen, terwijl hij snel door de straten liep, en zong in de duisternis:
Mais il reste encore des bastilles, Et je vais mettre le holà Dans l'ordre public que voilà.
Où vont les belles filles, Lon la.